Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:5118 
 
Datum uitspraak:21-08-2026
Datum gepubliceerd:28-08-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:ZWO 25/2217
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Omgevingswet. Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Beroep ongegrond. Eisers zijn terecht niet als belanghebbenden aangemerkt.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
rood voor rood regeling
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/2217
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4],

hierna: [eisers]
(gemachtigde: drs. [gemachtigde 1]),

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats]
hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. In deze uitspraak behandelt de rechtbank een besluit van het college waarin het [eisers] niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaren tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor het omzetten van een voormalig agrarisch bedrijf op de percelen [adres 1] naar een nieuwe functie. Volgens het college kunnen [eisers] niet als belanghebbenden worden aangemerkt omdat zij geen gevolgen van feitelijke betekenis zullen ondervinden en daarom geen persoonlijk belang bij de omgevingsvergunning hebben. [eisers] vinden dat zij wel belanghebbenden zijn omdat volgens hen in de bestreden omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen waarin is bepaald dat de sloopmeters voor het project kunnen worden ingezet voor het bouwen van een woning met schuur op het perceel [adres 2]. Zij zijn het daarom niet eens met het besluit van het college om hun bezwaren tegen de omgevingsvergunning niet inhoudelijk te behandelen.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bezwaren van [eisers] tegen de omgevingsvergunning terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij geen persoonlijk belang hebben bij de bestreden omgevingsvergunning. [eisers] krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 10 april 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend om af te mogen wijken van de regels van het omgevingsplan voor de percelen [adres 1] in [plaats]. [eisers] hebben tegen deze omgevingsvergunning bezwaar gemaakt.



2.1.
Met het bestreden besluit van 30 juli 2025 heeft het college de bezwaren van [eisers] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens het college geen belanghebbenden bij de omgevingsvergunning zijn.



2.2.

[eisers] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met onder meer de beroepen van [eisers] tegen omgevingsvergunningen die zijn verleend voor het bouwen van een nieuwe woning met bijgebouw aan de [adres 2] in [plaats] (zaaknummers ZWO 25/1399 en ZWO 25/2145). Aan deze zitting hebben deelgenomen: [eisers] en hun gemachtigde, en de gemachtigde van het college bijgestaan door [naam].




Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [eiser 1] en [eiser 2] wonen aan de [adres 3] in [plaats]. [eiser 3] en [eiser 4] wonen aan de [adres 4] in [plaats]. Zij wonen in de nabijheid van het perceel [adres 2] in [plaats]. Voor dit perceel heeft het college op 13 februari 2025 een omgevingsvergunning verleend om in afwijking van de regels van het omgevingsplan een nieuwe woning van 750 m3 met een bijgebouw van 150 m2 op te richten. Op 7 mei 2025 heeft het college voor hetzelfde project ook een omgevingsvergunning verleend op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


3.1.

[eisers] zijn het niet eens met deze ontwikkeling en zij hebben tegen deze omgevingsvergunning van 13 februari 2025 bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en tegen die beslissing hebben [eisers] beroep ingesteld (ZWO 25/1399). Tegen de op 7 mei 2025 verleende omgevingsvergunning hebben [eisers] ook beroep ingesteld (ZWO 25/2145). De rechtbank doet in die zaken vandaag apart uitspraak.



3.2.
Voor het project aan de [adres 2] is gebruik gemaakt van de sloopvoucherregeling op grond van de rood-voor-rood regeling van de Regionale spelregels voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Zuidwest-Twente (hierna: Regionale spelregels). Dit betekent dat de sloopmeters van de [adres 1] worden gebruikt voor de ontwikkeling aan de [adres 2]. De sloopprestatie aan de [adres 1] was op het moment van de vergunningverlening al geleverd.



3.3.
Met de omgevingsvergunning van 10 april 2025 wordt toegestaan dat:
- aan het bedrijfsperceel [adres 1] de functie ‘bedrijf’ wordt toegekend in de vorm van een aannemersbedrijf van 600 m2 met een bedrijfswoning, waar maximaal 150 m2 per wooneenheid wordt toegestaan aan bijgebouwen;
- de agrarische bedrijfswoning [adres 1] naar een reguliere woning wordt omgezet, waar maximaal 150 m2 per wooneenheid wordt toegestaan aan bijgebouwen.






Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank moet beoordelen of het college de bezwaren van [eisers] terecht kennelijk niet-ontvankelijk hebben verklaard.


Het standpunt van [eisers]



4.1.
stellen zich op het standpunt dat zij als belanghebbenden bij de omgevingsvergunning zijn aan te merken. Zij vinden dat zij door de omgevingsvergunning direct in hun belangen worden geraakt omdat deze omgevingsvergunning de ontwikkeling van een nieuwe woning en bijgebouw aan de [adres 2] mogelijk maakt waartegen zij bezwaar hebben. Volgens [eisers] bestaat er een oorzakelijk verband tussen de bestreden omgevingsvergunning en het project aan de [adres 2] waarvan zij feitelijke gevolgen ondervinden in hun woon- en leefomgeving.


Het standpunt van het college




4.2.
Het college stelt dat [eisers] geen feitelijke gevolgen ondervinden van de omgevingsvergunning die betrekking heeft op de (sloop)locatie [adres 1] omdat zij op een te grote afstand wonen. Het feit dat sprake is van een relatie tussen de omgevingsvergunningen van de percelen [adres 1] en [adres 2] maakt volgens het college niet dat [eisers] directe gevolgen ondervinden van de bestreden omgevingsvergunning waarin alleen de functiewijziging voor de [adres 1] wordt geregeld. Hiertoe voert de gemeente aan dat sprake is van twee verschillende projecten waarvoor afzonderlijk omgevingsvergunningen zijn verleend. Volgens het college moet de belanghebbendheid per besluit worden beoordeeld en maakt het eventueel ondervinden van feitelijk gevolgen bij de omgevingsvergunning voor [adres 2] niet dat daarmee ook een belanghebbendheid bestaat bij de omgevingsvergunning voor [adres 1]. Daarnaast stelt het college dat de ontwikkeling aan de [adres 2] met toepassing van de Regionale spelregels ook had kunnen plaatsvinden met sloopmeters van een ander perceel niet zijnde de [adres 1]. De bestreden omgevingsvergunning raakt [eisers] daarom niet in hun belangen.


Het oordeel van de rechtbank




4.3.
Op grond van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.



4.4.
Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. In het omgevingsrecht is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van de besluit. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, dient het criterium "gevolgen van enige betekenis" als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zo gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische

uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.



4.5.
De rechtbank stelt vast, en dit is ook niet door [eisers] weersproken, dat de afstand tussen de woningen van [eisers] en de locatie [adres 1] hemelsbreed ongeveer zes kilometer is. De rechtbank overweegt dat [eisers] vanwege deze afstand geen rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de sloopwerkzaamheden (die al hebben plaatsgevonden) en de functiewijziging op dit perceel.



4.6.
Aan de bestreden omgevingsvergunning zijn de onderstaande voorschriften verbonden:

‘1. De agrarische bedrijfsactiviteiten aan de [adres 1] dienen te zijn beëindigd, voordat gestart wordt met de bouw van de burgerwoning op het perceel [adres 2] te [plaats]. Voornoemde burgerwoning mag daarna alleen in stand gehouden worden zolang de agrarische bedrijfsactiviteiten gestaakt blijven;


2. De gesloopte bebouwing op de percelen [adres 1] dienen te worden gesloopt en gesloopt te houden. Wij merken op dat de sloopprestatie reeds is geleverd’.




4.7.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] ook niet als belanghebbende bij de omgevingsvergunning kunnen worden aangemerkt vanwege de voornoemde voorschriften die aan de bestreden omgevingsvergunning zijn verbonden. Het college heeft op de zitting erkend dat het vergunningvoorschriften ongelukkig zijn geformuleerd, omdat in het eerste vergunningvoorschrift is geregeld dat de bouwwerkzaamheden voor de burgerwoning aan de [adres 2] mogen starten als de agrarische bedrijfsactiviteiten aan de [adres 1] stoppen en gestaakt blijven. Het college heeft met de ‘burgerwoning [adres 2]’ echter ‘de burgerwoning aan de [adres 1] 245’ bedoeld. Volgens het college is in de bestreden omgevingsvergunning geen gebruiksvoorwaarde opgenomen voor de woning met aan [adres 2], met betrekking tot het stoppen en gestopt houden van de agrarische bedrijfsactiviteiten aan de [adres 1].



4.8.
De rechtbank overweegt dat het enige verband tussen de bestreden omgevingsvergunning en het project aan de [adres 2] is dat de vrijgekomen sloopmeters van de [adres 1] worden gebruikt voor de ontwikkeling aan de [adres 2]. Zoals het college heeft toegelicht, kan het project aan de [adres 2] ook tot stand komen met sloopmeters van een andere ontwikkeling, zelfs van een ontwikkeling uit een andere (deelnemende) gemeente.



4.9.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] geen rechtstreekse feitelijke gevolgen ondervinden van de bestreden omgevingsvergunning vanwege de afstand tussen hun woningen en het perceel aan de [adres 1]. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat deze feitelijke gevolgen ook niet kunnen voortvloeien uit de voornoemde voorschriften die aan de bestreden omgevingsvergunning zijn verbonden. De beroepsgrond slaagt niet.



4.10.
De rechtbank komt tot de conclusie dat [eisers] vanwege het voorgaande niet zijn aan te merken als belanghebbenden. Dat betekent dat het college het bezwaar van [eisers] tegen de verleende omgevingsvergunning terecht niet-ontvankelijk heeft


verklaard. Omdat de bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk waren, kon het college afzien om [eisers] te horen in bezwaar. Het beroep is daarom ongegrond.




Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eisers] geen gelijk krijgen. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.






Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op



















griffier


rechter











Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, onder 3.2.
Link naar deze uitspraak