|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:11196 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 26/5755 en ROT 26/244 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Wabo. Verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het besluit van 2 december 2025 waarbij het onherroepelijke besluit van 8 augustus 2024 is ingetrokken en een nieuwe begunstigingstermijn aan het besluit is verbonden. Beroep is ongegrond en het verzoek is afgewezen. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het intrekken van het besluit van 8 augustus 2024 en een begunstigingstermijn van drie maanden aan het besluit kunnen stellen. Verder was het college bevoegd om de dwangsom in te vorderen en is niet gesteld of gebleken dat er redenen waren om in redelijkheid van het gebruik maken van die bevoegdheid behoorde te worden afgezien. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/5755 en ROT 26/244
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam 1] en [naam 2] uit [woonplaats 2] (belanghebbenden).
Procesverloop
1. Het college heeft met het besluit van 10 oktober 2022 (primaire besluit) aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning realiseren van twee overkappingen (hierna: schuilstallen) en houden van paarden op het perceel aan de [straatnaam] in [locatie] (het perceel).
2. Met het besluit van 2 december 2025 (bestreden besluit 1) heeft het college het besluit op bezwaar van 8 augustus 2024 ingetrokken en is op grond van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk bij het primaire besluit gebleven.
3. Met het besluit van 29 mei 2026 (bestreden besluit 2) heeft het college de last onder dwangsom ingevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op de invorderingsbeschikking. Dit betekent dat het bezwaar tegen de opgelegde invorderingsbeschikking dient te worden beoordeeld in de beroepsprocedure tegen bestreden besluit 1.
4. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4.1.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
4.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Ow in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Ow op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
6.1.
Met het besluit van 10 oktober 2022 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het besluit
7. Eiser verhuurt het perceel aan derden die daar paarden houden. Ten behoeve van het houden van de paarden zijn twee schuilstallen gebouwd.
8. Tijdens controles heeft de toezichthouder onder meer geconstateerd dat er vijf paarden op het perceel van eiser lopen, die ook in de wei komen met de bestemming “Groenstrook”. Verder zijn binnen deze bestemming twee schuilstallen aanwezig.
9. Het college heeft met het primaire besluit eiser op straffe van een dwangsom van € 3.000,-. gelast de overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan eiser doen door de schuilstallen te verwijderen en verwijderd te houden en het houden van paarden te staken. Met het besluit van 8 januari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
10. Met de uitspraak van deze rechtbank van 25 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3900, heeft de rechtbank geoordeeld dat het zonder omgevingsvergunning (laten) bouwen van de twee schuilstallen een overtreding is. Het hobbymatig houden van paarden door eiser levert evenwel geen overtreding op, omdat dit verenigbaar is met de bestemming “Groenstrook”. De rechtbank heeft het besluit van 8 januari 2024, waarin het besluit van 10 oktober 2022 in stand is gelaten, om die reden vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit heeft het college gedaan met het besluit van 8 augustus 2024. Daarin heeft het de conclusies van de uitspraak van de rechtbank overgenomen, een dwangsom van € 2.000,- aan de last gekoppeld voor het zonder omgevingsvergunning bouwen van twee schuilstallen en een begunstigingstermijn opgenomen van drie maanden nadat de rechtbank uitspraak doet op het beroep van belanghebbenden (verzoekers om handhaving) over de verleende omgevingsvergunning aan eiser voor het verplaatsen van de schuilstallen (met zaaknummer ROT 24/1459). Het beroep in zaaknummer ROT 24/1459 is echter door belanghebbenden ingetrokken. Met het besluit van 2 december 2025 heeft het college het besluit van 8 augustus 2024 ingetrokken, omdat niet of onvoldoende duidelijk was wanneer de begunstigingstermijn aanving. Het college verbindt met het besluit van 2 december 2025 een nieuwe begunstigingstermijn aan de last door deze te stellen op drie maanden na het besluit op bezwaar van 2 december 2025. Tegen dit besluit is eiser in beroep gegaan. Met het besluit van 29 mei 2026 heeft het college de dwangsom van € 2.000,- ingevorderd. Volgens het college is de dwangsom van rechtswege verbeurd omdat de bewuste schuilstallen niet zijn verwijderd en daarmee niet aan de last is voldaan.
11. Eiser is het niet eens met het besluit van 2 december 2025 en het besluit van 29 mei 2026.
Toetsingskader
12. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Besluit van 2 december 2025
13. Eiser betoogt dat het college het besluit van 2 december 2025 niet had mogen nemen. Met dat besluit is het reeds onherroepelijke besluit van 8 augustus 2024 ten nadele van eiser gewijzigd. Dit is in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en niet gebaseerd op een wettelijke grondslag. Volgens eiser was de begunstigingstermijn zoals opgenomen in het besluit van 8 augustus 2024 duidelijk en logisch. Het college had een nieuw primair besluit moeten nemen waartegen hij bezwaar kon maken.
14. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 8 augustus 2024 onherroepelijk is en dat het college met het besluit van 2 december 2025 het besluit van 8 augustus 2024 heeft ingetrokken en een vervangend besluit heeft genomen. In de Awb of in de Wabo is niet voorzien in een wettelijke grondslag op grond waarvan het bevoegd gezag een handhavingsbesluit, zoals in casu aan de orde, kan intrekken of wijzigen. Dit neemt echter niet weg dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een eerder genomen besluit dat naar zijn opvatting onjuist is, alsnog in te trekken of te wijzigen, mits het gebruikmaken van die bevoegdheid niet in strijd komt met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn die was opgenomen in het besluit van 8 augustus 2024 (oude begunstigingstermijn) met het besluit van 2 december 2025 opnieuw is vastgesteld naar aanleiding van een advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie over het bezwaar van eiser tegen een genomen invorderingsbesluit dat was gebaseerd op verbeurte van de dwangsom in het besluit van 8 augustus 2024. In dat advies wordt door de bezwaarschriftencommissie geconstateerd dat het beroep met zaaknummer ROT 24/1459 is ingetrokken. Omdat de oude begunstigingstermijn was vastgesteld op drie maanden na de rechtbankuitspraak met betrekking tot zaaknummer ROT 24/1459, was volgens de adviescommissie niet duidelijk of de termijn van drie maanden was gaan lopen vanaf de intrekking, nu een intrekking geen rechtbankuitspraak is. Verder stelde de adviescommissie vast dat op grond van artikel 5:32a van de Awb een termijn moet worden gesteld aan de last gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Mede gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860 moet een begunstigingstermijn die loopt tot de uitkomst van een beroep bekend, gezien worden als in strijd met artikel 5:32a van de Awb. Het is dan namelijk afhankelijk gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis en onvoldoende concreet.
16. De voorzieningenrechter vindt dat de adviescommissie het juist heeft gezien. Gelet op voorgaande en in wat eiser aanvoert is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot het intrekken van het besluit van 8 augustus 2024. Anders dan eiser meent is de oude begunstigingstermijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet duidelijk. De oude begunstigingstermijn was juist in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu niet duidelijk was wanneer deze aanving. Niet valt in te zien waarom het wijzigen van deze termijn in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij komt dat er in dit geval sprake is van belanghebbenden. Naar aanleiding van hun handhavingsverzoek is uiteindelijk gehandhaafd door het college. Naast het algemeen belang dat bij handhaving is gediend dient ook aan hun belangen gewicht te worden toegekend.
17. Het betoog slaagt niet.
Begunstigingstermijn
18. Eiser heeft op zitting betoogd dat de begunstigingstermijn te kort is om aan de last te kunnen voldoen. Daartoe voert hij aan dat de begunstigingstermijn van drie maanden, eindigend op 2 maart 2026, in de winterperiode viel. De paarden hebben in de winterperiode een schuilstal nodig. Hoewel hij wel een aanvang had gemaakt om aan de last te voldoen door onder meer stelconplaten te plaatsen was het niet eenvoudig om aan de last te voldoen. Ook voert eiser aan dat hij door een toezichthouder van de gemeente in de veronderstelling was komen te verkeren dat hij ook niet conform de verleende omgevingsvergunning voor verplaatsing van de schuilstallen op de voorziene nieuwe locatie kon bouwen en dat hij vreesde dat de schuilstallen vervolgens niet gebruikt konden worden door de paarden, omdat hij dat niet had aangevraagd.
19. Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn echter als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. De begunstigingstermijn dient er toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de gegeven termijn te kort is om aan de last te voldoen.
20. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk was om binnen de gestelde termijn aan de last te voldoen. Het college heeft op zitting terecht gesteld dat eiser al lange tijd op de hoogte was van het feit dat hij een einde moest maken aan de overtreding. Eiser is met het besluit van 2 december 2025 nog drie maanden gegund om aan de last te voldoen. De voorzieningenrechter ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor de conclusie dat het in dit geval feitelijk niet mogelijk is om in een tijdsbestek van drie maanden de twee schuilstallen af te breken. Het betoog van eiser dat hij door een uitlating van een toezichthouder van de gemeente in de veronderstelling was komen te verkeren dat hij niet conform de onherroepelijke omgevingsvergunning en het omgevingsplan kon bouwen, doet, wat daar verder van zij, niet af aan het feit dat eiser een titel heeft voor het bouwen van de twee schuilstallen. Hoewel de voorzieningenrechter met wat er daarover op de zitting is besproken niet goed kan plaatsen wat er door de toezichthouder zou zijn gezegd, had het op de weg van eiser gelegen om tijdig in contact met het college te treden indien hij meende dat het hem om die reden onmogelijk zou zijn om aan de last tot verwijdering te voldoen. Eiser heeft daarentegen stilzwijgend de termijn laten verstrijken. Verder heeft de rechtbank in de uitspraak van 25 april 2024 reeds geoordeeld dat, los van de te bouwen schuilgelegenheid, het houden van de paarden op het perceel is toegestaan. Daarvoor is immers ook geen last meer opgelegd door het college. Gelet op voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college in redelijkheid een begunstigingstermijn van drie maanden heeft kunnen stellen.
21. Het betoog slaagt niet.
Invorderingsbesluit 29 mei 2026
22. Eiser betoogt in zijn bezwaar tegen het invorderingsbesluit dat het college het invorderingsbesluit niet had mogen nemen, omdat het besluit van 2 december 2025 ten onrechte is genomen. Hij verwijst naar wat hij onder 13 in het kader van de gehandhaafde last onder dwangsom heeft aangevoerd.
23. Dit betoog kan niet slagen gelet op wat de voorzieningenrechter onder 16 heeft geoordeeld. Eiser heeft geen andere gronden gericht tegen het invorderingsbesluit, zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Na afloop van de begunstigingstermijn stonden de schuilstallen waarop de last ziet er nog steeds zodat de dwangsom van rechtswege is verbeurd. Het college was bevoegd was om die dwangsom in te vorderen en er is niet gesteld of gebleken dat er redenen waren om in redelijkheid van het gebruik maken van die bevoegdheid behoorde te worden afgezien.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:32a
[…].
Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
[…].
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. […],
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].
Artikel 2.3a
Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.
[…].
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie onder meer de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 1 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1616, de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4736 en van 22 december 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1045.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2589.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:330.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2292 (onder 10.1). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|