Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:11919 
 
Datum uitspraak:08-09-2026
Datum gepubliceerd:15-09-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 26/3605
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Verzoek om voorlopige voorziening in verband met een verleende omgevingsvergunning voor het kappen van een productiebos. Spoedeisend belang. Belangenafweging. Openheid van het landschap. Onzekere toekomstige gebeurtenis. Belang van de dieren. Naar voorlopig oordeel geen twijfel over de rechtmatigheid van de vergunning. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
bestemmingsplan
gewassen
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3605

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 in de zaak tussen



[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster,

en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad
(gemachtigde: mr. Y. Kliphuis).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] B.V., uit [plaats 2] (vergunninghouder).




Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de op 10 juli 2026 verleende omgevingsvergunning voor het kappen van een productiebos op de locatie tussen [locatie] in [plaats 1] . Het verzoek strekt tot schorsing van de omgevingsvergunning totdat de rechtbank op het daartegen ingestelde beroep heeft beslist.



1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster met haar echtgenoot [naam 1] ; [naam 2] en [naam 3] namens het college met de gemachtigde van het college; en [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] namens vergunninghouder.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.


Waar gaat deze zaak over?



3.1.
Op 23 december 2024 heeft het college een aanvraag ontvangen van vergunninghouder om een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels van het Omgevingsplan voor het realiseren van een zonnepark inclusief batterijopslag en een omgevingsvergunning voor het kappen van een productiebos op de locatie tussen [locatie] in [plaats 1] .



3.2.
Op 26 september 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunningen geweigerd. Vergunninghouder heeft op 6 november 2025 bezwaar gemaakt tegen dat besluit.



3.3.
Bij het bestreden besluit van 10 juli 2026 verklaart het college de bezwaren tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het in afwijking van het Omgevingsplan realiseren van een zonnepark ongegrond. Het college laat het besluit van 26 september 2025 voor zover het ziet op het realiseren van een zonnepark in stand. Het college verklaart de bezwaren tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor het kappen van een productiebos gegrond en herroept het besluit van 26 september 2025 voor zover dit ziet op het kappen van een productiebos. Bij het besluit van 10 juli 2026 verleent het college alsnog de gevraagde omgevingsvergunning voor het kappen van een productiebos. Dit besluit is op 14 juli 2026 gepubliceerd in het Gemeenteblad.



3.4.
Verzoekster is het niet eens met het besluit van 10 juli 2026 en dient op 16 juli 2026 beroep in en verzoekt gelijktijdig om het treffen van een voorlopige voorziening.


Kortsluiten


4. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bevoegdheid om in de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening ook direct op het beroep van verzoekster te beslissen. Van deze bevoegdheid zal de voorzieningenrechter in dit geval geen gebruik maken. Naast het beroep van verzoekster zijn ook nog andere beroepen – onder andere van vergunninghouder – tegen het hier bestreden besluit bij de rechtbank aanhangig. Deze beroepen stonden niet op de zitting van 25 augustus 2026 geagendeerd, aangezien de indieners daarvan niet hebben verzocht om een voorlopige voorziening.


Beoordelingskader


5. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van vergunninghouder die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekster en de reacties van het college en vergunninghouder als volgt af. Daarbij betrekt hij de vraag of het beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft.


Spoedeisend belang

6. Een voorlopige voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.



6.1.
Vergunninghouder heeft aangegeven bereid te zijn te wachten met kappen, maar niet langer dan tot 30 september 2026. Vast staat dat verzoekster daarmee een spoedeisend belang heeft.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging




7.1.
Tussen partijen bestaat geen discussie over het feit dat het hier een productiebos betreft. Het college heeft in zijn belangenafweging betrokken dat het productiebos (uiteindelijk) weer zou verdwijnen. Een productiebos zal naar zijn aard worden gerooid bij het bereiken van de maximale groeicapaciteit van de bomen ten behoeve van de houtproductie. Vergunninghouder heeft aangegeven de gronden agrarisch te willen gebruiken als daar geen zonnepark kan worden gerealiseerd. Dat is in overeenstemming met het Bestemmingsplan Landelijk Gebied Assendelft , dat onderdeel is van het Omgevingsplan. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder de productiegerichte akkerbouw. Onder ‘akkerbouw’ verstaat het bestemmingsplan de teelt van gewassen op open grond, met uitzondering van bosbouw. Bosbouw is op het perceel dus planologisch expliciet uitgesloten. Bovendien zal het verwijderen van het productiebos de openheid van het landschap ten goede komen. Dat grote waarde aan het belang van openheid moet worden gehecht, volgt uit de regels van het bestemmingsplan, de provinciale omgevingsverordening en diverse planologische beleidsdocumenten, aldus het college.



7.2.
Het voornaamste punt van verzoekster is de angst dat met de kap van het productiebos de weg wordt opengezet voor (het realiseren van) een zonnepark. De voorzieningenrechter overweegt dat dit twee losstaande zaken zijn. De omgevingsvergunning voor een zonnepark is door het college immers geweigerd. Mogelijkheden voor het realiseren van een zonnepark hebben dan ook geen rol gespeeld bij de door het college gemaakte afweging bij de omgevingsvergunning voor het kappen van het productiebos. Er is geen direct verband tussen de kap en een eventueel zonnepark. Verzoekster gaat uit van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Een zonnepark ter plaatse is niet toegestaan door het verlenen van de door haar bestreden omgevingsvergunning. Hetgeen verzoekster over een zonnepark heeft aangevoerd, vormt dan ook geen reden om de omgevingsvergunning voor de kap onrechtmatig te achten. Verzoekster kan haar bezwaren tegen een zonnepark als belanghebbende naar voren brengen in een procedure die over een omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonnepark wordt gevoerd.



7.3.
Het tweede punt dat verzoekster maakt is het belang van de dieren. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat er geen voorschriften of maatregelen in deze vergunning zijn opgenomen om die belangen te beschermen. De voorzieningenrechter overweegt dat dit ook geen reden is om de omgevingsvergunning voor de kap onrechtmatig te achten. Het college heeft er immers terecht op gewezen dat de belangen van de betrokken dieren reeds zijn gediend met de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit die gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland met het oog op de kap hebben verleend. Met deze vergunning is toestemming verleend voor het opzettelijk beschadigen, vernielen of wegnemen van nesten, rustplaatsen en voortplantingsplaatsen van bepaalde diersoorten, waarbij diverse voorschriften in acht moeten worden genomen. Deze vergunning staat in rechte vast. Dat er in de uiteindelijke kapvergunning niets staat opgenomen over de belangen van dieren, neemt niet weg dat vergunninghouder zich bij het uitvoeren van de kapvergunning aan de voorschriften uit de provinciale vergunning dient te houden.


7.4.
Verzoekster heeft verder niet geconcretiseerd waarom de door het college gemaakte afweging bij de kapvergunning onredelijk zou zijn. Daarnaast neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat vergunninghouder belang heeft bij spoedige uitvoering van de kapvergunning. Vergunninghouder moet immers bij de uitvoering van de kapvergunning rekening houden met het broedseizoen. Bovendien heeft de provinciale flora- en faunavergunning, die voor de uitvoering van de kapvergunning noodzakelijk is, een beperkte geldigheidsduur, namelijk tot en met 31 december 2026.



7.5.
Uit het voorgaande volgt dat, naar voorlopig oordeel, wat verzoekster aanvoert geen twijfel oproept over de rechtmatigheid van de vergunning. Gelet hierop, dient het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening – dus het schorsen van de kapvergunning – naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te prevaleren boven het belang van vergunninghouder bij het uitvoering geven aan de kapvergunning en is er dus geen reden om deze te schorsen.




Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en de uitvoering van de kapvergunning doorgang mag vinden.


8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst, krijgt verzoekster het door haar betaalde griffierecht niet terug en bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht.


Artikel 3.1. van de planregels.


Artikel 1.13 van de planregels.
Link naar deze uitspraak