|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:4779 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.359.286 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Art. 7:345 BW, 7:352 BW; 7:358 BW.
Brand in door pachter gebouwde schuur op gepachte met schade tot gevolg na einde pacht maar tijdens gebruik in afwachting van ontruiming. Geen algemene regel dat pachter aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door pachtersinvestering. Geen tekortkoming omdat de inrichting van het gepachte zonder toestemming is gewijzigd omdat er al dan niet stilzwijgende toestemming voor bouw schuur door pachter is gegeven. Geen vermoeden dat schade door pachter is ontstaan op grond van art. 7:352 BW. In gebruik geven van schuur aan derden (drugslab) is niet komen vast te staan. Geen aansprakelijkheid o.g.v. art. 7:358 BW. Geen onterecht beslag door verpachter. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | grondkamer | | | koeien | | | landbouwgrond | | | paarden | | | pachtkamer | | | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.359.286
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 11427768
arrest van de pachtkamer van 21 juli 2026
in de zaak van
Torcksveen Verwolde B.V. (Torcksveen)
die is gevestigd in Laren (Gld, gemeente Lochem)
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Zutphen optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
advocaat: mr. E.H.M. Harbers
tegen
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
zonder bekende woonplaats in Nederland
die bij de pachtkamer in Zutphen optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
advocaat: mr. E.B. Jobse
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 28 april 2026 heeft op 28 mei 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
Het hof beantwoordt in dit arrest de vraag wie de schade moet dragen, die het gevolg is van een brand in een schuur op gepachte grond, terwijl de pachtovereenkomst is geëindigd maar het gebruik met toestemming van de verpachter nog enige tijd is voortgezet en waarbij de schuur een pachtersinvestering is. Het hof concludeert dat de eigenaar van de grond in dit geval de schade moet dragen.
3De feiten waar het hof van uitgaat
3.1.
Tussen partijen heeft een pachtovereenkomst bestaan met betrekking tot de boerderij aan de [adres] te [plaats] ( [provincie] ) met ondergrond, erf en weilanden (hierna: de hoeve). [geïntimeerde] exploiteerde daarop een paarden-, kwartel- en kippenhouderij. De hoeve bestond uit een monumentale woning met schuur, een schuur gebouwd door de vader van [geïntimeerde] in 1974 (hierna: de oude schuur) en een schuur gebouwd door [geïntimeerde] in 1989 (hierna: de nieuwe schuur).
3.2.
Torcksveen heeft een opstalverzekering afgesloten voor de monumentale woning met schuur en [geïntimeerde] voor de nieuwe schuur. De oude schuur was niet verzekerd.
3.3.
De pachtkamer van de rechtbank Gelderland heeft eind 2023 de pachtovereenkomst ontbonden en [geïntimeerde] veroordeeld om de hoeve te ontruimen. [geïntimeerde] is tegen het vonnis in hoger beroep gegaan en heeft een kort geding aangespannen om de tenuitvoerlegging te schorsen. In april 2024 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn daarin overeengekomen dat [geïntimeerde] het hoger beroep zou intrekken, terwijl Torcksveen het ontruimingsvonnis niet zou executeren voor 22 februari 2025 wat betreft de percelen landbouwgrond en 1 april 2025 wat betreft de gebouwen. [geïntimeerde] zou een gebruiksvergoeding betalen gelijk aan de pachtprijs. [geïntimeerde] heeft op 15 april 2024 het hoger beroep ingetrokken.
3.4.
Na het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst is tussen partijen contact geweest over de wijze van oplevering. Per e-mail van 24 april 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van Torcksveen bericht dat [geïntimeerde] geen beroep doet op enige pachtersinvesteringen en dat het gepachte in de toestand zou worden gebracht die bij het einde van de pacht redelijkerwijs overeenstemt met de oorspronkelijke toestand bij het aangaan van de pachtovereenkomst.
3.5.
In de nacht van 16 juli 2024 op 17 juli 2024 is de oude schuur afgebrand. Bij de brand zijn asbestdeeltjes vrijgekomen en neergekomen op het erf en het aangrenzende weiland.
3.6.
Zowel Torcksveen als [geïntimeerde] zijn door de Omgevingsdienst Achterhoek (hierna: de Omgevingsdienst) aangeschreven over het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van - samengevat - inventarisatie, verwijdering en controle van de verwijdering van het asbest door een gecertificeerd bedrijf. In september 2024 is de handhavingsprocedure door de Omgevingsdienst ten aanzien van Torcksveen beëindigd. Ten aanzien van [geïntimeerde] is de handhavingsprocedure doorgezet. In september 2024 heeft de Omgevingsdienst de voorgenomen last onder dwangsom opgelegd aan [geïntimeerde] .
3.7.
In november 2024 heeft Torcksveen conservatoir beslag laten leggen op de bankrekening, diverse roerende zaken en dieren van [geïntimeerde] waaronder twee Jersey koeien, 38 paarden en 5 veulens.
3.8.
In februari 2025 is [geïntimeerde] gestopt met het gebruik van de gronden. Op 1 april 2025 is (in ieder geval) de woning op de hoeve opgeleverd. [geïntimeerde] maakt sindsdien geen gebruik meer van de hoeve. Hij is met medeneming van zijn paarden vertrokken naar [buitenland] . De twee Jersey koeien zijn, zo is gebleken tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, verkocht.
3.9.
[geïntimeerde] heeft (in ieder geval) € 30.000 aan dwangsommen verbeurd ten aanzien van de last onder dwangsom van de Omgevingsdienst omdat het asbest nog niet was gesaneerd.
4. De vorderingen van partijen, de beslissing bij de rechtbank en de inzet van het hoger beroep
De vorderingen van partijen bij de pachtkamer in Zutphen
4.1.
Torcksveen heeft zowel bij de kantonrechter als bij de pachtkamer in Zutphen zaken tegen [geïntimeerde] aangespannen. De kantonrechter heeft de bij hem aanhangige zaak (met nummer 11349297) verwezen naar de pachtkamer. De pachtkamer heeft vervolgens op verzoek van Torcksveen beide door Torcksveen aangespannen zaken gevoegd. Daarna heeft Torcksveen zijn eis gewijzigd en integraal geherformuleerd. Torcksveen vordert een verklaring voor recht dat:(i) [geïntimeerde] tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens Torcksveen en/of onrechtmatig jegens Torcksveen heeft gehandeld, door brand te laten ontstaan op de hoeve en de situatie te laten ontstaan c.q. voortbestaan dat asbest en brandresten over de hoeve zijn verspreid;(ii) [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de sanering van asbest en herstel van brandschade en eventuele overige schade aan de hoeve; en (iii) [geïntimeerde] tekort is geschoten in zijn verplichting om de hoeve weer in goede staat ter beschikking van Torcksveen te stellen en aansprakelijk is voor alle schade die Torcksveen hierdoor leidt of zal lijden.
Ook wil Torcksveen (iv) dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van (a) € 6.043,95 (incl. btw) in verband met de kosten voor verwijdering van de afrastering en (b) € 30.976 incl. btw in verband met saneringskosten en (c) voor het overige schadevergoeding nader op te maken bij staat, (v) twee keer de gebruiksvergoeding van € 7.911,56 met wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid, en (vi) beslagkosten en proceskosten. De zaak met nummer 11349297 is daarna ingetrokken.
4.2.
[geïntimeerde] heeft bij de pachtkamer in Zutphen een tegenvordering ingesteld. Hij wil na wijziging van eis: (i) opheffing van het conservatoir beslag dat op zijn paarden is gelegd, (ii) vergoeding van de schade als gevolg van het beslag, te begroten op € 39.850 met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2024, (iii) vergoeding van de reeds afgedwongen dwangsommen aan de Omgevingsdienst van € 30.000 wegens nalatigheid van Torcksveen als juridisch eigenaar van de afgebrande schuur, (iv) een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de brandschade of enige overige schade aan de hoeve na beëindiging van de pacht en (v) afwijzing van de overige vorderingen van Torcksveen.
Het oordeel van de pachtkamer in Zutphen
4.3.
De pachtkamer in Zutphen heeft op vordering van Torcksveen [geïntimeerde] veroordeeld te betalen (v) twee keer € 7.911,56 aan gebruiksvergoeding, (vi) de beslagkosten van € 1.002,26 en (iv)(c) een schadevergoeding van € 4.354,24 omdat het land niet goed is opgeleverd vanwege niet verwijderde rubberen matten. De overige vorderingen van Torcksveen (waaronder vordering (iv)(a) van € 6.043,95 voor de afrastering) en de reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen.
De inzet van het hoger beroep
4.4.
De bedoeling van het hoger beroep van Torcksveen is dat de vonnissen van de pachtkamer in Zutphen gedeeltelijk worden vernietigd en de afgewezen vorderingen onder rov. 4.1 sub (i) tot en met (iii) hierboven (de verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] tekort is geschoten door brand te laten ontstaan een asbest en brandresten over de hoeve zijn verspreid, dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de saneringskosten en dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in zijn opleveringsverplichtingen) en sub (iv)(b) (betaling van € 30.976 aan saneringskosten en voor het overige de schade nader op te maken bij staat) alsnog worden toegewezen.
4.5.
Ook [geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld. De bedoeling daarvan is dat zijn tegenvordering tot vergoeding van € 39.850 aan schade vanwege een onrechtmatig beslag, met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2024, wordt toegewezen.
5De toelichting op de beslissing van het hof
Geldt een algemene risicoaansprakelijkheid voor een schuur die een pachtersinvestering is?
5.1.
Torcksveen stelt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van de brand, meer specifiek de kosten van de asbestsanering.
5.2.
Het meest verstrekkende argument van Torcksveen is dat als een pachter een schuur als pachtersinvestering neerzet op het gepachte, de pachter aansprakelijk is voor alle schade die wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van de betreffende zaak, en dus ook voor schade als gevolg van brand.
5.3.
Het hof volgt die redenering niet. Ook in een geval als dit zal ofwel een grondslag gevonden moeten worden in een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een overeengekomen verbintenis, bij voorbeeld van verplichtingen van de pachter ten opzichte van de verpachter die voortvloeien uit de pachtovereenkomst, ofwel in een onrechtmatige daad.
5.4.
Torcksveen heeft in dit verband gewezen op opstalaansprakelijkheid (6:174 BW) als een vergelijkbare risicoaansprakelijkheid. Artikel 6:174 BW bepaalt voor zover hier relevant dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Dat artikel is niet direct van toepassing, omdat in dit geval [geïntimeerde] geen bezitter van de oude schuur is, omdat die door natrekking eigendom van Torcksveen is geworden. Zou ten aanzien van de oude schuur aan de vereisten van artikel 6:174 lid 1 BW, analogisch toegepast op [geïntimeerde] als degene die voor deze schuur verantwoordelijk was, zijn voldaan, dan zou naar het oordeel van het hof [geïntimeerde] tegenover Torcksveen op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn. Torcksveen heeft echter niet gesteld dat de oude schuur niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken opleverde. Een verdergaande risicoaansprakelijkheid vindt geen grondslag in het recht.
Moet vermoed worden dat [geïntimeerde] de schade door een tekortkoming heeft veroorzaakt?
5.5.
[geïntimeerde] kan wel aansprakelijk zijn omdat hij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen die voortvloeien uit de pachtovereenkomst. Artikel 7:352 BW bepaalt dat de pachter aansprakelijk is voor schade aan het gepachte die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de pachtovereenkomst (lid 1). Alle schade, behalve brandschade, wordt vermoed te zijn ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten als bedoeld in het eerste lid (lid 2). Er is hier sprake van brandschade, zodat lid 2 van dit artikel op het eerste gezicht niet van toepassing is.
5.6.
Torcksveen heeft betoogd dat ook in dit geval vermoed moet worden dat de brand is ontstaan door een aan [geïntimeerde] toe te rekenen tekortschieten. Volgens Torcksveen hangt de uitzondering voor brandschade op het vermoeden in artikel 7:352 lid 2 BW dat de pachter de schade veroorzaakt heeft samen met de herbouwplicht voor de verpachter bij brand (artikel 7:345 BW) en de praktische consequentie van dat artikel, dat vrijwel alle verpachters het gepachte voor brand (moeten) verzekeren. Omdat de verpachter een wederopbouwplicht heeft en zich moet verzekeren zou het vermoeden dat de pachter de schade toerekenbaar veroorzaakt heeft niet hoeven te gelden. In dit geval, bij een pachtersinvestering die dus niet door de verpachter verzekerd hoeft te worden, zou dus óók bij brand moeten worden vermoed dat de schade is ontstaan door een aan [geïntimeerde] toe te rekenen tekortschieten.
5.7.
Het hof volgt dat standpunt niet. De tekst van de wet legt geen koppeling tussen de uitzondering op het bewijsvermoeden van artikel 7:352 lid 2 BW dat de pachter schade veroorzaakt heeft en de verplichting tot wederopbouw van artikel 7:345 BW. De wet kent uitzonderingen op de verplichting tot wederopbouw (zie artikel 7:345 leden 1, 2 en 4). Voor geen van deze gevallen waar de wederopbouwverplichting bij brand niet geldt, bepaalt de wet dat vermoed wordt dat de pachter de brandschade veroorzaakt heeft. Dat had wel voor de hand gelegen, als een dergelijke koppeling tussen wederopbouwverplichting en de uitzondering op het vermoeden dat de pachter de schade veroorzaakt heeft bestond.
5.8.
Er geldt dus geen vermoeden dat [geïntimeerde] door een tekortkoming de schade heeft veroorzaakt.
Is [geïntimeerde] aansprakelijk omdat hij de inrichting van het gepachte zonder toestemming heeft veranderd?
5.9.
Torcksveen beroept zich erop dat [geïntimeerde] zonder toestemming van de verpachter en zonder machtiging van de grondkamer (in strijd met artikel 7:348 BW) de oude schuur heeft gebouwd en daarmee de inrichting van het gepachte heeft gewijzigd. Dat er geen machtiging van de grondkamer is, is niet betwist. [geïntimeerde] heeft echter gesteld dat wel toestemming voor de bouw van de schuur is gegeven. Volgens [geïntimeerde] is afgesproken dat de vader van [geïntimeerde] de schuur zou bouwen en dat na een aantal jaren de verpachter eigenaar zou worden. Dit wordt door Torcksveen betwist. Het hof is echter van oordeel dat Torcksveen onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat er al dan niet stilzwijgend toestemming is gegeven voor de bouw van de schuur. Vaststaat dat de schuur sinds 1974 op het gepachte staat en niet is gesteld of gebleken dat tegen de bouw of de aanwezigheid daarvan ooit bezwaar is gemaakt. In 1989 is nog een schuur door de pachter op het gepachte gebouwd. Van een bezwaar van de verpachter tegen de oude schuur naar aanleiding van deze bouwactiviteit of in verband met de overgang van de pacht in 1996 van de vader van [geïntimeerde] naar [geïntimeerde] is ook niet gebleken. Dat Torcksveen na de bouw maar voor de brand op enig moment heeft aangedrongen op verwijdering van de oude schuur (of de nieuwe schuur) is ook niet gebleken. Dat geen toestemming, al dan niet stilzwijgend achteraf, voor deze schuren is gegeven is hiermee niet te verenigen.
Is [geïntimeerde] aansprakelijk omdat hij de schuur aan derden in gebruik heeft gegeven?
5.10.
De tweede tekortkoming waarop Torcksveen zich beroept is dat [geïntimeerde] de oude schuur aan een ander in gebruik heeft gegeven. Erkend is dat de schuur in gebruik was bij de zoon van [geïntimeerde] voor zijn bedrijf in de meubelbouw en bouw van aquaria. Dat leidt echter niet tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] , omdat Torcksveen niet heeft uitgelegd hoe dit de schade heeft veroorzaakt: waarom de schuur niet zou zijn afgebrand als deze niet aan de zoon van [geïntimeerde] in gebruik zou zijn gegeven, is niet voldoende uitgelegd. De enkele stelling dat met ander gebruik dan agrarisch gebruik het risico op brand toeneemt, is daarvoor niet afdoende. Op grond van de stellingen van Torcksveen kan het hof niet vaststellen wat de oorzaak van de brand geweest is.
5.11.
Dat zou anders zijn als [geïntimeerde] de schuur in gebruik heeft gegeven aan mensen die het als drugslab hebben gebruikt of dat hebben voorbereid: het is voorshands aannemelijk dat bij gebruik als drugslab het brandgevaar door gebruik van chemicaliën toeneemt. Torcksveen stelt dat van een drugslab sprake is geweest – zo begrijpt het hof haar.
5.12.
Het hof is van oordeel dat Torcksveen het bestaan van een drugslab onvoldoende heeft onderbouwd. Torcksveen heeft wel gesteld dat er vermoedens waren, met name tijdens en onmiddellijk na de brand. Maar nader onderzoek heeft Torcksveen zelf niet gedaan. Onderzoek van gemeente en politie heeft niet geleid tot enig document waarop de conclusie gebaseerd kan worden dat er sprake was van een drugslab. Dat had wel vastgesteld kunnen worden met een chemisch onderzoek ter plaatse. Het hof begrijpt dat Torcksveen dat aan de autoriteiten heeft overgelaten. Omdat uit dat onderzoek echter niets gekomen is, zijn de verklaringen van de rentmeester, van de rechercheur en van de zoon van de bestuurder van Torcksveen, ook als ze nader bewezen worden, onvoldoende omdat zij slechts hun vermoeden zouden bevestigen, maar niet de daadwerkelijke aanwezigheid van een drugslab. Het bewijsaanbod van Torcksveen dat rechercheur [naam rechercheur] heeft bevestigd dat er een vermoeden was dat het om een drugslab ging wordt dan ook gepasseerd. En hetzelfde geldt voor het bewijsaanbod dat er “waarschijnlijk stoffen aanwezig waren in de schuur die het risico op brandgevaar hebben verhoogd”: een vermoeden of waarschijnlijkheid is te speculatief en niet genoeg.
Is [geïntimeerde] aansprakelijk omdat het gepachte bij het einde van de pacht niet in goede staat ter beschikking is gesteld?
5.13.
Torcksveen beroept zich er ook op dat het gepachte bij het einde van de pacht niet in goede staat ter beschikking is gesteld. Artikel 7:358 BW bepaalt dat de pachter verplicht is het gepachte bij het einde van de pacht weer in goede staat ter beschikking van de verpachter te stellen.
5.14.
Het staat vast dat asbestsanering nodig is, zodat het land niet in goede staat is opgeleverd. Daarmee staat echter nog niet vast dat [geïntimeerde] voor deze asbestverontreiniging ook aansprakelijk is. Artikel 7:358 BW vestigt geen risicoaansprakelijkheid voor schade, waarvoor een pachter niet op grond van artikel 7:352 BW aansprakelijk is. Hierboven is al besproken dat op grond van dat artikel [geïntimeerde] niet aansprakelijk is.
5.15.
Torcksveen zegt dat de advocaat van [geïntimeerde] heeft toegezegd dat de schuur verwijderd zou worden. Het hof volgt dat standpunt niet: de advocaat van [geïntimeerde] heeft aangegeven dat geen vergoeding voor verbeteringen zouden worden gevraagd (het hof begrijpt op grond van het melioratierecht van artikel 7:350 BW). In dat kader heeft zij gezegd dat eventueel door [geïntimeerde] aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan zouden worden gemaakt. Dat daarbij ook de schuur bedoeld is die al in 1974 is geplaatst – of de schuur die in 1989 is geplaatst – ligt niet voor de hand en blijkt ook niet. Dat Torcksveen het op enig moment voor de brand zo heeft begrepen, blijkt ook niet.
5.16.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Torcksveen er ook nog een beroep op gedaan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] ermee weg zou komen dat hij geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor het in behoorlijke staat opleveren van het gepachte. Voor zover dit beroep al niet in strijd is met de tweeconclusieregel is het onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk is gebleven welk beroep op welk recht Torcksveen dan bedoelt, dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor zover het beroep van Torcksveen gelezen moet worden als een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid is het niet voldoende uitgewerkt.
Moet de zaak nog naar de schadestaat verwezen worden en moet nog een verklaring voor recht gegeven worden?
5.17.
Torcksveen klaagt erover dat de pachtkamer in Zutphen de zaak niet heeft verwezen naar een schadestaatprocedure.
5.18.
Vaststaat dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de kosten van het verwijderen van de rubberen matten. De pachtkamer in Zutphen heeft hem daartoe veroordeeld en daartegen is hij niet opgekomen. Daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Torcksveen aangegeven dat de andere schadeposten te maken hebben met het opruimen van de ruïne van de afgebrande schuur. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen, blijkt dat [geïntimeerde] daarvoor niet aansprakelijk is. Voor welke andere schade [geïntimeerde] dan nog aansprakelijk is waarvoor naar de schadestaat verwezen zou moeten worden, is niet duidelijk geworden. De schade die toewijsbaar is, is al begroot en aan Torcksveen toegewezen. Bij een verwijzing naar de schadestaat en een verklaring voor recht heeft hij onvoldoende belang.
5.19.
Torcksveen heeft, na een vraag van het hof, erop gewezen dat ook de afgewezen vordering voor € 6.043,95 ten aanzien van de afrastering onder deze klacht tegen het vonnis valt. Daarin gaat het hof niet mee. De pachtkamer in Zutphen heeft in rov. 5.10 van het vonnis van 13 augustus 2025 specifiek deze vordering behandeld en afgewezen. Tegen dat oordeel heeft Torcksveen geen klacht gericht. [geïntimeerde] heeft dat ook zo niet begrepen want heeft in hoger beroep op die vordering ook niet meer gereageerd. Ook bij een welwillende uitleg van de memorie van grieven van Torcksveen ziet het hof niet in dat ook de afgewezen vordering ten aanzien van de afrastering aan de orde wordt gesteld.
Moeten de proceskosten in de vordering in eerste aanleg gecompenseerd worden?
5.20.
Torcksveen komt ertegenop dat de proceskosten in eerste aanleg in zijn vordering tegen [geïntimeerde] zijn gecompenseerd omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.
5.21.
Het hof is dat met Torcksveen eens. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn in het geheel afgewezen. Daarentegen zijn een aantal vorderingen van Torcksveen toegewezen, namelijk die ter betaling van de gebruiksvergoeding (twee maal € 7.911,56 en), beslagkosten (€ 1.002,26) en van schadevergoeding voor het achterlaten van de rubberen matten (€ 4.354,24). Niet valt in te zien hoe Torcksveen betaling van deze bedragen had kunnen verkrijgen anders dan door het instellen van een rechtsvordering. Het hof zal daarom [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten van Torcksveen in eerste aanleg te begroten op basis van het toegewezen bedrag. Het hof begroot deze kosten wat betreft de vergoeding van haar advocaat op 3 punten (waarvan één voor het gelegde beslag) x tarief € 543, dat is € 1.629. Ook moet [geïntimeerde] de kosten van de dagvaarding van € 136,72 en het griffierechten van Torcksveen betalen van € 721. Omdat [geïntimeerde] in zijn vordering in reconventie in het ongelijk is gesteld, moet hij ook de proceskosten van Torcksveen van zijn vordering in reconventie betalen, die zijn te begroten op € 1.086 voor vergoeding van de kosten van haar advocaat, dus samen met die in conventie: € 2.715.
Moet Torcksveen schade vergoeden die gevolg is van het beslag?
5.22.
[geïntimeerde] komt op tegen de afwijzing van zijn vordering tot schadevergoeding vanwege het door Torcksveen gelegde beslag. Hij vindt dat het beslag onzorgvuldig, onvoldoende bepaalbaar en disproportioneel is geweest, omdat niet is vastgelegd welke individuele paarden onder het beslag vielen en geen rekening is gehouden met de waarden van de individuele paarden.
5.23.
Het hof oordeelt anders. Torcksveen heeft niet onterecht beslag gelegd. Dat zij door beslag te leggen misbruik van recht heeft gemaakt, is onvoldoende onderbouwd. Dat de paarden niet individueel zijn geregistreerd is daarvoor in ieder geval onvoldoende: [geïntimeerde] zelf wist heel goed welke paarden het waren. Hij was volgens het proces-verbaal van de deurwaarder ook aanwezig en van de paarden zijn foto’s gemaakt. Als dat niet duidelijk genoeg was, had [geïntimeerde] verduidelijking kunnen vragen. In plaats daarvan heeft [geïntimeerde] ervoor gekozen om beslagen paarden en niet beslagen paarden door elkaar te halen, zonder zelf bij te houden welke beslagen waren, en ze allemaal mee te nemen naar Frankrijk. Dat moet voor zijn risico komen.
5.24.
Namens [geïntimeerde] is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook gezegd dat bedoeld was op te komen tegen de afwijzing van de vordering tot opheffing van het beslag. Zelfs als dat uit de memorie van antwoord van [geïntimeerde] afgeleid had kunnen worden, zou die klacht niet slagen. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep niet aangegeven waarom het beslag dan onterecht gelegd is en voor zover dat uit zijn memorie al af te leiden is, slagen zijn argumenten niet, om de redenen die hierboven al zijn uiteengezet.
Conclusie
5.25.
Het hoger beroep van Torcksveen slaagt gedeeltelijk. Het hof zal [geïntimeerde] in de proceskosten van Torcksveen in eerste aanleg veroordelen. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid zal het hof het vonnis van de pachtkamer van 3 december 2025 geheel vernietigen en opnieuw recht doen. Het vonnis van 13 augustus 2025 zal het hof bekrachtigen, behalve de beslissing dat de proceskosten gecompenseerd worden.
5.26.
Omdat in het hoger beroep van Torcksveen partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, bepaalt het hof dat iedere partij zijn eigen kosten in dat hoger beroep moet dragen (compensatie van proceskosten).
5.27.
Het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerde] veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.5.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
6De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 augustus 2025, behalve de beslissing onder 7.8 die het hof vernietigt, en vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 3 december 2025;
6.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 4.354,24 aan Torcksveen;
6.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van Torcksveen tot aan de uitspraak van de pachtkamer in Zutphen van Torcksveen:
€ 721 aan griffierecht
€ 136,72 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 2.715 aan salaris van de advocaat van Torcksveen;
en tot betaling van de volgende proceskosten van Torcksveen in het hoger beroep van [geïntimeerde] :
€ 912 (1/2 x 2 procespunten x het toepasselijke tarief I);
6.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in het hoger beroep van Torcksveen;
6.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, J.U.M. van der Werff en W.F. Boele en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en ing. H.W.J. van Schooten en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|