|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:379 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-08-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/447 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling en kostenbesluiten. Varkens werden onvoldoende beschermd tegen slechte weersomstandigheden. Beroep ongegrond. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. | | Trefwoorden | : | bestuursdwang | | | forfaitair | | | landbouw | | | perceel | | | taxatie | | | varkens | | | vee | | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/447
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [vestigingsplaats] (stichting)
(gemachtigde: mr. J.L. Baar)
en
de minister (nu: de staatssecretaris) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. P.M.M. van Bennekom en mr. E.M. Scheffer)
met als derde partij
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)
Procesverloop in beroep
Met het besluit van 21 december 2023 (last onder bestuursdwang) heeft de minister aan de stichting een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van het Besluit houders van dieren (Bhd).
Met het besluit van 19 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met het besluit van 1 augustus 2024, zaaknummer 202302796, (kostenbesluit varkens) heeft de minister de kosten van de toepassing van bestuursdwang met betrekking tot achttien wolvarkens vastgesteld en het bedrag van € 10.657,39 bij de stichting in rekening gebracht.
Met het besluit van 1 augustus 2024, zaaknummer 202401020, (kostenbesluit runderen) heeft de minister de kosten van de toepassing van bestuursdwang met betrekking tot vier runderen vastgesteld en het bedrag van € 7.311,37 bij de stichting in rekening gebracht.
De stichting heeft de kostenbesluiten betwist.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Over een aantal stukken die de minister verplicht is te overleggen, heeft hij meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Het College oordeelt dat de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. De stichting heeft het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.
De zitting was op 22 mei 2026. Namens de stichting hebben aan de zitting deelgenomen: [naam 2] en de gemachtigde van de stichting. Namens de minister hebben [naam 3] , [naam 4] en de gemachtigden van de minister aan de zitting deelgenomen.
De stichting heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.
Inleiding
1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2
Op 27 november 2023 en 1 december 2023 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controles uitgevoerd bij de stichting. De bevindingen van de controle van 27 november 2023 zijn door de toezichthouders neergelegd in het rapport van bevindingen van 29 november 2023. Dit rapport vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende constateringen:
“Op maandag 27 november 2023 bevonden wij, toezichthouders [….], ons, omstreeks 10.30 uur, aan de [naam 5] te [vestigingsplaats] binnen de gemeente [naam 6] . […] Wij zagen dat in perceel 1 19 volwassen varkens gehuisvest waren. Wij zagen dat de varkens in een gedeelte van het perceel gehuisvest waren wat afgezet was met schapennetten voorzien van stroom. Wij zagen dat het gehele gedeelte nat en modderig was. Wij zagen veel plassen water in het perceel. Wij zagen dat de varkens met hun poten diep in de modder wegzaken. Wij zagen in het gedeelte waar de varkens werden gehuisvest opgebrachte grond aanwezig was. Wij zagen dat de opgebrachte grond ook erg nat en modderig was. Wij zagen op de opgebrachte grond plassen water staan. Wij zagen dat in het gehele gedeelte waar de varkens in gehuisvest waren géén droge ligplekken aanwezig waren. Wij, toezichthouders [naam 2] en [naam 7] , zijn het gedeelte in gegaan. Wij zakten minimaal 20 a 25 cm diep weg in de modder. Wij zagen dat de lijven van de varkens besmeurd waren met natte en opgedroogde modderresten. Wij weten dat varkens over een droge en comfortabele ligplek moeten kunnen beschikken. Wij zagen dat de 19 varkens niet over een schone, droge en comfortabele ligplek konden beschikken. […]
Wij toezichthouders zagen dat in het gedeelte waarin de 19 varkens gehuisvest waren in perceel 1 géén schuilgelegenheid aanwezig was die beschutting gaf tegen slechte weersomstandigheden. Wij zagen dat de varkens niet konden schuilen tegen slechte weersomstandigheden. In dit geval tegen hevige regenval. […]”
De toezichthoudend dierenarts heeft de wolvarkens van de stichting op 1 december 2023 gezien en beoordeeld. In zijn veterinaire verklaring vermeldt hij, voor zover hier van belang, het volgende:
“Er was geen goede beschutting tegen de weersomstandigheden op het perceel, maar op dit ogenblik was dat ook niet onmiddellijk nodig, maar veranderende weersomstandigheden en gesteldheid van de ondergrond kunnen dit beeld / de behoefte van de varkens totaal veranderen. Ik kan mij niet onttrekken aan de gedachte dat de omstandigheden 1 of 2 dagen ervoor dusdanig slecht kunnen zijn geweest dat ik zou hebben geadviseerd om de varkens mee te voeren en op te slaan. Het voldoet nu ook maar nauwelijks aan de minimale eisen waarin deze varkens gehuisvest worden. Regen, kou, sneeuw en een andere volledig omgewroete ondergrond zouden voor mij op dit moment aanleiding geven om overleg plegen deze varkens direct mee te voeren en op te slaan.”
1.3
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de minister aan de stichting ter voorkoming van herhaling een last onder bestuursdwang opgelegd. De last is, onder meer, opgelegd vanwege overtredingen van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd en heeft een geldigheidsduur tot 1 april 2025. De last vermeldt onder meer het volgende:
“De overtredingen waarvan u herhaling dient te voorkomen zijn:
1 Artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren. Dit artikel verplicht u onder andere om de dieren die u niet in een gebouw houdt, bescherming te bieden tegen gezondheidsrisico’s en slechte weersomstandigheden.
Herhaling voorkomen
U kunt herhaling van de overtreding voorkomen door de varkens en runderen die u houdt voldoende bescherming te bieden tegen gezondheidsrisico’s en slechte weeromstandigheden. Dit kunt u doen door:
- de varkens te houden op een land waar zij continu de beschikking hebben over een droog stuk (bijvoorbeeld goed dik ingestrooid) en daarbij beschutting hebben tegen neerslag, wind en kou door bijvoorbeeld een afdak;[…]
Historie
Slechte weersomstandigheden
Op 16 december 2019, 4 januari 2019, 5 en 6 februari 2019, 31 oktober 2021, en 27 november 2023 hield u varkens op zeer modderig en nat terrein, zonder enige vorm van bescherming tegen slechte weeromstandigheden zoals vrieskou en regen. De varkens konden nergens beschut liggen op een droge plek. Door constant te worden blootgesteld aan deze slechte weersomstandigheden hadden de varkens een sterk vervuilde en te natte vacht. Hierdoor verliest de vacht haar isolerende werking. Dit heeft als gevolg dat de varkens vatbaarder worden voor infecties die schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarnaast kan de ondergrond waarop de dieren worden gehouden bevriezen, waardoor de dieren tijdens het lopen en rennen, kneuzingen kunnen oplopen.
[…]
Gevaar voor herhaling
Omdat u sinds 2019 een groot aantal keer een overtreding heeft begaan van artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren ben ik van oordeel dat gevaar voor herhaling van deze overtreding voor de hand ligt. Daarbij betrek ik dat ik reeds meerdere lasten aan u heb opgelegd ten aanzien van deze overtreding en dat steeds blijkt dat u de overtredingen slechts kortdurend beëindigd. U neemt geen maatregelen om de problemen structureel op te lossen. Als voorbeeld geef ik dat u mijn last van 27 november 2023 heeft uitgevoerd door de dieren slechts een extra gedeelte tijdelijk geschikt land ter beschikking te stellen. Gelet op de weeromstandigheden zal ook dit land op korte termijn te modderig worden om de varkens te beschermen tegen de gezondheidsrisico's zoals ik die hierboven heb beschreven. De varkens kunnen ook op dit land nergens schuilen tegen de regen en de kou waardoor hun vacht ook niet de mogelijkheid krijgt de isolerende werking te herstellen. Daarnaast zal dit land op korte termijn worden omgewoeld zodat de vachten weer te onhygiënisch worden.”
1.4
Op 27 december 2023 hebben toezichthouders van de NVWA naar aanleiding van de last onder bestuursdwang een hercontrole uitgevoerd. Zij hebben opnieuw overtredingen vastgesteld. Daarom hebben zij achttien varkens van de stichting meegevoerd en opgeslagen bij een opslaghouder. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 4 januari 2024.
1.5
Op 2 april 2024 hebben toezichthouders van de NVWA vier runderen van de stichting meegevoerd en opgeslagen, omdat niet was voldaan aan de last onder bestuursdwang.
1.6
De stichting heeft tegen de last onder bestuursdwang bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek met zijn uitspraak van 20 februari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:117, afgewezen.
1.7
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard en de last onder bestuursdwang gehandhaafd. De stichting is het daarmee niet eens.
1.8
De kosten voor het toepassen van de bestuursdwang heeft de minister in rekening gebracht met de kostenbesluiten varkens en runderen, zoals hiervoor vermeld in het procesverloop.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het beroep
3 Aan de orde zijn de vragen of de minister de bezwaren van de stichting tegen de last onder bestuursdwang terecht ongegrond heeft verklaard en de kosten van de toepassing van bestuursdwang met betrekking tot de varkens en runderen terecht bij de stichting in rekening heeft gebracht. Het College beantwoordt deze vragen bevestigend en licht dit hieronder toe.
Is de last onder bestuursdwang terecht opgelegd?
4.1
Het College stelt vast dat de minister aan de last onder bestuursdwang het rapport van bevindingen van 29 november 2023 ten grondslag heeft gelegd. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, als de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2
In deze zaak heeft de minister aan de stichting een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd. De stichting betwist dat zij deze bepaling heeft overtreden. Volgens de stichting werden de varkens die zij hield afdoende verzorgd en beschikten zij over voor de soort geschikte, afdoende bescherming tegen de weersinvloeden. De varkens zijn van een ras dat goed bestand is tegen slechte weersomstandigheden. De eisen die aan de bescherming van deze dieren tegen slechte weersomstandigheden moeten worden gesteld, zijn daarom anders dan gebruikelijk. De stichting heeft ter ondersteuning van haar standpunt diverse rapporten overgelegd, zoals het stuk van drs. [naam 8] . Daaruit blijkt dat de [soort] -varkens nesten bouwen en doen aan ‘huddling’, het samen liggen in een nest op droge ondergrond. Volgens de stichting blijkt uit de filmbeelden die zij heeft gemaakt dat ook haar varkens dat doen. Als gegraven plekken vollopen door regen, wroeten de varkens volgens de stichting een nieuwe ligplek. In extreme gevallen biedt de verhoging op het terrein daartoe uitkomst, maar in de regel is de onderlaag voldoende droog om een 'nest' te creëren, vooral omdat deze varkens diep en intensief wroeten. De dieren plegen zich ook niet op dezelfde plek te ontlasten als waar zij rusten en/of eten. Uit de filmbeelden blijkt volgens de stichting ook dat de varkens hun vachten konden drogen door het 'huddling'. De varkens beschikken volgens de stichting ook over een zeer dikke vetlaag die goed isoleert en kenmerkend is voor dit ras. De stichting is verder van mening dat de stelling in de veterinaire verklaring dat varkens beschikken over een matige thermoregulatie niet geldt voor natuurvarkens als de [soort] . Tot slot wijst de stichting erop dat uit de patiëntendossiers van de varkens van de afgelopen tien jaar niet blijkt van gezondheidsproblemen die direct zijn terug te voeren op haar wijze van houden. Volgens de stichting ligt het sterftecijfer de afgelopen tien jaar, waarbij de laatste zes jaar zo'n 30 tot 40 varkens jaarrond buiten zijn gehouden, op minder dan 3% en daarmee ver onder het landelijk gemiddelde van ruim 20%. Dit vormt volgens haar een contra-indicatie voor de stelling dat de wijze van houden de dieren bloot zou stellen aan een grotere kans op de insleep van ziektes en voor de stelling dat de wijze van houden tot aantasting van de gezondheid en het welzijn van de dieren leidt.
4.3
Het College oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de stichting artikel 1.6, derde lid, van het Bhd heeft overtreden, zodat de minister bevoegd was om hiertegen handhavend op te treden. De bevindingen die gedetailleerd in het rapport zijn beschreven en in 1.2 zijn weergegeven, worden ondersteund door de foto’s die bij het toezichtrapport zijn gevoegd. Dat de varkens onvoldoende beschermd werden tegen weersomstandigheden blijkt ook uit de veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts. Daar komt bij dat artikel 1.6, derde lid, van het Bhd aan houders van dieren weliswaar de ruimte laat om zelf invulling te geven aan de wijze waarop zij aan de normen uit het Bhd voldoen, maar dat neemt niet weg dat de doelen – in dit geval voldoende schuilgelegenheid en een droge ligplaats – wel moeten worden bereikt. Volgens de nota van toelichting bij deze bepaling gaat het om normen met een universele gelding waarvan het voor zich spreekt dat deze in acht moeten worden genomen. De normen zijn te beschouwen als basiseisen die bij het houden van dieren in ieder geval in acht genomen moeten worden. Dat betekent dat ook deze varkens bescherming moet worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, ook al zijn zij daar wellicht beter dan andere soorten tegen bestand.
4.4
Uit het rapport van bevindingen van 29 november 2023 blijkt dat de stichting niet aan deze basiseisen voor het houden van dieren heeft voldaan. Vast staat in ieder geval dat er op het perceel geen schuilgelegenheid aanwezig was die de varkens beschutting gaf tegen slechte weersomstandigheden. Dat de varkens desondanks voor een droge ligplaats konden zorgen, zoals de stichting stelt, blijkt niet uit het rapport van bevindingen, de daarbij horende foto’s of de door de stichting overgelegde filmbeelden. Zo was volgens het rapport het gehele perceel waar de varkens stonden op 27 november 2023 nat en modderig, met veel plassen water. De varkens zakten met hun poten diep in de modder en hun lijven waren besmeurd met natte en opgedroogde modderresten. In het deel waar de varkens waren gehuisvest waren geen droge ligplekken aanwezig. Twee toezichthouders die in dat deel stapten, zakten 20 tot 25 cm weg in de modder. Het College ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze bevindingen te twijfelen. Deze bevindingen zijn nauwkeurig en uitvoerig beschreven en sluiten aan bij wat te zien is op de foto’s die bij het rapport zijn gevoegd. De stichting heeft filmbeelden ingebracht, die zouden dateren van 28 november 2023, 30 november 2023, 1 december 2023, 27 december 2023 en 25 februari 2024. Ook deze beelden doen het College niet twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders op 27 november 2023. Zo zijn er geen beelden van 27 november 2023, de datum waarop de controle plaatsvond die heeft geleid tot oplegging van de last onder bestuursdwang. Ook heeft de stichting met de beelden niet onderbouwd dat er op het land ook droge stukken waren. De minister heeft naar het oordeel van het College terecht opgemerkt dat op de filmbeelden van 28 november, 30 november (en 27 december 2023) geen droge maar vooral natte plekken (voor de achttien varkens) te zien zijn. De beelden van 1 december 2023 doen niet af aan de bevindingen van de toezichthouders op 27 november 2023 en komen overeen met de beschrijving van de toezichthouders in het rapport van bevindingen over de situatie op 1 december 2023. De beelden van 25 februari 2024 geven een andere situatie weer dan de situatie in november 2023, omdat er op dat moment twee maanden lang geen vee op de grond had gelopen, waardoor deze niet is omgewoeld.
Het College gaat daarom uit van wat in de rapporten van bevindingen is beschreven en op de daarbij gevoegde foto’s te zien is.
4.5
Uit de stukken blijkt dat de toezichthouders bij de beoordeling van de feitelijke situatie rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat het hier gaat om een bijzonder soort varkens dat beschikt over een groter aanpassingsvermogen aan natuurlijke buitenomstandigheden. In de veterinaire verklaring van 23 januari 2024 wordt namelijk onderkend dat dit soort wegens zijn vacht bekend staat als winterhard. De dierenarts tekent daarbij echter ook aan dat het dan wel van belang is dat de vacht schoon is, omdat die anders zijn isolerende werking verliest. In het rapport van bevindingen is echter vastgesteld dat sprake was van zeer natte en modderige omstandigheden en dat de varkens besmeurd waren met natte en opgedroogde modderresten. De minister heeft daaruit mogen opmaken dat de varkens onvoldoende bescherming werd geboden tegen slechte weersomstandigheden. In reactie op de stelling van de stichting dat de varkens zelf zorgen voor een droge ondergrond door de natte bovenlaag weg te wroeten en dat er hoger gelegen perceeldelen zijn die droger zijn, heeft de toezichthoudend dierenarts erop gewezen dat de percelen bij de inspectie erg nat waren en dat het soort grond, klei, niet makkelijk draineert. Volgens de toezichthoudend dierenarts leidt dit tot een situatie die de dieren geen bescherming biedt tegen slechte weersomstandigheden. Het College kan deze conclusie volgen.
4.6
Het College is met de minister van oordeel dat de stichting haar standpunt dat de varkens geen bescherming tegen slechte weersomstandigheden nodig hadden ook niet aannemelijk heeft gemaakt met het rapport van [naam 8] . Daaruit volgt dat het belangrijk is dat buiten gehouden varkens met materiaal nesten kunnen bouwen op een droge/hoge plek en in gure omstandigheden bij elkaar kunnen liggen. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de percelen te nat en modderig waren. Het was daardoor voor de varkens niet mogelijk om door het bouwen van nesten en door het dicht bij elkaar gaan liggen een droge ligplaats te maken.
4.7
Naar het oordeel van het College doet dat wat de stichting naar voren heeft gebracht over de gezondheid en sterfte van haar dieren gedurende de laatste tien jaren aan het bovenstaande niet af. Ook als er (nog) geen sprake is van sterfte of als de dieren niet ziek zijn geworden, moeten de dieren worden beschermd tegen slechte weersomstandigheden en gezondheidsrisico’s.
4.8
De minister heeft gelet op het bovenstaande terecht vastgesteld dat de stichting artikel 1.6, derde lid, van het Bhd heeft overtreden. Hij was dan ook bevoegd tot het opleggen van de last onder bestuursdwang en heeft de bezwaren van de stichting tegen deze last terecht ongegrond verklaard.
4.9
De beroepsgronden slagen niet.
Kostenbesluiten
5.1
Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen de kostenbesluiten, omdat de stichting deze besluiten betwist.
5.2
Volgens artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
5.3
Op 27 december 2023 en 2 april 2024 is bestuursdwang toegepast en zijn achttien wolvarkens en vier runderen meegevoerd. Omdat de last onder bestuursdwang in stand blijft en er verder geen gronden zijn gericht tegen de toepassing van bestuursdwang, was het meevoeren en opslaan van de varkens en runderen rechtmatig.
5.4
De stichting is het echter niet eens met de bij de kostenbesluiten in rekening gebrachte kosten van de toegepaste bestuursdwang. Zo komen de facturen voor de taxatie de stichting bovenmatig voor, zeker in verhouding tot de getaxeerde waarde. De stichting heeft aangevoerd dat niet duidelijk is hoe in de facturen voor de taxatie van de varkens (€ 898,11 ex btw) en runderen (€ 918,78 ex btw) tot een tijdsbesteding van zeven uur is gekomen voor het bezoek aan de opslaghouder en het uitwerken van een summier rapport. Daarnaast heeft de stichting verwezen naar overweging 2.2 van de uitspraak van het College van 19 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:514), waaruit volgens haar zou volgen dat vanwege een interne gedragsregel de taxatiekosten niet langer op de overtreder worden verhaald. Ook heeft de stichting naar voren gebracht dat in het kostenbesluit varkens de verkoopopbrengst van de varkens in mindering had moeten worden gebracht.
5.5
Op de zitting heeft de minister uiteengezet dat zijn interne gedragsregel is dat taxatiekosten niet in rekening worden gebracht bij houders van hobbydieren, maar wel bij ondernemers. De stichting is geen houder van hobbydieren. Verder heeft de minister toegelicht dat de in rekening gebrachte uren van de taxatie bestaan uit reistijd (heen en terug), de duur van de taxatie zelf, het opstellen van het rapport en overige administratieve afwikkelingen. De taxatiewaarde van de dieren speelt volgens de minister geen rol in de afweging of een taxatie moet plaatsvinden. De minister heeft verder toegelicht dat de varkens niet zijn verkocht, maar zijn geschonken omdat het verkopen niet was gelukt. Er is dus geen verkoopopbrengst die in mindering gebracht kan worden op de kosten van de bestuursdwang.
5.6
Het College ziet, gelet op de toelichting van de minister, geen aanleiding voor het oordeel dat de taxatiekosten onredelijk hoog waren. De minister heeft voldoende onderbouwd waarom er geen verkoopopbrengsten in mindering zijn gebracht op de in rekening gebrachte kosten. Het College ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de met de kostenbesluiten in rekening gebrachte kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de stichting behoren te komen. De minister heeft dus terecht geen aanleiding gezien om (deels) af te zien van kostenverhaal.
5.7
De beroepsgronden slagen niet.
Slotsom
6 Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit en de kostenbesluiten ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
7.1
De stichting heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
7.2
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
7.3
De termijn is begonnen op de datum waarop de minister het bezwaarschrift ten aanzien van de last onder bestuursdwang heeft ontvangen, te weten op 14 januari 2024. Dit betekent dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn van twee jaar met ruim zeven maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd achten, is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat de stichting recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-.
7.4
De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de rechterlijke fase toe te rekenen, omdat de bestuurlijke fase korter dan een half jaar heeft geduurd. Gelet hierop zal de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade aan de stichting.
7.5
De Staat zal worden veroordeeld in de door de stichting gemaakte proceskosten voor het doen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (één punt met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-).
Beslissing
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit en de kostenbesluiten ongegrond;
veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan de stichting van een vergoeding van € 1.000,- voor immateriële schade;
veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. M.P. Glerum en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
w.g. M. van Duuren w.g. F.J.J. van West de Veer
Bijlage
Besluit houders van dieren
Artikel 1.6 Houden van dieren
[…]
3. Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming
geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico's en zo nodig
roofdieren.
[...] | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|