|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5438 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | 12019689 CV EXPL 25-365 12019689 CV EXPL 25-365 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Beroep op oneerlijke handelspraktijken. Reflexwerking. De kantonrechter weegt de oneerlijke handelspraktijk mee in de beoordeling van het beroep op dwaling. Dit beroep slaagt. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | koopovereenkomsten | | | paarden | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12019689 \ CV EXPL 25-3656
Vonnis van 21 juli 2026
in de zaak van
1. [eiser 1], handelend onder de naam [bedrijf] ,
te [vestigingsplaats 1] ,
hierna: [eiser 1] ,
2. [eiser 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: [eiser 2] B.V.,
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: Top Credit Management B.V.,
tegen
1 [gedaagde 1] V.O.F.,
te [vestigingsplaats 3] ,
hierna: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
in hoedanigheid van vennoot van [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 1] ,
hierna: [gedaagde 2] ,
3. [gedaagde 3],
in hoedanigheid van vennoot van [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 2] ,
hierna: [gedaagde 3] ,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1
De kantonrechter oordeelt dat [eisers] en [gedaagden] overeenkomsten hebben gesloten voor de aan-/verkoop van gereedschap. Hiervoor heeft [eisers] twee afzonderlijke afleverbonnen en facturen opgemaakt. [gedaagden] heeft de eerste factuur voldaan, maar de tweede factuur - met overdracht van een veulen aan [eisers] - heeft zij niet voldaan. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] de overeenkomsten met [eisers] rechtsgeldig mocht vernietigen op grond van dwaling. Dit betekent dat de overeenkomsten niet langer bestaan, dat [gedaagden] de tweede factuur niet hoeft te voldoen en het veulen niet hoeft over te dragen aan [eisers] De kantonrechter oordeelt dat [eisers] de eerste factuur aan [gedaagden] dient (terug) te betalen.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 december 2025 met producties;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;
de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
de nader ingediende producties aan de zijde van [eisers] van 29 april 2026;
de nader ingediende producties aan de zijde van [gedaagden] van 4 mei 2026;
de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarbij partijen zijn verschenen en hun gemachtigden. [eisers] is bijgestaan door [naam 1] en [gedaagden] is bijgestaan door [naam 2]. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1
[eiser 1] heeft een eenmanszaak: [bedrijf] , en hij is directeur-bestuurder van de besloten vennootschap [eiser 2] B.V. Beide ondernemingen houden zich bezig met - onder meer - de in- en verkoop van gereedschappen, hoofdelijk door online verkoop en persoonlijke verkoop door (potentiële) klanten op locatie te bezoeken.
3.2
[gedaagde 1] drijft een paardenhouderij die zich bezighoudt met onder meer het fokken en trainen van paarden. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn beide vennoot van [gedaagde 1] .
3.3
[eisers] heeft op 11 augustus 2025 in de ochtend een bezoek gebracht aan [gedaagden] Dit bezoek was onaangekondigd en partijen kenden elkaar op dat moment niet. Het verkoopproces is als volgt verlopen.
3.3.1
[Afbeelding]
Het eerste contact verliep tussen [eisers] en [gedaagde 3] , zij heeft [gedaagde 2] bij het gesprek met [eisers] betrokken. [gedaagde 2] heeft het gesprek voortgezet en [gedaagde 3] heeft haar werkzaamheden hervat. Vervolgens heeft [gedaagde 2] producten van [eisers] gekocht. [eisers] een afleverbon opgemaakt (zie afbeelding), [gedaagde 2] heeft de gegevens van [gedaagde 1] ingevuld en zijn handtekening onder ‘bevoegd aankoop’ gezet. [eisers] heeft naast de afleverbon een factuur van € 7.078,50 inclusief btw aan [gedaagden] gestuurd.
3.3.2
[Afbeelding]
Nadat de eerste afleverbon was opgemaakt en ingevuld, raakte [gedaagde 3] weer bij het gesprek betrokken. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben vervolgens nogmaals producten van [eisers] gekocht. [eisers] heeft hiervoor een tweede afleverbon opgemaakt (zie afbeelding), [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben de gegevens van [gedaagde 1] op de tweede afleverbon ingevuld en zij hebben hun handtekening onder ‘Bevoegd aankoop’ gezet. [eisers] heeft naast de tweede afleverbon afzonderlijk aan [gedaagden] een factuur gestuurd van € 21.780,– inclusief btw. Op de afleverbon en de bijbehorende factuur staat dat de koopprijs van € 21.780,– inclusief btw deels zou worden betaald in geld en deels door overdracht van het veulen ‘[paard]’ (verder: het veulen).
3.3.3
Nadat de tweede afleverbon was opgemaakt en getekend hebben [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [eisers] de producten uit de bedrijfsbus van [eisers] geladen. [eisers] heeft het terrein van [gedaagde 1] vervolgens verlaten.
3.4
Partijen hebben op 11 augustus 2025 ’s middags telefonisch contact gehad, waarna [gedaagden] de eerste factuur van € 7.078,50 inclusief btw heeft voldaan. [gedaagden] heeft vervolgens in de namiddag nogmaals telefonisch contact opgenomen met [eisers]
3.5
[gedaagden] heeft op 13 augustus 2025 aan [eisers] een aangetekende brief gestuurd. In die brief staat dat [gedaagden] de koopovereenkomst met [eisers] wenst te ontbinden dan wel vernietigen op grond van non-conformiteit dan wel oneerlijke handelspraktijken. Zij verzoekt de door haar betaalde factuur van € 7.078,50 inclusief btw terug te betalen en de producten bij haar op te komen halen.
3.6
Daarna hebben partijen nog via de e-mail en WhatsApp gecorrespondeerd.
3.7
[eisers] heeft het gefactureerde bedrag van de eerste factuur niet aan [gedaagden] terugbetaald. [gedaagden] heeft de tweede factuur van € 21.780,– inclusief btw niet voldaan. Het veulen en de gekochte producten staan bij [gedaagden]
4Het geschil
in conventie
4.1
[eisers] vordert dat de kantonrechter [gedaagden] bij vonnis hoofdelijk veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 23.314,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) vanaf het moment van dagvaarding tot aan de dag van volledige voldoening van dit vonnis. Het gevorderde bedrag van € 23.314,80 bestaat uit de hoofdsom van € 21.780,–, de buitengerechtelijke incassokosten van € 992,80 en de (verschenen) rente van € 542,–. [eisers] vordert daarnaast dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld tot overdracht van het veulen. Tot slot vordert [eisers] dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als [gedaagden] deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft betaald.
4.2
[eisers] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Partijen hebben op 11 augustus 2025 een koopovereenkomst gesloten voor verscheidene gereedschappen. Hiervoor heeft [eisers] twee afleverbonnen en twee facturen opgemaakt en aan [gedaagden] gestuurd. Ten aanzien van de tweede factuur, zijn partijen volgens [eisers] overeengekomen dat [gedaagden] de koopprijs deels in geld en deels door overdracht van het veulen ter waarde van € 1.600,– zou voldoen. [gedaagden] heeft de eerste factuur voldaan, maar de tweede factuur niet. Het veulen staat nog bij [gedaagden] Doordat [gedaagden] de tweede factuur onbetaald heeft gelaten, zijn ook rente en kosten verschuldigd geraakt.
4.3
[gedaagden] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijk van [eiser 1] en tot afwijzing van de vorderingen van de [eiser 2] B.V., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (hoofdelijke) veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. [gedaagden] verzoekt de kantonrechter daarnaast om voor recht te verklaren dat er geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen, althans dat deze rechtsgeldig is vernietigd dan wel ontbonden, en dat ten aanzien van de tweede factuur sprake is van consumentenkoop, althans dat consumentenbescherming via reflexwerking van toepassing is.
in reconventie
4.4
[gedaagden] vordert dat de kantonrechter, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de betaling van de eerste factuur onverschuldigd is en [eisers] , althans degene die de betaling van de eerste factuur heeft ontvangen, hoofdelijk veroordeelt tot (terug)betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van betaling. Tot slot vordert [gedaagden] dat [eisers] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedure in reconventie.
4.5
[gedaagden] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [gedaagden] stelt dat hij de eerste factuur ter hoogte van € 7.078,50 inclusief btw heeft voldaan, terwijl er geen rechtsgeldige overeenkomst bestond, althans dat deze overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd wegens dwaling, misleiding en bedrog. Volgens [gedaagden] heeft de betaling daardoor plaatsgevonden zonder rechtsgrond en is deze onverschuldigd in de zin van artikel 6:203 BW.
4.6
[eisers] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
in conventie en in reconventie
Vooraf
5.1
De kantonrechter oordeelt dat de betaling van de tweede factuur met de overdracht van het veulen de bevoegdheid van de kantonrechter niet overschrijdt (artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder: Rv). De kantonrechter acht zich daarom bevoegd om van de zaak kennis te nemen.
5.2
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Kern van het geschil
5.3
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagden] de tweede factuur ter hoogte van € 21.780,– inclusief btw moet voldoen en het veulen aan [eisers] moet overdragen, en of [eisers] de eerste factuur ter hoogte van € 7.078,50 inclusief btw aan [gedaagden] moet terugbetalen.
5.4
Het verweer van [gedaagden] bevat een formeel deel en een inhoudelijk deel. De kantonrechter zal eerst – onder 5.5 tot en met 5.8 – de formele verweren beoordelen en daarna – vanaf hieronder de inhoudelijke verweren.
Geldigheid van de dagvaarding
5.5
[gedaagden] voert aan dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is en dat deze niet aan de eisen van artikel 111 lid 2 Rv voldoet. [eisers] procedeert onder verschillende namen en rechtsvormen (Frederik [eiser 1] h.o.d.n. [paard], [paard] B.V. en [eiser 2] B.V.), en de afleverbonnen, facturen en de dagvaarding vermelden uiteenlopende vestigingsadressen die niet overeengekomen met de vestigingsadressen zoals deze bij de Kamer van Koophandel (verder: KvK) staan geregistreerd.
5.6
De kantonrechter stelt vast dat de betekende dagvaarding voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. [gedaagden] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld en onderbouwd welke stellingen en passages in de dagvaarding elkaar onderling uitsluiten. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.
[eiser 1] heeft procesbelang
5.7
[gedaagden] voert daarnaast aan dat [eiser 1] geen procesbelang heeft. De eerste factuur is volgens [gedaagden] voldaan en de betaling van deze factuur heeft zij teruggevorderd wegens dwaling, misleiding en bedrog. Hierdoor bestaat er geen openstaande verbintenis meer en door desondanks te procederen maakt [eiser 1] misbruik van procesrecht, aldus [gedaagden]
5.8
De kantonrechter overweegt dat partijen twisten over het bestaan en de inhoud van de overeenkomsten die partijen hebben gesloten. De kantonrechter oordeelt dat [eiser 1] daardoor belang heeft bij de beoordeling van zijn vorderingen en gaat om die reden aan het verweer van [gedaagden] voorbij.
Contractspartijen bij de overeenkomsten
5.9
[gedaagden] voert aan het voor hem niet kenbaar was met welke entiteit zij een overeenkomst heeft gesloten. [eisers] heeft twee afzonderlijke afleverbonnen opgemaakt, terwijl [gedaagden] in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van één samenhangende transactie. Op de afleverbonnen staan verschillende ondernemingen met verschillende namen en rechtsvormen, en de tenaamstelling op de tweede afleverbon – [paard] B.V. – is een niet bestaande onderneming. Volgens [gedaagden] raakt deze onduidelijkheid de kernvereisten van artikel 3:33 en 3:35 BW en komt dit volledig voor rekening van [eisers] en dient [eisers] dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen.
5.10
[eisers] verweert zich met de stelling dat het juist is dat de tenaamstelling op de tweede afleverbon niet overeenkomt met de vermelding bij de KvK, maar dat dit KvK-nummer wel overeenkomt met het KvK-nummer van de [eiser 2] B.V. Als hierdoor verwarring zou zijn ontstaan bij [gedaagden] , dan heeft [gedaagden] dit volgens [eisers] zelf gezuiverd doordat [gedaagden] de correspondentie heeft gericht aan zowel de eenmanszaak [bedrijf] als de [eiser 2] B.V., en de correspondentie heeft gestuurd naar het e-mailadres dat volgens de inschrijving bij de KvK door zowel de eenmanszaak als de Handelsonderneming wordt gebruikt.
5.11
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het antwoord op de vraag met wie [gedaagden] een overeenkomst heeft gesloten en wat de inhoud van deze overeenkomst is, hangt af van wat partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid van de handelende persoon en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
5.12
Partijen hebben ter zitting toegelicht dat het verkoopproces in twee opeenvolgende delen is verlopen: het eerste deel met [gedaagde 2] en nadat hij met [eisers] afspraken had gemaakt en gereedschap had gekocht, heeft [gedaagde 2] [gedaagde 3] bij het gesprek met [eisers] betrokken en hebben partijen aanvullend nog soortgelijk gereedschap gekocht. [eisers] heeft hiervoor twee afzonderlijke afleverbonnen en facturen opgemaakt. [gedaagden] heeft de toelichting van [eisers] op de onjuiste tenaamstelling op de tweede afleverbon niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Hoewel het de kantonrechter niet duidelijk is waarom ‘ [bedrijf] B.V.’ op de tweede factuur staat vermeld – die toelichting ontbreekt – betekent een onjuiste tenaamstelling op een afleverbon in beginsel nog niet dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de brief van 13 augustus 2025 van [gedaagden] aan [eisers] blijkt dat zij uit de tweede afleverbon en de registratie in het Handelsregister heeft afgeleid dat de gereedschappen zijn verkocht door de eenmanszaak van [eiser 1] en/of de [eiser 2] B.V. Daarnaast heeft [gedaagden] ook onbetwist gesteld dat zij in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van één samenhangende transactie.
5.13
[gedaagden] heeft ter zitting aangevoerd dat [eisers] geen eigenaar was van de gereedschappen op het moment van verkoop, waardoor er geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij. Zelfs als de verkochte producten in eigendom zouden toebehoren aan een derde partij, laat dit onverlet dat [eisers] een geldige koopovereenkomst kan aangaan met [gedaagden] en dat het [gedaagden] vrijstaat om bevrijdend te betalen aan [eiser 1] dan wel de [eiser 2] B.V.
5.14
Dit betekent dat [eiser 1] en de [eiser 2] B.V. contractspartij zijn bij de overeenkomsten met [gedaagden]
Consumentenkoop en reflexwerking
5.15
[gedaagden] stelt dat ten aanzien van de tweede factuur sprake is van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1, onder a, BW, dan wel dat zij consumentenbescherming dient te genieten via reflexwerking. Hoewel [gedaagde 1] een onderneming drijft, is deze onderneming uitsluitend actief in het houden en fokken van paarden en niet in de handel in gereedschappen of machines. De gereedschappen die op de tweede factuur staan vermeld, zijn volgens [gedaagden] evident sectorvreemd en zijn niet aangeschaft in het kader van enige handels- of beroepsactiviteit van [gedaagde 1] .
5.16
[eisers] verweert zich met de stelling dat de overeenkomsten zijn gesloten tussen twee ondernemingen en dat het gaat om producten voor professioneel gebruik. [eisers] betwist dan ook dat sprake is van consumentenkoop dan wel dat [gedaagden] consumentenbescherming toekomt via reflexwerking.
5.17
De kantonrechter stelt het volgende voorop.
Een consument is een natuurlijk persoon die bij het aangaan van de overeenkomst handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Het begrip ‘consument’ is een objectief begrip: over welke concrete kennis of informatie de betrokken persoon beschikt, is niet van belang. De rechter moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval vaststellen met welk doel de overeenkomst is aangegaan. Dat doel moet met name worden afgeleid uit de aard van het goed of de dienst waarop de overeenkomst betrekking heeft. De rechter moet vaststellen of de betrokken persoon de overeenkomst heeft gesloten in het kader van zijn beroeps- of bedrijfsactiviteit dan wel heeft gehandeld voor privédoeleinden. Als de betrokken persoon de overeenkomst (mede) aangaat ten behoeve van een bedrijf moet de rechter onderzoeken of deze persoon zelf functionele banden heeft met het bedrijf (zoals het beheer daarvan of een niet onaanzienlijke deelneming in het maatschappelijk kapitaal ervan).
Op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv) moet [gedaagden] stellen, en bij gemotiveerde betwisting door [eisers] bewijzen, dat hij bij het aangaan van de overeenkomst als consument handelde.
5.18
De twee afleverbonnen zijn op naam gesteld van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben getekend voor de aankopen. Op de afleverbonnen staan producten als een gereedschapswagen, een dieselgenerator en een schrobmachine. Uit de aard van deze producten volgt naar het oordeel van de kantonrechter het vermoeden dat deze bestemd zijn voor zakelijke doeleinden. Dit vermoeden wordt bevestigd doordat [gedaagden] ter zitting heeft gezegd dat de producten op de eerste afleverbon bedoeld waren voor gebruik binnen het bedrijf en dat de producten op de tweede afleverbon zijn gekocht met de bedoeling om deze weer (door) te verkopen.
Gelet op deze omstandigheden en het feit dat [gedaagde 1] geen natuurlijk persoon en daarmee geen consument in de zin van het consumentenrecht is, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden] de overeenkomst heeft gesloten in het kader van de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde 1] .
5.19
Dit betekent dat geen sprake is van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1, onder a, BW en dat [gedaagden] in beginsel geen beroep kan doen op de bepalingen uit het consumentenrecht. Dit sluit echter niet uit dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, als deze een met consumenten vergelijkbare positie inneemt, in een individueel geval mogelijk een beroep kan doen op de reflexwerking van bepaalde regels van consumentenrecht.
5.20
Naar het oordeel van de kantonrechter kan [gedaagden] in dit geval een beroep doen op de reflexwerking van bepaalde regels van consumentenrecht. Naast de hiervoor genoemde omstandigheden, acht de kantonrechter daarbij het volgende van belang.
Hoewel de gedeeltelijke betalingsverplichting tegen ruil van het veulen erop duidt dat deze betalingsverplichting is aangegaan in het kader van de bedrijfsactiviteit van [gedaagde 1] , heeft zij onbetwist gesteld dat [eisers] met dit voorstel is gekomen. Ook weegt de kantonrechter mee dat de totale koopprijs van de eerste en de tweede factuur tezamen slechts voor een klein deel bestaat uit de producten die waren bestemd voor gebruik binnen het bedrijf, terwijl de eigenlijke bedrijfsactiviteiten van [gedaagde 1] bestaan uit het houden en fokken van paarden en niet het (ver)kopen van professioneel gereedschap.
Het handelsoogmerk van [gedaagden] is onder deze omstandigheden zo beperkt dat het in de globale context van de overeenkomst niet overheerst. Daarmee neemt [gedaagden] naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval een met consumenten vergelijkbare positie in en kan zij een beroep doen op bepaalde regels van consumentenrecht.
Het beroep op dwaling slaagt
5.21
[gedaagden] stelt dat zij de overeenkomsten met [eisers] bij brief van 13 augustus 2025 rechtsgeldig heeft ontbonden dan wel vernietigd, primair op grond van misleidende en agressieve handelspraktijken, dwaling dan wel misbruik van omstandigheden en subsidiair op grond van bedrog. [gedaagden] onderbouwt dit met de stelling dat zij zich gedwongen voelde om de overeenkomst met [eisers] aan te gaan door de wijze waarop het verkoopproces is verlopen. Daarnaast voldoen de producten niet aan dat wat [gedaagden] op basis van de overeenkomst mocht verwachten: de kwaliteit valt ernstig tegen en essentiële (technische) informatie ontbreekt doordat er geen gebruiksaanwijzing of een handleiding aanwezig is en er ook geen geldige CE-certificering.
5.22
[eisers] betwist dat sprake is van dwaling of – hoewel [gedaagden] hier niet uitdrukkelijk een beroep op heeft gedaan – non-conformiteit. Volgens [eisers] heeft [gedaagden] niet gemotiveerd welke producten niet beantwoorden aan de overeenkomst dan wel de verwachtingen. [eisers] betwist dat er geen gebruiksaanwijzing of een handleiding aanwezig was en dat geen sprake is van geldige CE-certificeringen. In het geval van de Europese CE-markering staan de letters ‘C’ en ‘E’ verder uit elkaar en is het streepje van de ‘E’ net iets langer dan bij een Chinese CE-markering. Tot slot voert [eisers] aan dat [gedaagden] niet heeft aangetoond dat sprake is van misleiding. Dat van een agressieve verkoopmethode sprake zou zijn geweest – wat [eisers] betwist – is in tegenspraak met het filmpje dat [eiser 1] bij het uitladen van de producten heeft gemaakt en waarop te zien is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hun duim omhooghouden als antwoord op de vraag of ze blij zijn met de aankoop.
5.23
De kantonrechter overweegt als volgt.
Het staat vast dat partijen overeenkomsten hebben gesloten voor de aan-/verkoop van professioneel gereedschap. Dit betekent dat [gedaagden] in beginsel moet betalen voor deze producten en dat hij de tweede factuur aan [eisers] moet voldoen. [gedaagden] voert als verweer aan dat hij de overeenkomsten rechtsgeldig heeft ontbonden dan wel vernietigd primair op grond van misleidende en agressieve handelspraktijken (de kantonrechter begrijpt: oneerlijke handelspraktijken), dwaling of misbruik van omstandigheden respectievelijk (de kantonrechter begrijpt) non-conformiteit en subsidiair op grond van bedrog.
5.24
De kantonrechter oordeelt dat het beroep op dwaling door [gedaagden] slaagt, zodat zij de overeenkomsten met [eisers] rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd. De kantonrechter overweegt als volgt.
5.24.1
Op grond van artikel 6:228 BW is een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar
ls de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten,
indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten en/of
indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.
5.24.2
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagden] evenwel voldoende gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat zij de overeenkomsten met [eisers] heeft gesloten onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken door de wijze waarop het verkoopproces is verlopen. Daartoe acht de kantonrechter het volgende redengevend:
[eisers] is op 11 augustus 2025 onaangekondigd op het terrein van [gedaagden] verschenen. Van een vooraf gemaakte afspraak was geen sprake;
[eisers] presenteerde het aanbod als een ‘unieke kans’;
[eisers] zei dat hij met zijn bedrijf zou gaan stoppen, dat dit de laatste voorraad betrof en dat [gedaagden] hier geld op kon verdienen. Dat [eisers] ook met zijn bedrijf is gestopt, is niet gesteld of gebleken; en
[eisers] heeft gezegd dat [gedaagden] niet direct hoefde te betalen, maar hij vorderde kort na het sluiten van de overeenkomst alsnog telefonisch betaling van de facturen.
5.24.3
Een handelspraktijk waarbij de handelaar bedrieglijk beweert dat een product slechts gedurende een zeer beperkte tijd beschikbaar zal zijn om de consument onmiddellijk te doen beslissen en hem geen kans of onvoldoende tijd geeft een geïnformeerd besluit te nemen, én een handelspraktijk waarbij de handelaar beweert op het punt te staan zijn zaak te beëindigen terwijl dit niet het geval is, zijn handelspraktijken die ingevolge artikel 6:193g onder g en o BW onder alle omstandigheden misleidend zijn. Hoewel [gedaagden] de overeenkomsten niet is aangegaan als consument (zie 5.19) en haar daardoor geen rechtstreeks beroep toekomt op de bepalingen van oneerlijke handelspraktijken, betrekt de kantonrechter bij de beoordeling van het beroep op dwaling dat de omstandigheden waaronder de onderhavige koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen op de zwarte lijst van artikel 6:193g BW voorkomen.
5.24.4
[eisers] heeft deze omstandigheden niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat de stelling van [gedaagden] in tegenspraak zou zijn met het filmpje dat [eisers] heeft gemaakt, is daartoe onvoldoende. Niet alleen is het maken van een dergelijk filmpje zonder nadere toelichting van [eisers] – die ontbreekt – naar het oordeel van de kantonrechter onder deze omstandigheden opmerkelijk, zeker in het licht van de mededeling van [eisers] dat hij zou stoppen met het bedrijf en de – onbetwist gebleven – stelling van [gedaagden] dat zij dezelfde dag nog telefonisch contact heeft opgenomen met [eisers] over het ongedaan maken van de koop, omdat zij er geen goed gevoel aan over had gehouden.
De tussenconclusie
5.25
Gelet op dit alles heeft [gedaagden] voldoende gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat de koopovereenkomsten vernietigbaar zijn op grond van dwaling (artikel 6:228 lid 1, onder a, BW). Voor zover de overeenkomsten bij brief van 13 augustus 2025 niet zijn vernietigd door [gedaagden] , zal de kantonrechter deze overeenkomsten alsnog vernietigen.
Betaling van de tweede factuur en (terug)betaling van de eerste factuur
5.26
[eisers] vordert in conventie betaling door [gedaagden] van de tweede factuur ter hoogte van € 21.780,– inclusief btw met overdracht van het veulen.
5.27
De kantonrechter overweegt dat aan vernietiging van de koopovereenkomsten op grond van artikel 3:53 BW terugwerkende kracht toekomt: zij hebben nooit bestaan, de door partijen over en weer verrichte prestaties zijn zonder rechtsgrond verricht en daarom onverschuldigd (artikel 6:203 BW). Dat verplicht partijen tot ongedaanmaking van hetgeen zij in dit kader aan prestaties van de andere partij hebben ontvangen.
Dit betekent dat [gedaagden] de tweede factuur niet meer hoeft te voldoen en niet gehouden is tot overdracht van het veulen aan [eisers] De kantonrechter zal de vordering en nevenvorderingen (de wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten) van [eisers] in conventie afwijzen. De overige primair gevoerde verweren (non-conformiteit en misbruik van omstandigheden) en het subsidiair gevoerde verweer (bedrog) van [gedaagden] blijven onbesproken, omdat het beroep op dwaling al leidt tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] in conventie.
5.28
[gedaagden] vordert in reconventie (terug)betaling door [eisers] van de eerste factuur ter hoogte van € 7.078,50 inclusief btw. Nu de koopsom onverschuldigd is betaald, dient [eisers] dit bedrag in beginsel aan [gedaagden] (terug) te betalen. [eisers] heeft hier geen verweer tegen gevoerd, zodat de kantonrechter dit deel van de vordering van [gedaagden] in reconventie zal toewijzen. De kantonrechter acht de vordering tot (terug)betaling van de factuur (hoofdelijk) toewijsbaar tegen [eiser 1] en [eiser 2] B.V. [eisers] heeft de hoofdelijkheid niet weersproken. Daarbij komt dat [eisers] zelf onduidelijkheid doen laten ontstaan aan wie [gedaagden] de eerste factuur heeft betaald, zodat dit voor zijn rekening en risico komt. Dit betekent dat [eiser 1] en [eiser 2] B.V. ieder kan worden gedwongen het volledige bedrag van € 7.078,50 te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5.29
[gedaagden] vordert daarnaast in reconventie dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de betaling van de eerste factuur onverschuldigd heeft plaatsgevonden. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering af, omdat [gedaagden] niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld en onderbouwd welk belang zij heeft bij toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht.
5.30
De kantonrechter overweegt ten overvloede dat [gedaagden] ter zitting heeft gezegd dat zij de gereedschappen in zijn bezit heeft. [eisers] heeft geen afgifte hiervan gevorderd, maar de kantonrechter gaat ervanuit dat [gedaagden] deze spullen aan [eisers] teruggeeft.
[eisers] is de wettelijke rente verschuldigd
5.31
[gedaagden] vordert in reconventie betaling door [eisers] van de wettelijke rente over terugbetaling van de eerste factuur ter hoogte van € 7.078,50 inclusief btw, vanaf de datum van betaling.
5.32
De gevorderde wettelijke rente is niet betwist, zodat deze toewijsbaar is. Ingevolge artikel 6:205 BW is de ontvanger zonder ingebrekestelling in verzuim met de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde, indien hij de betaling te kwader trouw heeft ontvangen. Gelet op de wijze waarop de koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen, de druk die [eiser 1] daarbij en bij het aandringen op betaling heeft uitgeoefend, maken naar het oordeel van de kantonrechter dat [eiser 1] daarbij niet te goeder trouw heeft gehandeld. De wettelijke rente is derhalve verschuldigd vanaf het moment van betaling.
De ‘tegenvorderingen’ in conventie
5.33
Ter afronding van het verweer in conventie vordert [gedaagden] naast afwijzing van de vorderingen van [eisers] een tweetal verklaringen voor recht. Dergelijke vorderingen dienen in reconventie te worden ingesteld. De kantonrechter zal [gedaagden] daarom in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren.
[eisers] moet de proceskosten betalen
5.34
[eisers] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie en in reconventie betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- verletkosten in conventie
€
50,00
- verletkosten in reconventie
€
50,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
244,00
5.35
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.36
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
6De beslissing
De kantonrechter
in conventie
6.1
wijst de vorderingen van [eisers] af;
in reconventie
6.2
veroordeelt [eisers] hoofdelijk om aan [gedaagden] (terug) te betalen een bedrag van € 7.078,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de datum van initiële betaling door [gedaagden] , tot de dag van volledige betaling;
6.3
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en in reconventie
6.4
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 244,–, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis;
6.5
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.6
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald;
6.7
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2, 6.4, 6.5 en 6.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Artikel 3:33 en 3:35 BW, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877.
HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR;2019:2034 en HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615.
HvJ EU 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:151, punt 43 – 46; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, rov. 3.4.2; HvJ EU 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:538, punt 21 – 23; HvJ EU 19 november 2015, ECLI:EU:C:2015:772, punt 27 en HvJ EU 14 september 2016, ECLI:EU:C:2016:700, punt 32 en 34.
Vgl. HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197.
Vgl. in dit kader HvJ EU 8 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:456, waarin het Hof van Justitie het consumentenbegrip uit Richtlijn 93/13/EG ruim uitlegt.
Kamerstukken I 2007/08, 30 928, E, p. 6 en 7. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|