|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:8202 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 24/2504 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Afwijzing handhavingsverzoek geluid windpark, akoestisch onderzoek, nauwkeurigheidsmarge, Reken- en meetvoorschrift windturbines, effect erfverharding, advies StAB, motiveringsgebrek gepasseerd art. 6:22, beroep ongegrond met pkv | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | geluidhinder | | | landbouwgrond | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2504
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiser met betrekking tot het geluid afkomstig van de inrichting [windpark]. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. De rechtbank heeft wel een motiveringsgebrek geconstateerd, maar passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser woont aan [adres], op een afstand van ongeveer 420 meter van [windpark] (hierna: het windpark). Dit is een windpark bestaande uit drie windmolens (G001 tot en met G003) in een lijnopstelling aan de [straat]. Eiser heeft op 21 februari 2023 bij het college gemeld dat de molens van het windpark een dusdanige herrie maken dat dit in zijn woning te horen is. Volgens eiser wordt de maximaal toegestane geluidsbelasting overschreden. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen deze illegale situatie en om de verleende vergunning voor het windpark in te trekken of om, als intrekking niet mogelijk is, een maximale geluidsbelasting op zijn woning toe te staan van Lday 46,48 dB(A) en een Lnight van 40,15 dB(A).
2.1.
Met het besluit van 20 april 2023 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Volgens het college heeft akoestisch onderzoek uitgewezen dat bij het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten van het windpark geen geluidsnormen worden overschreden. Het college heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in 2022 en op nalevingsverslagen van 2018 tot en met 2022.
Met het bestreden besluit van 17 januari 2024 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het besluit van 20 april 2023 is daarbij in stand gelaten.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college: [persoon 1] (geluidsdeskundige OMWB). Eiser heeft ook een geluidsdeskundige meegebracht naar de zitting: ing. [persoon 2] (DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V.).
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat zij nader onderzoek noodzakelijk vond. De rechtbank heeft daarna de StAB om advies gevraagd.
2.4.
De StAB heeft op 26 juni 2025 rapport uitgebracht. Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het rapport van de StAB te reageren met een schriftelijke reactie van de door hem ingeschakelde geluidsdeskundige van 10 oktober 2025. Daarop heeft de StAB schriftelijk gereageerd met een notitie van 29 januari 2026.
Op 25 maart 2026 heeft de rechtbank aan partijen gevraagd om het binnen vier weken kenbaar te maken als zij nog nader gehoord willen worden op een zitting. Geen van de partijen heeft aangegeven nog op een zitting te willen worden gehoord. Wel heeft eiser op 28 april 2026 nog een schriftelijke reactie van zijn geluidsdeskundige ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft op 9 juni 2026 het onderzoek gesloten.
2.6.
Bij rechtbank heeft de uitspraaktermijn daarna met nog zes weken verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
De beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Eiser stelt daarbij dat het college zijn besluit niet op de nalevingsverslagen en het akoestisch onderzoek heeft mogen baseren. Met betrekking tot de nalevingsverslagen heeft eiser gesteld dat het rekenmodel ten tijde van de vergunningverlening onjuist is en daarmee ook de controleberekeningen van LBP-Sight in de jaren 2018, 2019 en 2020. Deze zijn immers gebaseerd op het model uit de vergunning. Eiser merkt daarbij op dat in het rekenmodel kavelpaden en erfverharding ontbreken. De verharding is aangeduid als geluidsabsorberende landbouwgrond, waardoor de uitkomst van de geluidsberekeningen lager is. Eiser stelt dat het college zich, zonder motivering, niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het ontbreken van de erfverharding in het rekenmodel een verwaarloosbaar effect heeft. Ook in het akoestisch onderzoek is volgens eiser niet alle erfverharding meegenomen.
Het akoestisch onderzoek
4. In 2022 heeft een geluidsdeskundige van de OMWB akoestisch onderzoek verricht naar aanleiding van aanhoudende klachten over geluidhinder vanwege het windpark. Van dat onderzoek is op 6 september 2022 een rapport uitgebracht. Gerapporteerd is dat er in de periode 6 januari 2022 tot en met 9 februari 2022 geluidmetingen zijn verricht. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de woningen die binnen de invloedssfeer van het windpark liggen. De hoogste geluidbelasting is gevonden ter plaatse van de woning van eiser. Er is een Lden gemeten van 47,4 dB en een Lnight van 41,1 dB. Dat komt volgens de rapporteur overeen met de nalevingsverslagen over de kalenderjaren 2018 tot en met 2020. Geconcludeerd is dat daarmee wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Lden 47 dB en Lnight 41 dB) en dat de klachten over de geluidhinder daarmee (objectief bezien) ongegrond zijn. De OMWB heeft in een aanvullende notitie van 1 maart 2023 uitgelegd dat de overschrijding van geluidbelasting valt binnen de meet- en rekennauwkeurigheid van 2 dB uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Zolang er sprake is van een overschrijding binnen die meet- en rekennauwkeurigheid, is deze volgens de OMWB niet significant en is er geen aanleiding om handhavend op te treden.
5. Eiser heeft rapporten ingebracht van zijn akoestisch deskundige van DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. Daarin wordt gereageerd op het akoestisch onderzoek dat is verricht door de OMWB.
Waar zijn partijen het wel en niet over eens?
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de regels uit de Omgevingswet niet gelden voor het handhavingsverzoek, aangezien het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 is ingediend. Dat betekent dat in dit geval de regelgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Ter zitting is gebleken dat partijen het er ook over eens zijn dat voor het windpark de geluidsnorm geldt die is neergelegd in artikel 3.15d, eerste lid, van het Activiteitenbesluit van Lden 47 dB en Lnight 41 dB op de gevel van gevoelige gebouwen.
De geluidsdeskundige van de OMWB heeft ter zitting uitgelegd waarom in dit geval niet is gemeten op de gevel van de woning van eiser. Er is gemeten bij de bron: bij de meest zuidelijke windturbine. Hij heeft toegelicht dat dit gangbare praktijk is, omdat het meten op de gevel technisch weinig zinvol is. De geluidsniveaus op de gevel van de woning zijn volgens de geluidsdeskundige van de OMWB onbetrouwbaar omdat er te veel invloed is van ander omgevingsgeluid. Daarbij wordt ook rekening gehouden met een jaargemiddelde windsnelheidsverdeling. Bovendien is het meten bij de bron ook praktisch in gevallen waar meer omwonenden overlast ervaren. De geluidsdeskundige van DGMR heeft daarop aangegeven dat hij het daarmee eens is.
7. Ter zitting is gebleken dat geluidsdeskundigen met name nog verschillen van inzicht over het wel of niet mogen toepassen van de meet- en rekennauwkeurigheidsfactor van 2 dB. De geluidsdeskundige van de OMWB heeft toegelicht dat hij meet volgens het Reken- en meetvoorschrift windturbines, maar dat hij voor wat betreft de meet- en rekennauwkeurigheid aansluit bij de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (hierna: de Handleiding). De geluidsdeskundige van DGMR stelt daarentegen dat volledig moet worden uitgegaan van het Reken- en meetvoorschrift windturbines, omdat deze specifiek voor windturbines is geschreven, en dat deze nadrukkelijk niet een meet- en rekennauwkeurigheidsmarge bevat. Als argument daarvoor geeft hij dat onderdelen uit de Handleiding zijn overgenomen in het Reken- en meetvoorschrift windturbines, maar de bedoelde onnauwkeurigheidsmarge juist niet.
StAB-advies
8. De rechtbank heeft de StAB om advies gevraagd. De StAB is gevraagd om gemotiveerd aan te geven of bij een handhavingsprocedure over geluidoverlast van windturbines mag worden aangesloten bij de Handleiding voor wat betreft de daarin opgenomen meet- en rekennauwkeurigheid van 2 dB. Mocht dat niet het geval zijn, dan heeft de rechtbank de StAB verzocht om gemotiveerd aan te geven of in een dergelijke procedure een andere nauwkeurigheidsmarge van toepassing is. Tot slot heeft de rechtbank de StAB de mogelijkheid gegeven om te reageren op de deskundigenrapporten van de OMWB en de DGMR of een van de andere rapporten.
8.1.
De StAB heeft in haar deskundigenverslag van 26 juni 2025 gerapporteerd dat nauwkeurigheidsmarge van 2 dB(A) zoals die geldt bij de toepassing van de emissie-overdrachtsmethode II.8 uit de Handleiding, in beginsel ook geldt voor het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Hierbij is van belang dat deze marge uit twee delen bestaat: een bijdrage vanwege de bronsterktebepaling (de emissie) en een bijdrage vanwege de overdrachtsmethode. In dit geval is volgens de StAB de nauwkeurigheidsmarge voor de bronsterktebepaling uit de Handleiding niet van toepassing omdat daarvoor in de plaats de nauwkeurigheidsmarge voor het door de OMWB gemeten windsnelheidsafhankelijke geluidvermogen van de windturbine op basis van de standaardmeetmethode uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines geldt. Dit laatstgenoemde nauwkeurigheidsmarge is door de OMWB bepaald op 2 dB(A). Volgens de StAB zal de (on)nauwkeurigheidsmarge van de overdrachtsmethode uit de Handleiding theoretisch tussen de 0 dB(A) en 2 dB(A) liggen, maar naar inschatting realistisch variëren tussen de 1 dB(A) en 2 dB(A). De StAB heeft gerapporteerd dat de totale nauwkeurigheidsmarge wordt bepaald door de optelling van de nauwkeurigheidsmarge van de door de OMWB uitgevoerde bronmeting en de nauwkeurigheidsmarge van de toegepaste overdrachtsmethode uit de Handleiding door middel van de daarvoor geldend formule. De totale nauwkeurigheidsmarge op de berekende geluidbelasting, zoals door de StAB berekend, zal liggen tussen minimaal 2,2 dB(A) en maximaal 2,8 dB(A).
De geluidsdeskundige van DGMR heeft op het advies van de StAB gereageerd. De geluidsdeskundige merkt op dat een marge van maximaal – afgerond naar boven – 3 dB(A) een verdubbeling is van de geluidenergie is, dus een zeer grote foutmarge. De geluidsdeskundige mist hiervan een duiding en motivering. Ook tast een dergelijke forse nauwkeurigheidsmarge volgens hem de betrouwbaarheid van akoestisch onderzoek in het algemeen aan. De geluidsdeskundige wijst er nogmaals op dat in het Reken- en meetvoorschrift windturbines geen nauwkeurigheidsmarge is opgenomen. Mocht er wel een nauwkeurigheidsmarge gelden, dan is deze in de ordegrootte 1 tot 2 dB, maar zeker niet meer dan dat.
De rechtbank heeft deze reactie voorgelegd aan de StAB en heeft de StAB gevraagd om daarop te reageren. De StAB heeft in een rapport van 29 januari 2026 een nadere duiding en motivering gegeven van haar advies, waarna zij tot de conclusie is gekomen dat er geen aanleiding is om af te wijken van haar eerdere conclusie dat in dit geval de totale nauwkeurigheid ten minste 2,2 dB(A) en ten hoogste 2,8 dB(A) bedraagt.
De StAB heeft verder toegelicht dat een dergelijke nauwkeurigheidsmarge de betrouwbaarheid van akoestisch onderzoek niet aantast, maar dat deze enkel de onzekerheid van het betreffende onderzoek weergeeft. Voor ieder (akoestisch) onderzoek dat gebaseerd is op metingen en/of berekeningen, geldt namelijk een nauwkeurigheidsmarge. De StAB verwerpt de suggestie dat het toepassen van een nauwkeurigheidsmarge bij handhavingsprocedures over het algemeen in het voordeel van de vergunninghouder zou zijn. De StAB merkt nogmaals op dat het toepassen van een nauwkeurigheidsmarge in handhavingsprocedures gebruikelijk is en dat dit ook in lijn is met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). De StAB verwijst in dat verband naar de uitspraken van 21 april 2010 en 22 augustus 2018.
De geluidsdeskundige van DGMR heeft in reactie daarop aangegeven dat hij bij zijn oordeel blijft. De StAB is volgens hem niet ingegaan op zijn kritiekpunt dat een onnauwkeurigheidsmarge van meer dan 2 dB niet gebruikelijk is in welk type akoestisch onderzoek dan ook. Ook is de geluidsdeskundige er nog steeds niet van overtuigd dat er überhaupt onnauwkeurigheid wordt meegenomen, omdat deze niet is opgenomen in de beoordelingssystematiek.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenoordeel van de StAB en de wijze waarop dit tot stand is gekomen. De rechtbank volgt het standpunt niet dat het deskundigenoordeel van de StAB op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De StAB heeft – zeker na de nadere duiding en motivering in het tweede rapport – op inzichtelijke wijze uiteengezet waarom de geluidsdeskundige van de OMWB mocht uitgaan van een nauwkeurigheidsmarge en dat de door de geluidsdeskundige van de OMWB gehanteerde nauwkeurigheidsmarge van 2 dB(A) juist is. Op basis van de bevindingen en conclusies van StAB is de rechtbank van oordeel dat het college het bestreden besluit op het akoestisch onderzoek van de OMWB heeft mogen baseren.
Erfverharding
10. Eiser heeft aangevoerd dat in het akoestisch onderzoek van de OMWB geen rekening is gehouden met alle erfverharding. Ten onrechte is volgens hem geen rekening gehouden met de erfverharding rond het huis.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat het college in het primaire besluit van 20 april 2023 al is ingegaan op het argument van eiser met betrekking tot de erfverharding. Het college heeft overwogen dat bij het akoestisch onderzoek is vastgesteld dat de erfverharding geen meetbare, althans verwaarloosbare bijdrage levert aan (toename van) het geluid, gelet op het totale in beginsel juist absorberende bodemeffect in het overdrachtsgebied. In de ‘notitie geluid’ van 1 maart 2023 wordt de bodem in het overdrachtsgebied, met uitzondering van de verharde wegen en water, als nagenoeg volledig absorberend beschouwd (bodemfactor B = 0,8). De commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Moerdijk heeft na heroverweging van de bezwaren van eiser overwogen dat het akoestisch onderzoek zorgvuldig is geweest en goed is gemotiveerd, en dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst van het onderzoek.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgrond dat het college zijn conclusie dat de erfverharding een verwaarloosbaar effect heeft, niet heeft gemotiveerd. De motivering blijkt immers uit wat hiervoor samengevat is weergegeven. De rechtbank volgt eiser wel dat het college zijn conclusie niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het college heeft zijn standpunt in het verweerschrift namelijk nog aangevuld. Het college blijft bij zijn standpunt dat het verharden van het eigen terrein een verwaarloosbaar effect heeft op de geluidbelasting. Daarbij is evenwel toegelicht dat voor normale, niet compacte grond rondom het verharde terrein en wegen een bodemfactor geldt van 1,0 (absorberend) en dat dit leidt tot een hogere geluidbelasting dan eerder in het akoestisch rapport is gepresenteerd, tot maximaal 0,2 dB hoger, waarmee nog altijd ruimschoots binnen de meet- en reken(on) nauwkeurigheid van 2 dB wordt gebleven. Ter zitting heeft de geluidsdeskundige van het OMWB opgemerkt dat de kritiek van eiser voor wat betreft het effect van de erfverharding dus terecht is, maar dat dit daarom niet tot een ander besluit leidt.
10.2.
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek, maar dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser door dit gebrek niet is benadeeld.
Conclusie en gevolgen
11. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college terecht heeft aangenomen dat bij het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten van het windpark geen geluidsnormen worden overschreden. Het college heeft zich dan ook terecht niet bevoegd geacht om handhavend op te treden en heeft het handhavingsverzoek van eiser terecht afgewezen.
12. Het beroep is ongegrond.
13. Omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast, bestaat er aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ook moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.
13.1.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen, zodat er sprake is van twee proceshandelingen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
13.2.
Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten van zijn akoestisch adviseur ten bedrage van € 6.533,97. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking, omdat de rechtbank zowel het inschakelen van de adviseur als de door hem opgevoerde kosten redelijk acht.
De vergoeding bedraagt dan in totaal € 8.401,97 (€ 1.868,- + € 6.533,97).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 8.401,97.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 27 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22:
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 3.15d (voor zover van belang):
Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.
[…].
Algemene wet bestuursrecht
Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak
Dat volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Activiteitenbesluit milieubeheer
ECLI:NL:RVS:2010:BM1792
ECLI:NL:RVS:2018:2794
De kosten voor deskundigen komen volgens vaste jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6309) voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de kosten zelf redelijk zijn. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|