Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:11077 
 
Datum uitspraak:02-09-2026
Datum gepubliceerd:11-09-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/3872
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsrecht. Wabo. Beroep tegen de omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting voor het winnen van aardwarmte door het boren van twee sidetracks. Beroep is ongegrond.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
bestemmingsplan
geluidhinder
glastuinbouw
natuurbeschermingswet
omgevingsvergunning
wabo
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/3872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en


de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, nu: de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, hierna: de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. J.H. Keinemans).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam bedrijf] . uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).




Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 25 mei 2022 heeft de staatssecretaris aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend (veranderingsvergunning) voor een inrichting voor het winnen van aardwarmte aan de [adres 1] in Vierpolder, kadastraal bekend [perceelnummer 1] Brielle, specifieke locatie [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] Brielle.


1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris, vergezeld door [persoon A] en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [persoon B] (directeur). Eiseres was niet aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Toepasselijk recht

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 mei 2021. Dat betekent dat het omgevingsrecht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing is, waaronder de Wabo.


Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Vergunninghoudster exploiteert de inrichting “Aardwarmte Vierpolders” voor het winnen van aardwarmte uit een reservoir met watervoerende zandsteenlagen op ongeveer twee kilometer diepte. Met een productieput wordt heet water gewonnen dat door warmtewisselaars wordt geleid. De warmte wordt gebruikt voor de glastuinbouw. Het afgekoelde water wordt met een injectieput weer in het reservoir gebracht.

5. De inrichting is een type C-inrichting als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op 6 maart 2012 is aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend tot oprichting van de inrichting “Aardwarmte Vierpolders”. Met de besluiten van 31 augustus 2016 en 13 december 2017 zijn nog twee omgevingsvergunningen verleend tot aanpassing van de inrichting. Aan vergunninghoudster is reeds een maximale productiecapaciteit van 350 m3/uur vergund.

6. Sinds 2020 is er sprake van een langzaam afnemende productie van aardwarmte en verminderde injectie capaciteit van het terug te voeren water. Deze verminderde productiecapaciteit is ontstaan als gevolg van een verstopping door verzanding van de instroomfilters van de productieput en afzetting op de filters van de injectieput.



6.1.
Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend voor het uitvoeren van twee sidetrack boringen op de inrichting met als doel om de aardwarmte productie en injectie weer terug te brengen op het maximale vergunde niveau. Sidetracks zijn aftakkingen aan de onderkant van de putten. Door deze sidetracks kan een put met een verzand uiteinde weer optimaal gebruikt worden, zonder een volledig nieuwe put te hoeven boren. De aanvraag betreft niet het verhogen van de capaciteit of de andere activiteiten zoals die nu vergund zijn.

7. Met het bestreden besluit heeft het college hiervoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend.

8. Eiseres woont aan de [adres 2] in [plaats] .


Toetsingskader

9. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Belanghebbende

10. Vergunninghoudster heeft op zitting betoogt dat eiseres geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe voert vergunninghoudster aan dat eiseres geen gevolgen van enige betekenis ondervindt met betrekking tot de injectieput. De boring van de productieput, die op circa 300 meter afstand van de woning van eiseres is gelegen, heeft reeds plaatsgevonden. De boring van de injectieput heeft nog niet plaatsgevonden, maar deze zal op 1,9 kilometer van de woning van eiseres plaatsvinden. Bovendien wordt er van de woning van eiseres af geboord. Eiseres woning is ook niet gelegen in de contour voor het plaatsgebonden risico.



10.1.
In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. In artikel 7:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende, alvorens beroep in te stellen, bezwaar moet maken. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

12. Anders dan vergunninghoudster betoogt is voor de vraag of eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de beoordeling van het bestreden besluit niet van belang of al gevolg is gegeven aan de verleende omgevingsvergunning. Op zitting is vastgesteld dat de woning van eiseres op respectievelijk circa 300 meter en circa 2 kilometer afstand van de boringen is gelegen. Gelet op deze afstanden en op de aard en de omvang van de inrichting is het aannemelijk dat ter plaatse van de woning van eiseres milieugevolgen ten gevolge van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting kunnen worden ondervonden. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiseres belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat het college eiseres dan ook terecht als zodanig heeft aangemerkt.

13. Het betoog slaagt niet.


Bevoegdheid

14. Eiseres betoogt dat de staatssecretaris niet bevoegd is, omdat enige jaren geleden de Vereniging [naam vereniging] beroep heeft aangetekend tegen de toen verleende omgevingsvergunning door de gemeente Brielle.

15. Naar aanleiding van wat op de zitting is besproken, is allereerst gebleken dat de procedure waar eiseres op doelt betrekking had op de wijziging van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Dat betrof dus een hele andere kwestie die in onderhavige kwestie niet van belang is. Op grond van artikel 3.3, vierde lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht is de staatssecretaris als portefeuillehouder bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op een inrichting die in hoofdzaak een mijnbouwwerk is. Dit betekent dat de staatssecretaris bevoegd is om het besluit te nemen.

16. Het betoog slaagt niet.


Bevingen

17. Eiseres betoogt dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met bevingen door het ontstaan van de boringen. Daartoe voert eiseres aan dat het niet voor het eerst is dat de productie- en injectieput vervuild zijn geraakt. De twee nieuwe sidetracks zullen volgens eiseres op een gegeven moment dezelfde defecten gaan vertonen. Dit gevoegd bij een tijdsduur van 35 jaar van de winningsvergunning betekent dat de diepe ondergrond na beëindiging van de aardwarmtewinning een gatenkaas is geworden. Over de gevolgen hiervan is weinig bekend. Eiseres heeft er in dit verband verder op gewezen dat in de nabijheid van het project Vierpolders nog een aardwarmteproject gaande is waar ook een sidetrack gerealiseerd wordt. Het dorp [plaats] , waar eiseres woont, ligt tussen de twee injectieputten in met alle mogelijke gevolgen van dien.

18. In dit geval gaat het om een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Een omgevingsvergunning voor die activiteit kan op grond van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo alleen worden geweigerd als dat in het belang van de bescherming van het milieu is. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is.

19. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat wat eiseres aanvoert al is beoordeeld in het kader van het besluit tot instemming met het winningsplan van 24 juni 2021 waarbij de minister van Economische Zaken en Klimaat heeft ingestemd met het winningsplan “Aardwarmte Vierpolders”. De minister heeft op basis van de adviezen van de wettelijk adviseurs geconcludeerd dat de gevolgen van de aardwarmtewinning in Vierpolders zeer beperkt zijn. Daarbij is ook gekeken naar de eventuele cumulatie met het aardwarmteproject in Oostvoorne en op basis van onderzoek van TNO-AGE is geconstateerd dat er geen sprake is van cumulatieve effecten. De staatssecretaris heeft verder verwezen naar het besluit van 7 april 2022 waarbij is ingestemd met de actualisatie van het winningsplan in verband met het boren van de twee sidetracks. Met onderhavig plan wordt het gebruik van die twee sidetracks mogelijk gemaakt. Het winningsplan is het eerste winningsplan voor deze locatie en heeft een geplande productie tot en met 31 december 2052. Met de uitspraak van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2556, heeft de Afdeling het beroep van eiseres tegen het instemmingsbesluit van 7 april 2022 ongegrond verklaard.

20. De rechtbank stelt vast dat in die uitspraak op grond van een beroep van eiseres in het kader van het winningsplan onder meer is beoordeeld wat de effecten van de boringen zijn op de bodembeweging en de risico’s die de winning met zich brengt. In de overwegingen 4 en 5 van die uitspraak is de Afdeling ingegaan op bodemdaling en bodemtrilling. Daarbij is ingegaan op wat de minister naar voren heeft gebracht, zoals hier door de staatsecretaris aangehaald. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat wat eiseres heeft aangevoerd reeds in het kader van de beoordeling van het winningsplan aan de orde is gekomen.

21. De rechtbank oordeelt verder dat de staatssecretaris op basis van de geldende regelgeving en de verstrekte adviezen een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor het boren van de twee sidetracks. Eiseres heeft geen argumenten naar voren gebracht, die tot een ander oordeel zou moeten leiden. De omstandigheid dat er in de toekomst wellicht opnieuw een aanvraag zal worden gedaan voor een omgevingsvergunning voor het boren van een sidetrack speelt geen rol in de beoordeling van deze aanvraag. Een eventuele nieuwe aanvraag zal op zijn eigen merites worden beoordeeld.

22. Het betoog slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht




Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
[…].



Artikel 7:1
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken […].



Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.


Wet algemene bepalingen omgevingsrecht




Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…],
1°.het oprichten,
2°.het veranderen of veranderen van de werking of
3°.het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,
[…].



Artikel 2.14
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;
2°.de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;
3°. de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
4°. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;
5°. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
6°. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;
houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:
1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;
2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;
3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;
neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:
1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;
2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;
3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;
4°. de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;
en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.
2. Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.
3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.
5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting of mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.
7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.


Besluit omgevingsrecht




Artikel 3.3. Inrichting en mijnbouwwerk
[…].
4. Onze Minister van Economische Zaken is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op:


een inrichting die in hoofdzaak een mijnbouwwerk is, en


mijnbouwwerken, niet zijnde inrichtingen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:254.
Link naar deze uitspraak