Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:6149 
 
Datum uitspraak:28-08-2026
Datum gepubliceerd:28-08-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:26/2299 en 26/1555
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:De gemeente Valkenswaard wil een fietspad aan de rand van de Dommelvallei aanleggen en eiseres (een milieuvereniging komt daar tegen op. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres terecht klaagt over sommige aspecten, meer in het bijzonder het ontbreken van een ecologisch werkprotocol, het borgen van het gebruik van elektrisch materiaal en de onderbouwing van de gevolgen voor de cultuurhistorische waarde van een zandpad. Dit herstelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak door extra voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning zoals deze is verleend en aangevuld in de beslissing op het bezwaar van eiseres en de omgevingsvergunning voor het zandpad te weigeren. Dat betekent dat de gemeente maandag 31 augustus 2026 kan beginnen met de werkzaamheden met uitzondering van het pad. Hierbij zal ze wel de voorschriften uit de beslissing op bezwaar en de aangevulde voorschriften van de voorzieningenrechter moeten naleven.
Trefwoorden:aanlegvergunning
agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
wabo
waterschap
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 26/2299 OW ALG OPA, 26/1555


uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2026 op het beroep en de verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen



[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: drs. [naam] ),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard (het college)
(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

Als derde-partij neemt de gemeente Valkenswaard aan de zaken deel.


Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college een omgevingsvergunning had kunnen verlenen aan de gemeente Valkenswaard voor de realisatie van een fietspad tussen De Voort en Loonderweg in Valkenswaard.


1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres terecht klaagt over sommige aspecten, meer in het bijzonder het ontbreken van een ecologisch werkprotocol, het borgen van het gebruik van elektrisch materiaal en de onderbouwing van de gevolgen voor de cultuurhistorische waarde van een zandpad nabij de Vlasserwei ten oosten van het onderhoudspad richting Dommelvallei. Dit herstelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak door extra voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning zoals deze is verleend en aangevuld in de beslissing op het bezwaar van eiseres en de omgevingsvergunning voor het zandpad nabij de Vlasserwei ten oosten van het onderhoudspad richting Dommelvallei) te weigeren. Dat betekent dat de gemeente maandag 31 augustus 2026 kan beginnen met de werkzaamheden met uitzondering van het pad nabij de Vlasserwei vanaf het onderhoudspad richting Dommelvallei. Hierbij zal ze wel de voorschriften uit de beslissing op bezwaar en de aangevulde voorschriften van de voorzieningenrechter moeten naleven.




Inleiding en procesverloop
2. Bij besluit van 29 augustus 2025 heeft het college aan de gemeente Valkenswaard een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend voor het realiseren van een fietspad tussen De Voort en de Loonderweg op de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie G, nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] .


2.1.
Eiseres heeft op 15 september 2025 bezwaar gemaakt tegen de verlening van de vergunning. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft het college de verleende omgevingsvergunning met een aanvullende motivering gehandhaafd.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 12 mei 2026 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.



2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening en de beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met andere, door eiseres ingediende verzoeken om voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college, vergezeld van [nummer] , (werkzaam bij Bureau voor Natuur) en de gemachtigden van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS). Na de behandeling ter zitting heeft de gemeente Valkenswaard een ecologisch protocol ingediend en heeft eiseres hierop gereageerd. Daarna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.



2.4.
Omdat de voorzieningenrechter na het sluiten van het onderzoek tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.




Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden


Op 20 februari 2025 heeft de gemeente Valkenswaard een aanvraag in gediend voor een omgevingsvergunning. Bij de aanvraag zat een ecologische voortoets en een stikstofdepositieberekening. Kort daarna heeft de gemeente Valkenswaard ook een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een fietspad tussen Narcislaan en Het Broek op de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nummers [nummer] en [nummer] . Aan de aanvraag zijn een quickscan van Bureau voor Natuur uit 2026 toegevoegd en een stikstofdepositieberekening uit 2025. In de bezwaarfase is het rapport ‘Aanvullingen quickscan flora en fauna fietspad De Voort — Loonderweg’ toegevoegd. Aan de aanvraag is een participatietraject vooraf gegaan. Dit heeft ertoe geleid dat niet alleen vergunning is gevraagd voor het fietspad zelf maar ook voor het verharden van een aantal aansluitroutes (‘olifantenpaadjes’) naar het fietspad toe en een pad richting de Dommel.


Op 11 september 2025 heeft eiseres bij GS een verzoek om preventief handhavend optreden tegen de aanleg van het fietspad omdat zij van mening is dat voor de aanleg ook een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. Op eveneens 11 september 2025 heeft eiseres een verzoek om preventief handhavend optreden tegen de aanleg van het fietspad ingediend omdat er in het kader van de flora- en fauna-activiteit sprake kan zijn van strijd met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vanwege het risico op ernstig nadelige gevolgen voor beschermende plant- en diersoorten. De verzoeken om handhaving zijn door GS bij besluiten van 20 mei 2026 respectievelijk 10 juni 2026 afgewezen. Tegen deze afwijzingen heeft eiseres op 24 mei 2026 respectievelijk 24 juni 2026 bezwaar gemaakt. Op 7 augustus 2026 heeft eiseres een tweetal verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend.


Het fietspad komt te liggen aan de westkant van de Dommelvallei direct tegen de kern Dommelen. Ter plekke ligt gedeeltelijk een verhard fietspad. Op de gronden van het projectgebied is het Omgevingsplan Valkenswaard van toepassing. In het tijdelijk deel van het Omgevingsplan zijn drie bestemmingsplannen van toepassing op het projectgebied, de bestemmingsplannen ”Dommelen” (bestemming ‘groen’ en ‘’groen-landschapselement’), “Dommelkwartier” (bestemming ‘natuur’ en ‘agrarisch met waarden’ en “Buitengebied” (met de bestemming ‘Groen-Landschapselement’ en ‘agrarisch met waarden ’). Een aantal van deze bestemmingsplannen bevatten aanlegvergunningenstelsels. De aanleg van een fietspad was daarin gedeeltelijk aanlegvergunningplichtig. De aanlegvergunning is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplanactiveit.




Beroepsgronden

4. Volgens eiseres is het project in strijd met het bestemmingsplan “Dommelen ” en de daarin opgenomen bestemming ‘groen-landschapselement’. Omdat binnen de bestemming uitsluitend bestaande voet- fiets en zandpaden worden genoemd volgt volgens eiseres daaruit niet dat een bestaand onverhard pad of halfverhard recreatief pad wordt gewijzigd in een volledig verhard fietspad. De omgevingsvergunning voorziet ook in het maken van doorsteken, het bestraten van olifantenpaadjes en het aanleggen van een trottoir op gronden die niet tot het bestaande pad behoren. Ook wordt het bestaande pad verbreed. De vergunden werkzaamheden zijn volgens eiseres daarom in strijd met het bestemmingsplan “Dommelen”.


4.1.
In het bestreden besluit heeft de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie aangegeven dat ter hoogte van de beoogde aansluitingen op het fietspad ter hoogte van de Steenbakkerwei reeds zogenoemde 'olifantenpaadjes' oftewel zandpaden aanwezig zijn. Dat deze worden verhard, zou niet leiden tot strijd met artikel 10.1 van de planregels. Het college heeft aangegeven dat tussen De Voort en de Steenbakkerwei een (onverhard) voet- en fietspad ligt. Het college vindt het realiseren van een voetpad tussen De Voort en Steenbakkerwei niet in strijd met de planregels.



4.2.
De voorzieningenrechter merkt op dat het begrip ‘bestaand’ ook is gedefinieerd in artikel 1 van de planregels van het bestemmingsplan “Dommelen”. Het moet bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan (in 2019). In het dossier zijn meerdere foto’s uit het verleden van onverharde sluiproutes (‘olifantenpaadjes’) en van het bestaande fietspad. De voorzieningenrechter kan niet beoordelen of alle onverharde olifantenpaadjes bestonden in 2019 en op dezelfde plek liggen als in 2019. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat zij geen punt maakt van de verharding van olifantenpaadjes ten westen van het fietspad (tussen Dommelen en het fietspad). Daarom gaat de voorzieningenrechter van uit dat het beroep van eiseres niet is gericht tegen de omgevingsvergunning voor het verharden van deze paadjes.



4.3.
Het huidige fietspad is niet geheel verhard maar ook deels onverhard. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het onverharde deel geschikt is om te fietsen. De voorzieningenrechter vindt bevestiging voor deze aanname in de mededeling van de gemachtigde van eiseres die ter zitting heeft aangegeven dat het huidige fietspad wordt gebruikt door voetgangers en fietsers. De omgevingsvergunning voorziet in een volledige verharding van het huidige, deels onverharde fietspad. Dit acht de voorzieningenrechter niet in strijd met de planregels. Een onverhard fietspad is nog steeds een fietspad. Dat het pad wordt verhard, maakt niet uit. Ook dat het pad anders (alleen door fietsers) wordt gebruikt maakt niet uit. Ook een bestaand pad dat deels door fietsers wordt gebruikt, is nog steeds een fietspad.



4.4.
De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat naast het huidige fietspad een bestaand onderhoudspad ligt dat er ook lag ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Dommelen”. De aanleg van een wandelpad ter plaatse van het huidige onderhoudspad ziet de voorzieningenrechter niet als een uitbreiding/vernieuwing van het bestaande onderhoudspad en is ook niet in strijd met de planregels (voor zover dit pad is gelegen binnen de bestemming ‘roen-andschapselelement’. De voorzieningenrechter acht tot slot aannemelijk dat er een pad was ter hoogte van de Steenbakkerwei. De voorzieningenrechter neemt daarnaast in aanmerking dat de bestemming ‘roen-andschapselement’ in het bestemmingsplan ”Dommelen” rust niet op de gronden ten oosten van het onderhoudspad naast het fietspad tussen De Voort en de Loonderweg (want daarop rusten de bestemmingsplannen “Dommelkwartier” en “Buitengebied” waarin de gronden mede bestemd zijn voor paden en in ieder geval niet voor alleen bestaande paden. Het gaat dus niet om het gehele pad ter hoogte van de Steenbakkerwei maar alleen het pad voor zover dit is gelegen in de bestemming ‘roen-andschapselement’ in het bestemmingsplan “Dommelen”.


4.5.
De voorzieningenrechter concludeert dat het project (voor zover het beroep hiertegen is gericht) niet in strijd is met artikel 10.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Dommelen”.

5. Eiseres voert aan dat op grond van het bestemmingsplan “Dommelkwartier” in artikel 3.4.3 en 6.4.3 voorwaarden worden gesteld aan het aanleggen en/of verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, of het afgraven, ophogen of egaliseren, dan wel ontginnen van gronden. Verlening van een omgevingsvergunning voor deze werkzaamheden in slechts mogelijk indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en/of landschappelijke, cultuurhistorische en waterhuishoudkundige waarden van de gronden. Het college had de huidige staat van het gebied beter in kaart moeten brengen. Hiertoe had het college inzichtelijk moeten maken welke waarden er zijn en of onevenredig afbreuk wordt gedaan aan deze waarden.
Eiseres is van mening dat het op de weg van het college had gelegen om ook te toetsen of de vergunning kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In dit kader merkt eiseres op dat niet wordt voldaan aan de provinciale instructieregels in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hoewel eiseres niet langer betwist dat het fietspad zelf buiten het Natuurnetwerk Brabant ligt, worden er veel meer werkzaamheden uitgevoerd rondom het fietspad en is onduidelijk of de gronden waarop de werkzaamheden zijn voorzien behoren tot het Natuurnetwerk Brabant. Bovendien heeft het college volgens eiseres onvoldoende onderzocht of door de aanleg van de elementen naast het fietspad afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van het Natuur Netwerk Brabant.



5.1.
De commissie bezwaarschriften heeft aangegeven dat het project past binnen de functieomschrijving van de bestemmingen ‘natuur’ en ‘agrarisch met waarden’. De commissie stelt ook vast dat om een aanlegvergunning (nu: een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit) te verlenen moet worden bezien of geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en/of landschappelijke, cultuurhistorische en waterhuishoudkundige waarden van de gronden.
Door het college is advies ingewonnen met betrekking tot de aanwezige archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. Daarnaast is de commissie uit het dossier gebleken dat een milieukundig onderzoek en een ecologische voortoets zijn uitgevoerd. Voor de voorgenomen wateractiviteiten zijn door het waterschap de benodigde vergunningen verleend. Voorts is binnen de omgevingstafel intern advies ingewonnen bij de gemeentelijke adviseurs Groen en Landschap. Deze adviezen zijn vervolgens rechtstreeks betrokken bij de verdere planvorming en in het project verwerkt, waarna de plannen intern akkoord zijn bevonden. Het college heeft benadrukt dat de uitvoering van het project leidt tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij is onder meer van belang geacht dat het fietspad landschappelijk aansluit op de omgeving en dat bij de uitwerking rekening is gehouden met groene elementen. Zo zullen nieuwe bomen worden aangeplant, wordt het bosachtige gebied rond het fietspad verder ontwikkeld door ongewenste planten (exoten) te verwijderen en wordt het zicht op het Dommeldal versterkt door het vrijmaken en vrijhouden van onderbegroeiing.
Gelet op het voorgaande acht de commissie voldoende aangetoond dat het project geen onevenredige afbreuk doet aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de betrokken waarden waaronder de waterhuishoudkundige waarden. Het college neemt dit over in het bestreden besluit.
Het college is (in afwijking van de commissie), gelet op de uitspraak van de rechtbank Gelderland op 5 februari 2026, van mening dat bij een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor de activiteit aanleggen niet aan ETFAL mag worden getoetst. Volgens het college is artikel 22.281 van het Omgevingsplan niet van toepassing, gelet op de toelichting hierop. Het zou alleen van toepassing zijn op bevoegdheden tot het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)



5.2.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat het fietspad zelf niet ligt in het natuurnetwerk Brabant.



5.3.
Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangenomen dat het project niet in strijd is met de bestemmingen ‘natuur’ en ‘agrarisch met waarden’ (artikel 3.1 en 6.1 van de planregels).



5.4.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een aanlegvergunningenstelsel voor het aanleggen van werken. Hoe moet hiermee worden omgegaan onder de Omgevingswet?



5.5.
Voor oude aanlegvergunningen voorziet artikel 22.278 in een specifieke regeling in het Omgevingsplan met een aparte weigeringsgrond (strijd met voorbereidingsbesluit). Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft een voorbereidingsbesluit van kracht is. Met andere woorden, artikel 22.278 voorziet in een aanvullende weigeringsgrond. Hierin is niet bepaald dat de omgevingsvergunning moet worden verleend.



5.6.
In artikel 8.0a, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit,als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.



5.7.
In artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Vervolgens is in artikel 22.281 van het Omgevingsplan bepaald dat voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.



5.8.
Aanlegvergunningenstelsels waren in bestemmingsplannen op tal van verschillende wijzen geformuleerd. Soms zijn deze stelsels dwingend (bijvoorbeeld dat de aanlegvergunning wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de criteria). Soms omvatten deze regels een bevoegdheid om een aanlegvergunning te verlenen, zoals in de aanlegvergunningenstelsels in paragraaf 5.6 van het bestemmingsplan “Buitengebied”, of 3.4 en 6.4 van het bestemmingsplan “Dommelkwartier”.



5.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een redelijke uitleg van het Omgevingsplan met zich meebrengt dat, daar waar het voorliggende bestemmingsplan voorzag in een bevoegdheid om een aanlegvergunning te verlenen onder de Wabo, deze bevoegdheid nog steeds bestaat, gelet op artikel 22.281 van het Omgevingsplan. Het bestaan van artikel 22.278 van het Omgevingsplan doet hier niets aan af want dat artikel voorziet alleen maar in een extra weigeringsgrond. Uit artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl vloeit dus niet de verplichting voort om deze omgevingsvergunning te verlenen. Bij gebruik van een bevoegdheid heeft het college beoordelingsruimte en kan het college andere aspecten betrekken. Artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo en artikel 2.11, eerste lid van de Wabo verplichtten het college echter niet om te toetsen of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Strijd met een goede ruimtelijke ordening was dus geen weigeringsgrond. Alleen als de omgevingsvergunning in strijd was met de beoordelingscriteria in het aanlegvergunningenstelsel, verplichtte artikel 2.11, tweede lid van de Wabo het college tot een toetsing aan goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college niet gehouden is om de gevraagde omgevingsplanactiviteit nu (onder de Omgevingswet) te toetsen aan ETFAL zolang wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan genoemde beoordelingscriteria. Het college hoeft niet te toetsen aan artikel 8.0b van het Bkl en dus ook niet te toetsen aan de provinciale instructieregels ingevolge hoofdstuk 5 van het Bkl. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het afwijkende advies van de commissie niet is gevolgd.



5.10.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de verlening van de omgevingsplanactiviteit geen onevenredige afbreuk doet aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in artikel 3.4.3 en 6.4.3 genoemde waarden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aanwezigheid van waarden is gegeven met de aanduiding van de waarden in het omgevingsplan. Niet valt in te zien dat het college hiernaast bij ieder project een inventarisatie zou moeten doen van de aanwezige waarden dan wel deze waarden uitputtend zou moeten gaan beschrijven. Dit is eerder de taak van de planwetgever. Dat neemt niet weg dat eiseres terecht aandacht vraagt voor de waarden. Eiseres heeft desgevraagd niet kunnen concretiseren waarom het project leidt tot een onevenredige afbreuk aan de betrokken waarden, maar heeft zich beperkt tot de meer algemene grief dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is gemotiveerd en is voorbereid. Zij heeft niet geconcretiseerd welke betrokken waarden in het geding zijn en of er een risico voor afbreuk van deze waarden door het betrokken project bestaat, behoudens enkele punten in het beroepschrift. Eiseres merkt op dat door met name de werkzaamheden ten behoeve van het wandelpad naast het fietspad een versnippering van de natuur dreigt alsmede overlast en verstoring in de natuur door wandelaars en honden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit risico reeds aanwezig omdat sprake is van een bestaand pad. De verbetering van het pad zal de route populairder maken bij wandelaars. Het pad ligt echter wel aan de rand van de Dommelvallei op korte afstand van het bestaande fietspad dat al werd gebruikt door wandelaars. Niet valt in te zien dat dit aspect zal leiden tot een onevenredige afbreuk van de natuurlijke en/of landschappelijke, cultuurhistorische en waterhuishoudkundige waarden van de gronden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de meerwaarde van het project bij de beoordeling kunnen betrekken en kunnen concluderen dat datgene wat er komt beter is dan datgene wat er nu is.

6. Eiseres voert ook aan dat de gronden waarop langs de houtsingel een verhoogd onderhouds- en wandelpad wordt aangelegd de bestemming ‘Groen-Landschapselement’ hebben en onder meer bestemd zijn voor de instandhouding van ter plaatse voorkomende waardevolle beplanting, groenvoorzieningen en natuur- en landschapswaarden. Het aanleggen van een verhoogd onderhouds- en wandelpad is niet in overeenstemming met de bestemming. Eiseres wijst in het bijzonder op een oud pad nabij de Vlasserwei dat wordt aangeduid in de gemeentelijke notitie "Oude Zandpaden". Eiseres wijst er op dat de gemeenteraad, bij de totstandkoming van het bestemmingsplan “Buitengebied 2” de intentie heeft uitgesproken dat oude zandpaden zouden worden beschermd. Volgens eiseres is niet geïnventariseerd wat de status is van dit oude zandpad, waar het ligt en waarom het zou moeten worden geasfalteerd.



6.1.
Het college benadrukt dat de aanleg van het fietspad en het onderhoudspad niet in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied” omdat hierin geen beperkingen zijn gesteld. Het college? heeft advies gevraagd aan de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant. Door de Omgevingsdienst is kortheidshalve overwogen dat de cultuurhistorische en aardkundige waarden niet worden aangetast, omdat het gaat om de vervanging van een bestaande fietsroute. De aanwezige groenstructuren, verkavelingspatronen en het beekdalreliëf blijven behouden. Voorts is ter plaatse van dit tracé in het verleden fors grondwerk is uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van rioolleidingen. De ondergrond van het fietspad is toen nagenoeg in zijn geheel verstoord door onder andere het uitnemen en vervangen van de grond. De aardkundige waarden liggen bovendien buiten het tracé en dieper in de ondergrond, zodat deze evenmin in het gedrang komen. Het college heeft ook advies gevraagd aan het Waterschap De Dommel. Dat waterschap heeft ook de noodzakelijke vergunningen voor het project verleend. Het college heeft geconcludeerd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de hydrologische waarden. De commissie is wel van mening dat onvoldoende duidelijk is of is getoetst aan de provinciale instructieregels in kader van ETFAL. Het college wijkt op dit onderdeel af van het commissieadvies. Het college heeft ter zitting gesteld dat het zandpad nabij de Vlasserwei leidde naar een bezinkingsbassin en al was verhard. Tot slot heeft het college voorwaarden ter voorkoming van verstoring van beschermde soorten.



6.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het project niet in strijd is met de bestemming ‘agrarisch met waarden’ of ‘natuur’. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het college niet hoefde te toetsen aan ETFAL en verwijst naar hetgeen hierboven is overwogen. Het college hoefde ook niet te toetsen aan provinciale instructieregels.



6.3.
Het belang van het Natuurnetwerk Brabant had het college wel moeten betrekken bij de onderbouwing dat geen afbreuk wordt gedaan aan de ecologische waarden. Het college heeft, met verwijzing naar de uitgebrachte ecologische adviezen voldoende in kaart gebracht wat de gevolgen zijn voor de betrokken flora en fauna. Daarnaast heeft het college de meerwaarde van het project bij de afweging kunnen betrekken. De voorzieningenrechter begrijpt het bestreden besluit zo dat de voorwaarden in het bestreden besluit mede zijn gesteld ter voorkoming van een onevenredige afbreuk van de ecologische waarden voor zover die in het Omgevingsplan zijn aangeduid. Ook deze voorwaarden kunnen worden betrokken bij de verlening van de aanlegvergunning (de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat onevenredige afbreuk aan de ecologische waarde wordt gedaan. Eiseres heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze adviezen naar voren gebracht dan wel dat de voorwaarden in het bestreden besluit tekort schieten. De risico’s voor het nabijgelegen Natura 2000 gebied en schending van de zorgplicht in artikel 11. 27 van het Bal worden hierna besproken.



6.4.
In het bestreden besluit heeft het college voldoende onderbouwd dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishoudkundige waarden van de gronden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van het college dat advies is ingewonnen bij het Waterschap De Dommel en dat het waterschap vergunningen heeft verleend die bij de op de zaak betrekking hebbende stukken zitten. Niet is gebleken dat het waterschap een negatief advies heeft uitgebracht dan wel waarom dit advies niet zou kloppen. Eiseres heeft niet weersproken dat er watervergunningen zijn verleend.



6.5.
Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden met uitzondering van de kritiek op het project en de aanleg van een kort pad nabij de Vlasserwei richting Dommelvallei. Dat is het pad dat eiseres heeft omcirkelt in de door haar overgelegde notitie ‘oude zandpaden’. In het primaire besluit heeft het college volstaan met een onderbouwing over de mogelijke afbreuk van de cultuurhistorische waarden als gevolg van de aanleg van het fietspad zelf en niets overwogen met betrekking tot het pad nabij de Vlasserwei richting Dommelvallei. Met betrekking tot dit pad overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De aanvraag lijkt te voorzien in het aanvullen van het zandpad. Het is onduidelijk of dit pad nu wel of niet wordt voorzien van een verharding. De omstandigheid dat het bestemmingsplan “Buitengebied 2” is vernietigd door Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State betekent niet dat geen enkele waarde behoeft te worden gehecht aan het amendement van de gemeenteraad bij de totstandkoming van het bestemmingsplan “Buitengebied 2” dan wel de notitie oude zandpaden. Deze notitie diende het college te betrekken bij de beantwoording van de vraag of onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden. Over dit stuk van het project staat niets in de omgevingsvergunning zelf en ook niet in het bestreden besluit. Het standpunt van het college (over de cultuurhistorische waarde van het pad, de ecologische gevolgen van verharding van het pad in de richting van de Dommelvallei) is dus onvoldoende gemotiveerd. De enkele stelling ter zitting dat het pad in het verleden is gebruikt ten behoeve van een bezinkbassin en is verhard, heeft het college niet kunnen staven met enig bewijs, laat staan dat eiseres hierop heeft kunnen reageren. Het bestreden besluit en de omgevingsvergunning zijn op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter merkt wel op dat, voor zover eiseres doelt op de aanleg en verharding van het pad tussen Dommelen en het onderhoudspad naast het fietspad, dit om een klein stukje gaat. De aanleg van deze doorsteek doet geen onevenredige afbreuk aan de cultuurhistorische waarde. Het gaat dus om het pad nabij de Vlasserwei voor zover dit wordt aangelegd ten oosten van het onderhoudspad richting Dommelvallei.

7. Eiseres wijst er op dat in de aanlegfase een projectbijdrage van 0,02 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen) plaatsvindt. Het college heeft volgens eiseres niet gemotiveerd waarom de aanlegvergunning uitvoerbaar is zonder een Natura 2000-toestemming en waarom significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten. De hoogste totale depositie is hoger dan de Kritische Depositiewaarde (KDW). Er is dus sprake van een overbelaste situatie. Daarnaast is volgens eiseres de Aerius-berekening onvoldoende controleerbaar voor het hele traject. Kennelijk is bedoeld om een elektrische kraan te gebruiken, maar dat is niet vastgelegd.



7.1.
Het college merkt op dat de door de gemeente ingeschakelde aannemer [naam] BV heeft aangegeven dat elektrische materiaal zal worden gebruikt. Dat is ook zo meegenomen in de AERIUS berekening. In de aanvraag is namelijk vooraf per type materieel met een vooraf bepaald totaalaantal draaiuren uitdrukkelijk aangegeven of dit uitsluitend elektrisch zal worden ingezet. Het gaat daarbij om de mobiele graafmachine, een midigraver, knikmops, bandenzaag en een trilplaat/stamper. Derhalve kan het gebruik van elektrisch materieel hier worden beschouwd als een concreet en vastgelegd onderdeel van het aangevraagde project. Verder verwijst het college naar het standpunt van GS dat op voorhand duidelijk is dat geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit is vereist.



7.2.
De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van het college aldus dat in de aanvraag voor het project ligt besloten dat het hierboven aangeduide materiaal zal worden gebruikt. Ter zitting was het ingewikkeld om dit te achterhalen en het blijkt ook niet direct uit het besluit zelf. Als het project is aangevraagd met nadrukkelijk gebruik van dit elektrische materiaal en ook als zodanig is vergund, dan had het op de weg gelegen van het college om dit te borgen in de omgevingsvergunning (temeer omdat ecologische waarden betrokken zijn bij de afwegingen in het bestreden besluit en de omgevingsvergunning om een omgevingsplanactiviteit te verlenen). De voorzieningenrechter beschouwt dit materiaal in dit geval overigens als standaardmateriaal nu reeds is gebleken dat de door de gemeente Valkenswaard ingeschakelde aannemer over dit materiaal beschikt en dit materiaal gebruikt. Dit gebrek zal de voorzieningenrechter herstellen in deze uitspraak.



7.3.
Onder verwijzing naar de uitspraak van heden op het verzoek om voorlopige voorziening in verband met het bezwaar tegen de weigering door GS handhavend op te treden vanwege het handelen zonder Natura 2000 activiteit vergunning, ziet de voorzieningenrechter hier geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Op voorhand staat vast dat geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit is vereist.

8. Eiseres is van mening dat onvoldoende is onderzocht of op de projectlocatie beschermde soorten aanwezig zijn redelijkerwijs of aanwezig kunnen worden geacht. De in bezwaar ingebrachte Quickscan flora en fauna vormt geen volledige ecologische beoordeling. Seizoensgericht onderzoek ontbreekt net als een integrale beoordeling van cumulatieve effecten. Volgens eiseres is onvoldoende inzichtelijk welke soorten aanwezig (kunnen) zijn, of een flora- en fauna-activiteit aangewezen is en of aanvullende vergunningplicht of verdere beoordeling noodzakelijk is. Zij heeft ook een verzoek om handhaving van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal bij GS. Zij wijst er op dat er geen aparte omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit met voorschriften is verleend door GS en dat onduidelijk is of naleving van de maatregelen door het college of de aannemer kan worden afgedwongen en wie daar op toezicht. Tot slot mist eiseres een duidelijke planning. Eiseres verwijst naar een rapport van Urban Birds & Bats waarin een actief spechtennest, gewone dwergvleermuizen, een ree met reekalf, een steenmarter, een eekhoorn, groene specht, middelste bonte specht, koekoek en wielewaal zijn waargenomen. Ook in het verleden bij rioolwerkzaamheden in De Voort is gebleken dat er beschermde soorten voorkomen. De sloot ten oosten van houtsingel wordt mogelijk gebruikt als voortplantingswater voor de alpenwatersalamander. Houtsingels, bosranden, watergangen en open grasland kunnen functioneren als vliegroute of foerageergebied



8.1.
Het college heeft in het bestreden besluit erkend dat dat sommige ingrepen in het project mogelijk verstorend zijn, maar dat er geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden als er wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. Mede op basis van de aanvullende quickscan zijn zes voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden. Daarnaast is bepaald dat de Quickscan flora en fauna fietspad De Voort - Loonderweg deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Het college benadrukt dat er geen extra verlichting wordt aangebracht, geen bomen worden gekapt, werkzaamheden overdag plaatsvinden en zelfs extra beplanting wordt gerealiseerd. Een flora- en fauna-activiteit is daarom niet aan de orde. Na de zitting is een monitoringsprotocol toegezonden (mede omdat de voorwaarde is gesteld dat het Profielherstel van de watergang pas mag worden uitgevoerd vanaf oktober 2026, wanneer de alpenwatersalamanders naar hun landbiotoop zijn vertrokken). Desgevraagd heeft het college ter zitting bevestigd dat de voorwaarden moeten worden gezien als voorschriften aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5 van de Omgevingswet.



8.2.
GS heeft het verzoek om handhaving van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal afgewezen omdat met de quickscan en de aanvullende quickscan en de voorwaarden die mede op verzoek van GS aan het bestreden besluit zijn verbonden, negatieve effecten op soorten zijn uitgesloten.



8.3.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende bekend is welke soorten voorkomen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat eiseres niet concreet stelt dat wordt gehandeld zonder omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit. Het college heeft de besluitvorming kunnen baseren op de quickscans en de besluitvorming van GS en heeft in zoverre het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid. De enkele omstandigheid dat in de bezwaarfase aanvullend onderzoek is verricht, wil niet zeggen dat het college het bestreden besluit niet heeft kunnen nemen. De heroverweging in de bezwaarfase dient mede om fouten in het primaire besluit te herstellen.



8.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het primaire besluit de quickscan geen onderdeel uitmaakte van het besluit. Het college heeft aangegeven dat, door dit expliciet te bepalen in het bestreden besluit, de gemeente zich moet houden aan de aanbevelingen en maatregelen in de quickscan. Dit kan de voorzieningenrechter onderschrijven. Als de gemeente Valkenswaard (of de door haar ingeschakelde hulppersonen) maatregelen of aanbevelingen in de beide quickscans niet opvolgen, handelt de gemeente in strijd met de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal. Als de gemeente handelt in strijd met de voorschriften die in het bestreden besluit aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, handelt zij in strijd met artikel 5.5 van de Omgevingswet en pleegt zij een economisch delict. Naleving van deze maatregelen is daarmee voldoende geborgd. De voorzieningenrechter ziet overigens op dit moment geen enkele aanwijzing dat het college zou gaan handelen in afwijking van de quickscans of de voorschriften.

9. Eiseres merkt terecht op dat de voorschriften niet voorzien in een planning. Dat wordt ook door GS geconstateerd en GS doet de suggestie dat de gemeente ter verduidelijking een ecologisch werkprotocol, inclusief planning, overlegt waarin staat aangegeven hoe toepassing wordt gegeven aan de maatregelen. Het college heeft na de zitting een werkprotocol overlegt. Hierin staan een aantal maatregelen waaronder de maatregel dat het profielherstel van de sloot en het realiseren van de drie duikers pas vanaf oktober 2026 wordt uitgevoerd, tot uiterlijk februari 2027. Eiseres heeft in reactie hierop aangegeven dat het protocol onvoldoende concreet en gesubstantieerd is en dat haar rechtspositie onvoldoende is geborgd. Hierbij heeft eiseres een aantal knelpunten benoemd.


9.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het protocol voorziet in een deugdelijke ecologische begeleiding, het bijhouden van een logboek, algemene maatregelen ter invulling van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal, soort specifieke maatregelen ter invulling van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal en een voldoende gedetailleerde planning ten aanzien van de werkzaamheden in en rond de sloot met het oog op bescherming van de apenwatersalamander. Met het in achtnemen van het protocol worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van de gemeente kunnen worden verlangd. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, worden de gevolgen zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het protocol niet in alle details hoeft te worden vastgelegd waar wordt gewerkt en wanneer wordt gewerkt. Eiseres heeft ook niet aangegeven waar de planning van de soort specifieke maatregelen te kort schiet.
Als de gemeente het protocol niet naleeft, overtreedt de gemeente de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal. Daarnaast zal de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorzien en nadrukkelijk bepalen dat vergunninghouder het werkprotocol in acht moet nemen. Als vergunninghouder (de gemeente) dat niet doet handelt zij in strijd met artikel 5.5 van de Omgevingswet. De gemeente is als vergunninghouderverantwoordelijk voor de naleving van het protocol door haar medewerkers alsmede de door haar ingeschakelde aannemers en hulppersonen gelet op artikel 5.37 van de Omgevingswet. Dus als een door de gemeente ingeschakelde aannemer het protocol niet naleeft, dan handelt de gemeente in strijd met artikel 5.5 van de Omgevingswet.




Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat door de aanleg van het pad nabij de Vlasserwei vanaf het wandelpad naast het fietspad in oostelijke richting van de Dommelvallei geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden. Het college heeft verzuimd een ecologisch werkprotocol met een planning aan de voorschriften van de omgevingsvergunning te verbinden ter voorkoming van een onevenredige afbreuk van natuur en/of ecologische waarden. In het besluit komt onvoldoende tot uitdrukking dat het project wordt gerealiseerd met behulp van elektrisch materiaal. Daarom vernietigt de voorzieningenrechter het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en herroept de omgevingsvergunning door extra voorschriften met betrekking tot de naleving van het ecologisch protocol en het gebruik van elektrisch materiaal op te nemen in aanvulling op de (aangevulde) omgevingsvergunning die is gehecht aan het vernietigde bestreden besluit. De voorzieningenrechter weigert de omgevingsvergunning voor zover hierin de aanleg van het pad nabij de Vlasserwei richting Dommelvallei ten oosten van het onderhoudspad mogelijk wordt gemaakt. De overige werkzaamheden ten oosten van het wandelpad mogen wel worden uitgevoerd.

10.1.
De voorzieningenrechter brengt geen wijzigingen aan in het overige deel van de omgevingsvergunning zoals deze is gewijzigd in het vernietigde bestreden besluit maar laat deze omgevingsvergunning dus in stand met uitzondering van het pad nabij de Vlasserwei vanaf het onderhoudspad richting Dommelvallei en schorst deze vergunning niet. Dat betekent dat de gemeente maandag 31 augustus 2026 kan beginnen met de werkzaamheden Hierbij zal ze wel de voorschriften uit de beslissing op bezwaar en de aangevulde voorschriften van de voorzieningenrechter moeten naleven. Het college zal alleen een nieuw besluit moeten gaan nemen op de aanvraag van de gemeente voor zover deze strekt tot aanleg van het pad nabij de Vlasserwei vanaf het onderhoudspad richting Dommelvallei.

11. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard en het primaire besluit deels wordt herroepen, krijgt eiseres het griffierecht terug en dient het college de proceskosten van eiseres (de reiskosten) te vergoeden.

Beslissing


De voorzieningenrechter:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


herroept het primaire besluit als volgt


de omgevingsvergunning die is verleend met het primaire besluit en is aangevuld in het vernietigde bestreden besluit, wordt aangevuld met de volgende voorschriften


o Vergunninghouder dient het Ecologisch werkprotocol fietspad De Voort — Loonderweg, Valkenswaard van 24 augustus 2026 in acht te nemen.
o Bij de werkzaamheden dient vergunninghouder gebruik te maken van het in de aanvraag aangeduide elektrisch hulpmateriaal waaronder de mobiele graafmachine, een midigraver, knikmops, bandenzaag en een trilplaat/stamper


de omgevingsvergunning voor zover hierin vergunning is verleend voor de aanleg van het pad (nabij de Vlasserwei richting Dommelvallei) ten oosten van het onderhoudspad wordt geweigerd;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 794,00 aan eisers moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van €50,00 aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


ECLI:NL:RBGEL:2026:720
Link naar deze uitspraak