Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:HR:1903:1 
 
Datum uitspraak:02-01-1903
Datum gepubliceerd:24-08-2026
Instantie:Hoge Raad
Zaaknummers:3315
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:-
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
erfgenamen
ingezetene
landbouwer
successiewet
 
Uitspraak
Terechtzitting van 2 Januari 1903.
De zitting is geopend te elf uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken op:
Nº 3315.
1º [eischer 1], landbouwer, wonende te [woonplaats],
2º [eischer 2], Roomsch Katholiek priester, wonende te [woonplaats];
3º [eischer 3], landbouwer, wonende te [woonplaats],
4º [eischer 4], landbouwer, wonende te [woonplaats],
5º [eischeres 5] en haren echtgenoot [eischer 5], landbouwer, wonende te [woonplaats],
laatstgenoemde handelende tot bijstand en machtiging zijner echtgenoote en voor zooveel noodig uit eigen hoofde,
6º [eischeres 6],
7º [eischeres 7],
8º [eischeres 8], de drie laatstgenoemden landbouwster, wonende te [woonplaats], eischers tot cassatie van een vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Maastricht van den 14en November 1901, vertegenwoordigd door den Advocaat Jhr. Mr. E.N. de Brauw.
Tegen:
Zijne Excellentie den Minister van Financien, als uitoefenende het Bestuur der Registratie, resideerende te 's Gravenhage, ter nadere vervolging van den Directeur der Registratie en Domeinen te Maastricht, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door den Advocaat Mr. J.H. Telders.
De Hooge Raad der Nederlanden,
Partijen gehoord;
Gehoord den Advocaat-Generaal Jhr. Rethaan Macare, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping der voorziening, kosten rechtens;
Gezien de stukken;
Overwegende, dat tegen het tusschen partijen gewezen vonnis van de Arrondissements- Rechtbank te Maastricht van den 14en November 1901 als middel van cassatie is voorgesteld:
Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 183, 208, 210, 211 en 1129 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 2, 3, 10, 11, 23, 43, 44, 54 en 62 van de wet van 13 Mei 1859 (Staatsblad Nº 36), gelijk die artikelen zijn gewijzigd bij artikel 1 der wet van 28 Mei 1869 (Staatsblad nº 95), artikel 3 der wet van 9 Juni 1878 (Staatsblad nº 95), de artikelen 1, 2 en 4 der wet van 31 December 1885 (Staatsblad nº 263), artikel 2 der wet van 24 Mei 1897 (Staatsblad nº 154) en artikel 1 der wet van 29 Januari 1898 (Staatsblad nº 35) en voor zooveel noodig van de artikelen 6 en 7 der wet van 15 Mei 1829 (Staatsblad nº 28) houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, doordien bij het beklaagde vonnis op verschillende zelve met de aangehaalde wetsbepalingen strijdige gronden is aangenomen, dat de bepaling van artikel 1129 van het Burgerlijk Wetboek bij de toepassing der Successiewet niet in aanmerking mag worden genomen terwijl zulks wellicht juist moge zijn ten aanzien van de scheiding en deeling van de nalatenschap des erflaters tusschen diens erfgenamen voor de vraag wat ieder hunner heeft verkregen van hetgeen de erflater heeft nagelaten, doch uit geen enkele wetsbepaling volgt of mag worden afgeleid, dat, waar de erflater bij zijn overlijden deelgerechtigde was in eenige gemeenschap en deze na zijn overlijden, doch vóór de bij de Successiewet opgelegde aangifte gescheiden wordt, voor de vraag die in casu moest worden beslist, wat de erflater heeft nagelaten en bepaaldelijk of hij al dan niet goederen tot die gemeenschap behoorende doch aan anderen toebedeeld, geheel of gedeeltelijk, heeft nagelaten, artikel 1129 voor de toepassing der Successiewet buiten werking zou zijn gesteld, met dit gevolg, dat een deel der goederen, waarvan de erflater, krachtens artikel 1129 gerekend wordt den eigendom nimmer te hebben gehad, toch zou moeten worden beschouwd als door zijn overlijden te zijn verkregen;
Overwegende daaromtrent:
dat blijkens het bestreden vonnis de vordering der eischers strekte tot terugbetaling van één duizend zeshonderd acht en negentig gulden vier en twintig cent voor recht van overgang door hen onder protest van ongehoudenheid, en met voorbehoud om het als onverschuldigd terug te vorderen, betaald;
dat mede blijkens het aangevallen vonnis tusschen partijen is onbetwist, dat de vader van eischers, niet ingezetene van het rijk op 8 April 1900 in Belgie is overleden; dat deze de eischers als zijne erfgenamen bij versterf heeft nagelaten, dat zijne echtgenoote bij zijn overlijden in leven was en dat hij met haar in gemeenschap van winst en verlies gehuwd was; dat bij zijn overlijden onroerende goederen binnen het rijk in Europa gelegen, als winst der gemeenschap aanwezig waren, tot de helft waarvan de vrouw en tot de wederhelft waarvan de eischers gezamenlijk gerechtigd waren; dat op 25 October 1900 bij notarieele akte die gemeenschap is verdeeld tusschen de weduwe en de kinderen en na bepaling der waarde van de onroerende goederen deze aan de weduwe zijn toebedeeld onder verplichting harerzijds om aan hare acht kinderen - de eischers - de helft dier waarde (na eene reprise) uit te keeren; dat hierop de eischers eene memorie van aangifte ter zake van den overgang hebben ingediend met kennisgeving van de plaats gehad hebbende deeling en bewering dat ten gevolge van deze geen overgangsrechten verschuldigd waren; dat door den fiscus evenwel recht van overgang gevorderd en door eischers, onder bovengenoemd voorbehoud voldaan is;
dat de eischers in eersten aanleg hebben beweerd, dat de plaats gehad hebbende deeling door de werking van artikel 1129 in verband met de artikelen 183, 208 en volgende van het Burgerlijk Wetboek ten gevolge had dat de onroerende goederen geacht moesten worden niet te hebben behoord tot de nalatenschap van hunnen vader en dat zij dan ook onverplicht waren recht van overgang daarvan te betalen;
dat de Rechtbank deze bewering onjuist geacht en aan eischers hunne vordering ontzegd heeft;
dat de eischers door deze beslissing de in het middel genoemde artikelen en in het bijzonder artikel 1129 van het Burgerlijk Wetboek, geschonden of verkeerd toegepast achten, maar ten onrechte omdat de wet op het recht van successie en van overgang bij overlijden onder de hier bestaande omstandigheden aan artikel 1129 van het Burgerlijk Wetboek heeft gederogeerd voor bepaling van de fiskale aanspraak op betaling van rechten;
dat volgens die wet de rechten van den fiscus alleen en uitsluitend bepaald worden naar toestanden, die op het oogenblik van overlijden in werkelijkheid bestaan;
dat de vader der eischers bij zijn overlijden als bestanddeel van zijn vermogen bezat de helft in de winst, die de gemeenschap van winst en verlies had opgeleverd, en deze bij zijn dood op zijne erfgenamen overging;
dat nu aan het recht van overgang onderworpen zaken door den overledene nagelaten, worden aangewezen op het oogenblik van het overlijden, wat reeds beslist wordt door artikel 1 der Successiewet dat bepaalt: "Er wordt, onder den naam van recht van overgang eene belasting geheven van de waarde: 2º van alle onroerende zaken binnen het Rijk in Europa gelegen of gevestigd in vruchtgebruik of eigendom verkregen wordende door overlijden van iemand, die geen ingezetene is van het Rijk";
dat verder bij artikel 25 voor de bepaling van de waarde voor de regeling van het recht van overgang verwezen wordt naar artikel 23 nº 1 a en c en hierbij uitdrukkelijk gezegd wordt, dat de nagelaten goederen worden geschat op hunne waarde "ten dage van het overlijden";
dat aan deze regeling geen uitvoering gegeven zou kunnen worden indien een scheiding en deeling invloed kon uitoefenen op den belastingplicht, daar baten kunnen zijn toebedeeld, die tusschen den tijd van overlijden en scheiding in de plaats gekomen zijn van baten der nalatenschap en die dus ten dage van het overlijden daarin niet gevonden werden;
dat trouwens uit de strekking der wet ten duidelijkste blijkt, dat zij voor het geval dat het hier geldt, afgeweken is van den rechtsregel bij artikel 1129 gegeven, onverschillig of deze eene deeling van eene nalatenschap of van eene huwelijksgemeenschap betreft, en zelfs in een der bepalingen der wet te weten in artikel 44 die afwijking uitdrukkelijk uitgesproken is;
dat het toch niet aannemelijk is, dat in eene fiskale wet het aan den wil van deelgerechtigden zoude zijn overgelaten om de belasting al of niet te betalen, wat echter het geval zoude zijn indien men zich daarvan bevrijden kon door aangifte te doen na de scheiding;
dat kon deze invloed uitoefenen op den belastingplicht, in de wet bepalingen verwacht zouden worden om bij aangifte vóór de scheiding onbillijkheden ten gevolge harer werking ingetreden, op te heffen, hoedanige bepalingen in de wet niet te vinden zijn;
dat alzoo het voorgestelde middel niet kan leiden tot cassatie; Verwerpt het beroep;
Veroordeelt de eischers in de kosten in cassatie gevallen, begroot aan de zijde des verweerders tot op de uitspraak van dit arrest op vijf gulden zeventien en een halven cent aan verschotten en op honderdtachtig gulden aan salaris.
Gedaan bij de Heeren Mrs. Coninck Liefsting, President, Jhr. de Jonge, Eyssell, Gulje, van Stipriaan Luïscius, Telders en Jhr. Laman Trip, Raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van den tweeden Januari Negentienhonderd en drie, in bijzijn van den Advocaat Generaal Jhr. mr. Rethaan Macaré.
Link naar deze uitspraak