|
|
|
| ECLI:NL:OGEAA:2026:219 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-08-2026 | | Instantie | : | Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba | | Zaaknummers | : | AUA202502914 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Belanghebbende is een commerciële visser die een vaartuig uit de Verenigde Staten heeft ingevoerd en daarvoor vrijstelling van invoerrechten vroeg. Het Gerecht oordeelt dat het vaartuig op basis van zijn objectieve kenmerken geen beroepsmatig vissersvaartuig is, maar een plezier- of sportvaartuig. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin en het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | tarieven | | | veeteelt | | | vrijstelling | | | | Uitspraak | Uitspraak van 25 augustus 2026
BBZ nr. AUA202502914
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], wonende te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNEN, zetelend in Aruba,
de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP
1.1
Op 10 juli 2024 heeft belanghebbende een verzoek ingediend tot toepassing van de vrijstelling van invoerrechten als bedoeld in artikel 128, eerste lid, onderdeel 6°, letter a, onder I, van de Landsverordening in-, uit-, en doorvoer (hierna: LIUD) voor een vaartuig Harris Cuttyhunk 28 voet, bouwjaar 1986 (hierna: het vaartuig).
1.2
Bij beschikking van 11 juli 2024 heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen.
1.3
Belanghebbende heeft op 17 juli 2024 bezwaar gemaakt.
1.4
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 juli 2025, welke door belanghebbende is ontvangen op 30 juli 2025, het bezwaar ongegrond verklaard.
1.5
Belanghebbende heeft op 18 augustus 2025 pro forma beroep ingesteld.
1.6
Op 22 oktober 2025 heeft belanghebbende de gronden van het beroep ingediend. Belanghebbende heeft daarbij een bedrag betaald van Afl 25 aan griffierecht.
1.7
De Inspecteur heeft op 7 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.8
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026 te Oranjestad. Belanghebbende is in persoon verschenen vergezeld van zijn gemachtigde mr. J. Lopez Ramirez. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [A] en mr. [B].
1.9
Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
1.10
Tijdens de zitting heeft het Gerecht de zaak aangehouden teneinde de Inspecteur in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten naar een door belanghebbende genoemd vergelijkbaar geval.
1.11
Bij e-mail van 20 mei 2026 heeft de Inspecteur het resultaat van dat onderzoek aan het Gerecht en belanghebbende medegedeeld.
1.12
Op 22 mei 2026 heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en een uitspraak aangezegd.
2FEITEN
2.1
Belanghebbende exploiteert sinds 31 augustus 2022 een eenmanszaak onder de naam [X].
2.2
Op 10 juli 2024 heeft belanghebbende verzocht om toepassing van de vrijstelling van artikel 128, eerste lid, onderdeel 6°, letter a, onder I, van de LIUD voor de invoer van het vaartuig ([registratienummer 1]) afkomstig uit de Verenigde Staten.
2.3
Bij brief van 11 juli 2024 heeft de Directie Landbouw, Veeteelt en Visserij verklaard dat belanghebbende bij haar staat geregistreerd als commercieel visser. Voorts is in die brief vermeld dat voor de uitoefening van zijn werkzaamheden een vissersboot noodzakelijk is en dat belanghebbende voornemens is een vissersboot voor eigen gebruik in te voeren en niet voor doorverkoop.
2.4
Bij beschikking van 11 juli 2024 heeft de Inspecteur het verzoek om vrijstelling afgewezen.
2.5
Het vaartuig is op 16 juli 2024 ingevoerd. De douanewaarde bedroeg Afl. 77.513. Ter zake van de invoer is een bedrag van Afl. 14.727,55 aan invoerrechten, BBO (BAVP) en BAZV voldaan.
2.6
Op 4 september 2024 is het vaartuig ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 5 van de Vaartuigenverordening. Het vaartuig staat geregistreerd onder de naam "[naam 1]".
2.7
Op 20 mei 2025 heeft de Minister van Transport een vergunning afgegeven voor het vaartuig.
3GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1
In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de vrijstelling van invoerrechten als bedoeld in artikel 128, eerste lid, onderdeel 6°, letter a, onder I, van de LIUD ter zake van de invoer van het vaartuig.
3.2
Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of het ingevoerde vaartuig kan worden aangemerkt als een vissersvaartuig als bedoeld in post 89.02 van het Tarief van invoerrechten en tevens is in geschil of belanghebbende met succes een beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel.
3.3
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vrijstelling ten onrechte is geweigerd. Volgens hem kwalificeert het ingevoerde vaartuig als een vissersvaartuig als bedoeld in post 89.02 van het Tarief van invoerrechten en is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van artikel 128, eerste lid, onderdeel 6°, letter a, onder I, van de LIUD. Voorts beroept belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel.
3.4
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het ingevoerde vaartuig niet kwalificeert als een vissersvaartuig als bedoeld in post 89.02 van het Tarief van invoerrechten, maar als een plezier- of sportvaartuig als bedoeld in post 89.03. Reeds daarom bestaat volgens de Inspecteur geen recht op de verzochte vrijstelling. Voor zover belanghebbende zich beroept op het gelijkheidsbeginsel, bestrijdt de Inspecteur dat sprake is van gelijke gevallen.
4OVERWEGINGEN
Wettelijke indeling van goederen
4.1
Ingevolge de Eenvormige Landsverordening Geharmoniseerd Systeem (AB 2002 no.7) is het tariefposten-classificatiesysteem met betrekking tot de invoerrechten in Aruba vastgesteld overeenkomstig het wereldwijd geharmoniseerde systeem (hierna: GS). Het tariefposten-classificatiesysteem aangevuld met de toe te passen tarieven is opgenomen in de Landsverordening tarief van invoerrechten (AB 2002 no.120) (hierna LVTI).
4.2
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de LVTI, worden bij landsbesluit nadere regels gegeven over de wijze waarop goederen in het tarief van invoerrechten moeten worden ingedeeld. Daaraan is uitvoering gegeven in artikel 1 en de bijlage van het Landsbesluit indelingsregels tarief van invoerrechten (AB 2008 no. 38). De bijlage (hierna: Tarief van invoerrechten) is in hoofdstukken verdeeld en bevat de indelingen van goederen in hoofdstukken en nummers.
4.3
Hoofdstuk 89 van het Tarief van invoerrechten betreft: Scheepvaart.
Post
Code
Omschrijving
Tarief
89.02
8902.0000
Vissersvaartuigen; fabrieksschepen en andere schepen voor het behandelen of het conserveren van visserijproducten…………………………………..
12%
89.03
Jachten en andere plezier- en sportvaartuigen; roeiboten en kano’s
12%
4.4
Voor de beoordeling van het onderhavige geschil is indelingsregel 1 van de bijlage bij voornoemd landsbesluit van belang. Deze bepaalt als volgt:
“1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken gelden slechts als aanwijzing. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en - voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen - de regels vastgelegd in de indelingsregels 2 tot en met 5.”
4.5
Bij de uitleg van de posten van het Tarief van invoerrechten komt tevens betekenis toe aan de toelichtingen op het Geharmoniseerd Systeem (GS), voor zover deze verenigbaar zijn met de tekst van de posten en aantekeningen.
Wettelijke bepalingen inzake vrijstellingen
4.6
Ingevolge artikel 128, eerste lid, onderdeel 6°, letter a, onder I, van de LIUD zijn van de heffing van invoerrechten vrijgesteld vissersvaartuigen als bedoeld in post 89.02, mits bij de aangifte ten invoer kan worden aangetoond dat zij bestemd zijn om uitsluitend gebruikt te worden ten behoeve van de bedrijfsmatige uitoefening van de visserij.
4.7
Op grond van artikel 128, zevende lid, van de LIUD worden omtrent de wijze van toepassing van de in artikel 128 opgenomen vrijstellingen bij landsbesluit, de nodige voorschriften vastgesteld. Ter uitvoering daarvan zijn bij het Vrijstellingenbesluit nadere regels gesteld.
4.8
Op grond van artikel 4 van het Vrijstellingenbesluit dient belanghebbende aan te tonen dat hij een bedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 128, eerste lid, ten zesde, onderdeel a, van de LIUD en dat de ingevoerde goederen uitsluitend bestemd zijn voor de uitoefening van dat bedrijf.
Vrijstelling van toepassing?
4.9
Het Gerecht stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende een commerciële visser is die bedrijfsmatig actief is in de visserij en dat de Inspecteur niet heeft betwist dat belanghebbende het vaartuig uitsluitend gebruikt voor de bedrijfsmatige uitoefening van de visserij.
4.10
Tussen partijen is allereerst in geschil of het ingevoerde vaartuig dient te worden aangemerkt als een vissersvaartuig als bedoeld in post 89.02 dan wel als een plezier- of sportvaartuig als bedoeld in post 89.03 van het Tarief van invoerrechten.
4.11
Belanghebbende stelt dat het vaartuig een Harris Cuttyhunk 28 betreft, welk type volgens hem behoort tot de categorie vissersvaartuigen. Daarbij verwijst hij naar de GS-toelichtingen, de vormgeving van het vaartuig, de registratie als commercieel visser en de omstandigheid dat het vaartuig uitsluitend voor de visserij zou worden gebruikt. Voorts voert hij aan dat het vaartuigbehoort tot de zogenoemde “Downeast”-motorvaartuig, voortgekomen uit de visserijtraditie van New England, dat bekend staat als “lobster boat” dan wel “pilothouse cruiser” en van oorsprong is ontworpen voor de kustvisserij.
4.12
De Inspecteur stelt daartegenover dat uit het “Certificate of Documentation”, de constructie, afwerking en gebruiksmogelijkheden van het vaartuig volgt dat sprake is van een pleziervaartuig als bedoeld in post 89.03. Volgens de Inspecteur beschikt het vaartuig niet over de objectieve kenmerken die typerend zijn voor een beroepsmatig vissersvaartuig.
4.13
Het Gerecht stelt voorop dat de indeling van goederen in het douanetarief in beginsel dient plaats te vinden aan de hand van hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze blijken uit de tekst van de posten en de daarbij behorende aantekeningen.
4.14
Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende met de overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het ingevoerde vaartuig naar zijn objectieve kenmerken en eigenschappen moet worden aangemerkt als een vissersvaartuig als bedoeld in post 89.02. De door belanghebbende overgelegde registraties, vergunningen en verklaringen zien voornamelijk op zijn activiteiten als visser en niet op de tariefrechtelijke kwalificatie van het ingevoerde vaartuig. Ook de door belanghebbende gegeven beschrijving van het type vaartuig als een zogenoemde “Downeast lobsterboat” biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.
4.15
Daartegenover heeft de Inspecteur gemotiveerd gesteld dat uit de constructie, afwerking en objectieve gebruiksmogelijkheden van het vaartuig volgt dat het primair is ontworpen en ingericht als een plezier- of sportvaartuig als bedoeld in post 89.03. Het Gerecht acht die motivering overtuigend. Daarbij neemt het Gerecht mede in aanmerking dat uit de stukken niet blijkt dat het vaartuig beschikt over voorzieningen die kenmerkend zijn voor een beroepsmatig vissersvaartuig, zoals een functioneel ingericht werkdek, vaste installaties voor het binnenhalen van netten of lijnen, opslag- of koelruimen voor vangst, hydraulische of mechanische visserijapparatuur, dan wel een anderszins op duurzame beroepsmatige visserij gerichte inrichting. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur onvoldoende met objectieve gegevens weerlegd.
4.16
Dat een vaartuig mede voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt, is onvoldoende om indeling onder post 89.02 te rechtvaardigen. Beslissend zijn de objectieve kenmerken en eigenschappen van het vaartuig ten tijde van invoer en niet de enkele mogelijkheid dat het voor visserijactiviteiten kan worden ingezet.
4.17
Belanghebbende heeft onder verwijzing naar de GS-toelichting aangevoerd dat de mogelijkheid om een vissersvaartuig tevens voor excursies of andere doeleinden te gebruiken, niet eraan in de weg staat dat het onder post 89.02 wordt ingedeeld. Het Gerecht volgt belanghebbende in zoverre dat uit de GS-toelichting volgt dat de enkele mogelijkheid van recreatief of excursiegebruik niet uitsluit dat een vaartuig onder post 89.02 kan worden ingedeeld. Die toelichting veronderstelt echter dat het desbetreffende vaartuig naar zijn objectieve kenmerken en eigenschappen als vissersvaartuig kwalificeert. Zoals hiervoor is overwogen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het onderhavige vaartuig aan die voorwaarde voldoet.
4.18
Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vaartuig kwalificeert als een vissersvaartuig als bedoeld in post 89.02. Daarmee komt het Gerecht niet meer toe aan de vraag of het vaartuig uitsluitend bestemd is voor de bedrijfsmatige uitoefening van de visserij.
4.19
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de vrijstelling een stimulerend karakter heeft voor de visserijsector en dat daarom in zijn situatie de vrijstelling wel zou moeten worden toegepast.
4.20
Hoewel het Gerecht onderkent dat de regeling mede strekt ter ondersteuning van de visserijsector, brengt dat niet mee dat de wettelijke voorwaarden buiten toepassing kunnen blijven. Het stimulerende karakter van de regeling rechtvaardigt geen ruime uitleg van het vereiste dat het vaartuig uitsluitend bestemd moet zijn voor de bedrijfsmatige uitoefening van de visserij.
4.21
Belanghebbende heeft zich beroepen op een geval betreffende zijn broer, aan wie volgens hem voor een vergelijkbaar vaartuig vrijstelling zou zijn verleend.
4.22
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de zitting nader onderzoek verricht en zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval.
4.23
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging, dan wel van een meerderheid van vergelijkbare gevallen waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.
4.24
Reeds omdat slechts één geval is aangevoerd en niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of een meerderheid van vergelijkbare gevallen waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Slotsom
4.25
Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur het verzoek om toepassing van de vrijstelling terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
6BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A. Brinkenberg, rechter, en is uitgesproken op 25 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël - van der Biezen BSc.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op …………………………. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
-natuurlijke personen: Afl. 75
-personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|