Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:10540 
 
Datum uitspraak:10-08-2026
Datum gepubliceerd:24-08-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 26/5938
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Vovo hangende bezwaar tegen een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een kas en het dempen van een watergang. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan. De verbeelding en de daarbij behorende planregels zijn in dit geval duidelijk. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te betwijfelen of het college de aanvraag in behandeling heeft mogen nemen. Verzoek afgewezen.
Trefwoorden:bestemmingsplan
buitengebied
glasopstanden
glastuinbouw
glastuinbouwbedrijf
omgevingsvergunning
perceel
waterschap
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/5938

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2026 in de zaak tussen

[bedrijf 1] B.V., uit [plaats 1] , verzoekster
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee
(gemachtigden: mr. C.J. Visser en mr. E.C.M. van Dueren den Hollander).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf 2] B.V. uit [plaats 2] , (vergunninghoudster)(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).




Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 31 maart 2026 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kas en het dempen van een watergang op het perceel aan de [adres 1] in [plaats 1] ter hoogte van de [straat] in [plaats 1] . Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.


1.1.
Het college heeft op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , de gemachtigden van het college, vergezeld door [persoon A] en mr. N. Helvoort, en namens vergunninghoudster [vertegenwoordiger 3] en de gemachtigde van vergunninghoudster.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
4. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening omdat vergunninghoudster de komende periode nog niet zal starten met de werkzaamheden. Vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat zij bereid is te wachten met de bouwwerkzaamheden tot halverwege oktober 2026. Het college kon desgevraagd geen zekerheid geven of het besluit op bezwaar vóór die periode genomen is. Gelet hierop heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij haar verzoek om voorlopige voorziening.


Totstandkoming van het besluit

5. Vergunninghoudster heeft op 22 september 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een nieuwe kas aan de [adres 1] te [plaats 1] (het perceel). Op 13 maart 2026 heeft vergunninghoudster in aanvulling daarop verzocht om het dempen van sloten ten behoeve van de nieuwbouw aan de aanvraag toe te voegen.


5.1.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (de Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het projectgebied geldt het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel. Op het perceel was het omgevingsplan "Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3" van kracht. Dit omgevingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee. Aan het perceel zijn de bestemmingen “Glastuinbouwbedrijf” en “Waarde Archeologie 4” toegekend.



5.2.
Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kas en het dempen van een watergang op het perceel [adres 1] ter hoogte van [straat] . Het gaat om de omgevingsplanactiviteit “bouwen” en “werk- of werkzaamheden” (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow).



5.3.
Het bedrijf van verzoekster is gevestigd aan de [adres 2] en grenst aan het perceel waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd.


Toetsingskader

6. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan.



6.1.
Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Op grond van artikel 22.277, aanhef en onder a, van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee is het verboden om zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren.

Op grond van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee wordt de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en ook niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.



6.2.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Dat betekent dat een aanvraag alleen kan worden geweigerd op grondslag van de in het omgevingsplan opgenomen regels. Als de omgevingsvergunning op grond van die regels niet kan worden geweigerd, moet de omgevingsvergunning worden verleend. Er is dus sprake van een gebonden beschikking.


Heeft het college de omgevingsvergunning aan het juiste omgevingsplan getoetst?

7. Verzoekster voert aan dat het het college het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3”. De veegplannen hebben namelijk geen inhoudelijke herzieningen met betrekking tot het perceel. Volgens verzoekster had het college het bouwplan daarom moeten toetsen aan de beheersverordening “Landelijk gebied”.



7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat Veegplan 3 een geconsolideerd plan is waarin de regels van het moederplan zijn opgenomen, inclusief, voor zover hier van belang, de gewijzigde regels uit Veegplan 3. Alhoewel voor het onderhavige perceel niet is beoogd om wijzigingen door te voeren in Veegplan 3, moet het bouwplan om die reden volgens het college worden getoetst aan Veegplan 3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit standpunt juist en heeft het college het bouwplan terecht getoetst aan het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3”. Dat was ten tijde van belang het ter plaatse geldende omgevingsplan en niet de beheersverordening “Landelijk gebied” waarnaar verzoekster verwijst.


Is het bouwplan in strijd met het omgevingsplan?

8. Verzoekster betoogt dat het bouwplan in strijd is met artikel 101 van de planregels van het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3”. Zij stelt dat zij op grond van eerdere bestemmingsplannen een exclusief bouwrecht heeft voor glastuinbouw op het perceel. Volgens haar geldt dat exclusieve bouwrecht ook nog onder het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3”. Het perceel waar de kas op grond van de omgevingsvergunning mag worden gebouwd valt volgens verzoekster buiten het glastuinbouwgebied. Uit paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting bij het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] ” volgt dat buiten het glastuinbouwgebied een maximum van 3 hectare glas per glastuinbouwbedrijf mag worden gebouwd. Verzoekster heeft deze 3 hectare glas nog niet volledig benut op haar eigen gronden terwijl vergunninghoudster dit al wel heeft gedaan, zodat zij haar glasopstanden niet verder mag uitbreiden. Verder voert verzoekster aan dat het bouwplan wordt gesitueerd tot aan de perceelsgrens, terwijl op grond van artikel 101 van de planregels van het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3” er 2 meter afstand tot de perceelsgrens moet worden gehouden.



8.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zoals reeds hiervoor is overwogen, er in deze zaak sprake van een gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten tegen elkaar af te wegen. Omdat sprake is van een gebonden beschikking heeft het college zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat niet getoetst hoeft te worden aan de Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040, zoals verzoekster heeft gesteld.


8.2.
Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het omgevingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende planregels bepalend. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. Uit de verbeelding en de daarbij behorende planregels volgt dat het perceel is aangewezen voor het gebruik als glastuinbouwgebied. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter het college dan ook in het standpunt dat artikel 100 van de planregels van het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3”, waarin de bouwregels voor kassen in een glastuinbouwgebied zijn opgenomen, van toepassing is op het perceel en niet artikel 101 van de planregels. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit artikel 100 van de planregels van het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3” niet dat er een maximum van 3 hectare glas per glastuinbouwbedrijf geldt en dat verzoekster een exclusief bouwrecht op het perceel zou hebben. Evenmin volgt uit artikel 100 van de planregels van het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] – Veegplan 3” dat de kas op 2 meter afstand van de perceelsgrens moet worden gebouwd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan. Voor zover in de plantoelichting van het omgevingsplan “Buitengebied [plaats 1] ” moet worden afgeleid dat bedoeld is om ter plaatse een maximum van 3 hectare glasopstand per glastuinbouwbedrijf aan te houden, geldt op grond van vaste rechtspraak dat de toelichting niet juridisch bindend is en zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende planregels bepalend voor de uitleg van het bestemmingsplan. Zoals hiervoor is overwogen zijn de verbeelding en de daarbij behorende planregels in dit geval duidelijk.


Omgevingsvergunning van het waterschap Hollandse Delta

9. De voorzieningenrechter zal niet ingaan op het betoog van verzoekster dat niet wordt voldaan aan de voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning die aan vergunninghoudster is verleend door het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta. Deze procedure heeft alleen betrekking op de omgevingsvergunning die het college heeft verleend. Voor zover er niet wordt voldaan aan de voorschriften, verbonden aan de door het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta verleende omgevingsvergunning, is het college niet het bevoegde bestuursorgaan.



Aanvraagvereisten

10. Verzoekster voert aan dat er enkele stukken ontbreken bij de aanvraag, namelijk de definitieve geveltekeningen van de west- en oostzijde en de “Situatietekening nieuwe toestand”.



10.1.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om te betwijfelen of het college de aanvraag in behandeling heeft mogen nemen. Voor zover er nog stukken ontbreken, kunnen die in de bezwaarfase alsnog aan de vergunning worden toegevoegd.




Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.




De voorzieningenrechter is verhinderd


de uitspraak te ondertekenen.









griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


ABRvS 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4455.
Link naar deze uitspraak