Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:5356 
 
Datum uitspraak:09-09-2026
Datum gepubliceerd:09-09-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202405086/1/R4
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 27 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst de kosten voor de toepassing van bestuursdwang, door het verwijderen van zaken op een perceel aan de Lindeseweg in Vorden, vastgesteld op € 22.615,80 en deze kosten op [appellant] verhaald. Tussen [appellant] en de gemeente Bronckhorst heeft zich een lange voorgeschiedenis afgespeeld. Over de jaren heen is er veel gebeurd en er zijn meerdere procedures over en weer gevoerd. Over deze voorgeschiedenis is op de zitting gesproken met partijen. Maar, zoals ook op de zitting is besproken, kan deze procedure alleen gaan over het kostenverhaalsbesluit. Andere zaken bespreekt de Afdeling daarom niet in deze uitspraak. [appellant] heeft een kwekerij op een perceel aan de Lindeseweg in Vorden. Het college heeft met het besluit van 8 februari 2021 een last onder bestuursdwang aan hem opgelegd. De last houdt in dat [appellant] vóór 7 maart 2021 de op het perceel aanwezige caravan, containers, opgeslagen materialen, puin, bedrijfsafval, bestrating, waterreservoir en tegels/klinkers (de zaken) moet verwijderen.
Trefwoorden:bestuursdwang
kwekerij
perceel
planschade
 
Uitspraak
202405086/1/R4.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend onder de naam [naam bedrijf], wonend in Vorden, gemeente Bronckhorst,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juli 2024 in zaak nr. 23/1039 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2022 heeft het college de kosten voor de toepassing van bestuursdwang, door het verwijderen van zaken op een perceel aan de Lindeseweg in Vorden, vastgesteld op € 22.615,80 en deze kosten op [appellant] verhaald.
Bij besluit van 10 januari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de kosten voor de toepassing van bestuursdwang gewijzigd vastgesteld op € 22.346,89 en voor het overige het besluit van 27 juli 2022 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 15 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 augustus 2026, waar [appellant], vergezeld door [personen], en het college, vertegenwoordigd door D. Robbertsen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Tussen [appellant] en de gemeente Bronckhorst heeft zich een lange voorgeschiedenis afgespeeld. Over de jaren heen is er veel gebeurd en er zijn meerdere procedures over en weer gevoerd. Over deze voorgeschiedenis is op de zitting gesproken met partijen. Maar, zoals ook op de zitting is besproken, kan deze procedure alleen gaan over het kostenverhaalsbesluit. Andere zaken bespreekt de Afdeling daarom niet in deze uitspraak.
2.       [appellant] heeft een kwekerij op een perceel aan de Lindeseweg in Vorden. Het college heeft met het besluit van 8 februari 2021 een last onder bestuursdwang aan hem opgelegd. De last houdt in dat [appellant] vóór 7 maart 2021 de op het perceel aanwezige caravan, containers, opgeslagen materialen, puin, bedrijfsafval, bestrating, waterreservoir en tegels/klinkers (de zaken) moet verwijderen. Daarbij heeft het college vermeld dat, als [appellant] de last niet tijdig uitvoert, het college de last zal uitvoeren en de kosten daarvoor op hem zal verhalen. Dit besluit is onherroepelijk geworden.
Nadat is geconstateerd dat [appellant] niet heeft voldaan aan de last, heeft het college op 31 maart 2021 de aangezegde bestuursdwang toegepast. De op het perceel aanwezige zaken zijn meegevoerd en opgeslagen op de gemeentewerf.
Met het kostenverhaalsbesluit van 27 juli 2022 heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld, die kosten op [appellant] verhaald en hem verzocht om het totaalbedrag binnen zes weken over te maken. Met het besluit op bezwaar van 10 januari 2023 heeft het college het te verhalen bedrag verlaagd. In beide besluiten heeft het college meegedeeld dat [appellant] de zaken kan ophalen na betaling. Bij het uitblijven van betaling binnen de gestelde termijn zullen de zaken worden verkocht, aldus het college. Omdat betaling uitbleef, heeft het college na afloop van de termijn de zaken verkocht voor € 50,00.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat deze zaak alleen gaat over het verhaal van de kosten van de toepassing van de bestuursdwang. Wat [appellant] aanvoert over de last onder bestuursdwang en de handelswijze van het college en de gemeente in andere procedures, wordt daarom niet besproken, aldus de rechtbank. De rechtbank komt ook niet toe aan inhoudelijke bespreking van het betoog van [appellant] dat het college de opgeslagen zaken voor een te laag bedrag heeft verkocht. Zij moet namelijk oordelen over het besluit op bezwaar, terwijl de zaken pas na dat besluit zijn verkocht, aldus de rechtbank.
Over de door [appellant] verzochte schadevergoeding wegens het handelen van de gemeente heeft de rechtbank geoordeeld dat uit haar uitspraak volgt dat het kostenverhaalsbesluit niet onrechtmatig is en ook niet is gebleken van een ander besluit of andere handeling waardoor schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden toegewezen. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding daarom afgewezen.
Hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de feiten en omstandigheden rondom de toepassing van de bestuursdwang. Daarover voert hij aan dat het college de meegenomen zaken voor een te lage prijs heeft verkocht. De verkoop heeft € 50,00 opgeleverd, maar volgens [appellant] is de daadwerkelijke waarde van de verkochte zaken vele malen hoger.
[appellant] voert verder aan dat het college bepaalde machines en materialen die op grond van een vonnis van de kortgedingrechter van 12 mei 2021 aan hem moesten worden teruggegeven, niet heeft teruggebracht, waaronder een waterpomp ter waarde van € 4.500,00. Hij voert ook aan dat bepaalde zaken bij teruggave beschadigd zijn geraakt. Hierdoor kan het college blijvend niet voldoen aan het vonnis en heeft het college daarmee een dwangsom van € 50.000,00 verbeurd, aldus [appellant].
4.1.    De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over het kostenverhaal zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3 t/m 7.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Over de gestelde lage verkoopprijs van de zaken voegt de Afdeling nog toe dat de wijze van verkoop en de opbrengst daarvan geen onderdeel uitmaken van het kostenverhaalsbesluit. Dit is feitelijk of privaatrechtelijk handelen en dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat [appellant] dit niet kan voorleggen aan de bestuursrechter. Hij kan zich wenden tot de burgerlijke rechter. Hetzelfde geldt voor wat hij aanvoert over het vonnis van de kortgedingrechter en de uitvoering daarvan door het college.
Het betoog slaagt niet.
5.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om schadevergoeding, dat hij ter zitting bij de rechtbank heeft beperkt tot € 25.000,00, heeft afgewezen. [appellant] voert daarover aan dat hij door de handelswijze van het college inmiddels € 641.102,43 aan schade heeft geleden. Hij geeft ter onderbouwing daarvan in zijn nadere stuk van 11 oktober 2025 een uitgebreide weergave van zijn geschiedenis met de gemeente Bronckhorst en de schade die volgens hem is ontstaan, waaronder kosten die gemaakt zijn in andere (civiele) procedures, gederfde opbrengsten, dwangsommen en planschade.
5.1.    Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding in beginsel pas kan toewijzen, als eerst is vastgesteld dat het besluit onrechtmatig was. De bestuursrechter is, buiten de gevallen genoemd in artikel 8:89, eerste lid, van Awb, op grond van het tweede lid slechts bevoegd een verzoek om schadevergoeding te beoordelen voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,00 bedraagt. De bestuursrechter is ook bevoegd een verzoek om schadevergoeding te behandelen als de schade hoger is dan dat bedrag, maar de belanghebbende zijn aanspraak op schadevergoeding bij de bestuursrechter beperkt tot € 25.000,00. Voor het bedrag boven de € 25.000,00 kan een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2081.
5.2.    Uit wat onder 4.1 is overwogen blijkt dat het besluit op bezwaar niet onrechtmatig is en dat ook niet is gebleken van een ander besluit of andere handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De rechtbank heeft dan ook terecht het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat voor eventuele tegemoetkoming in planschade een aparte bestuursrechtelijke procedure met eigen rechtsmiddelen bestaat en dat de burgerlijke rechter bevoegd is om voor het overige over de vergoeding van de door [appellant] geleden schade te beslissen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
8.       Ten aanzien van het in deze procedure geheven griffierecht overweegt de Afdeling als volgt. Voor de behandeling van het hoger beroep van [appellant] is een bedrag van € 559,00 als griffierecht geheven. Dit was in 2024, toen [appellant] hoger beroep instelde, het griffierecht voor een hoger beroep dat is ingesteld anders dan door een natuurlijke persoon. Aangezien [appellant] als natuurlijke persoon beroep heeft ingesteld, had het griffierecht voor een natuurlijke persoon moeten worden geheven. Dat hij handelt onder de naam van zijn eenmanszaak, doet daaraan niet af. Het griffierecht voor een hoger beroep ingesteld door een natuurlijk persoon bedroeg in 2024 € 279,00. Het te veel betaalde griffierecht ten bedrage van € 280,00 zal daarom worden terugbetaald.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem te veel betaalde griffierecht ten bedrage van € 280,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veldwijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
912-1213
Link naar deze uitspraak