Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:26294 
 
Datum uitspraak:01-05-2026
Datum gepubliceerd:21-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/5665
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Handhaving. Vaste gedragslijn. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
bestemmingsplan
buitengebied
geluidhinder
mestopslag
meststoffen
omgevingsvergunning
paarden
perceel
stallen
wabo
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/5665

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. H. Kremers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk,
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen een last onder dwangsom tot het beëindigen en beëindigd houden van een aantal overtredingen op zijn perceel waar volgens het college sprake van is. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op juiste gronden een last onder dwangsom heeft opgelegd. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. In het primaire besluit van 18 augustus 2022 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de artikelen 2.1, eerste lid, onder en aanhef c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 24 van het bestemmingsplan “Buitengebied 2015” op het perceel aan de [adres] in [plaats].


2.1.
Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 heeft het college, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.



2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Enkele jaren terug is eiser eigenaar geworden van het perceel aan de [adres] in [plaats] (hierna: het perceel). Naar aanleiding van een handhavingsverzoek zijn controles door toezichthouders uitgevoerd op het perceel. De bevindingen zijn vastgelegd in rapporten van 28 februari 2022 en 13 april 2022.

4. Naar aanleiding van de bevindingen in de controlerapporten heeft het college eiser een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat eiser de overtredingen van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c en e, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 20 en 24 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’ binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na de verzenddatum van het primaire besluit, dient te beëindigen en vervolgens beëindigd moet houden. Aan de last kan worden voldaan door:


het bedrijfsmatig gebruik van het perceel en de daarop behorende bouwwerken voor manege- en of paardenstallingsdoeleinden te staken en gestaakt te houden;


de mestopslag ten behoeve van bedrijfsmatig gebruik voor manege- en/of paardenstallingsdoeleinden te verwijderen en verwijderd te houden.




4.1.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 17 november 2022 heeft de voorzieningenrechter de last geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar (ECLI:NL:RBDHA:2022:12687).



4.2.
In het bestreden besluit heeft het college - onder aanvulling van de motivering van het primaire besluit - het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van bedrijfsmatig gebruik van het perceel, omdat van de in totaal zeven paardenboxen zes worden verhuurd, hetgeen ruimtelijke effecten op de omgeving met zich meebrengt. In dit kader heeft het college verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF3526, waarin het houden van vijf paarden in zeven paardenboxen eveneens als bedrijfsmatig is aangemerkt. Het gebruik van de stallen en het gebruik van de paardenbak door de huurders van die stallen zorgen voor ruimtelijk relevante gevolgen voor de omgeving, aldus het college.



4.3.
Op 17 juni 2024 heeft het college eiser bericht de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de uitspraak op het beroep.




Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht Omgevingswet

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Nu het verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft in dit geval de Wabo van toepassing.


5.1.
Op het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’, met – voor zover hier van belang – de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’.



5.2.
De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


Is er sprake van een overtreding?



Bedrijfsmatig gebruik

6. Eiser voert aan dat geen sprake is van een overtreding, omdat geen sprake is van bedrijfsmatig, maar van hobbymatig gebruik. Volgens eiser is een paardenbak van 800 m2 toegestaan en mogen kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden op het perceel. Verder stelt eiser dat geen lessen worden gegeven.



6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van bedrijfsmatig gebruik en verwijst hiervoor naar hetgeen uit de constateringsrapporten blijkt.



6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het standpunt mogen innemen dat sprake is van bedrijfsmatig gebruik van de gronden. Uit de onderzoeksrapporten en hetgeen door eiser is verklaard, blijkt dat eiser zes van de zeven paardenboxen verhuurt aan derden en dat eiser zelf geen paarden heeft. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij een vergoeding van circa € 300,- per paardenbox per maand ontvangt. Met die vergoeding zorgt eiser onder andere voor nutsvoorzieningen, zoals water en elektriciteit, maar ook voor voer en voor vlas in de boxen. Verder heeft eiser verklaard dat deze vergoeding marktconform is en dat hij ongeveer € 150,- per paardenbox per maand over houdt. Alleen al vanwege deze omstandigheden kan niet worden gesproken van hobbymatig gebruik. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1011, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan eiser betoogt volgt uit die uitspraak niet dat het onderscheid tussen eigen paarden en paarden van derden niet relevant is, maar alleen dat gebruik van een perceel door een derde niet meteen maakt dat sprake is van bedrijfsmatig gebruik dat niet past bij een woonbestemming. Uiteindelijk zijn de ruimtelijke gevolgen van het gebruik bepalend. In het bestreden besluit heeft het college op dit punt toegelicht dat gebruik door derden andere ruimtelijke effecten op de omgeving heeft dan eigen gebruik, zoals toename van verkeer, parkeren op het perceel en geur- en geluidhinder. Dit uitgangspunt acht de rechtbank niet onjuist.
Voor zover eiser betoogt dat het gebruik van de boxen valt onder een aan-huis-gebonden beroep dan wel onder kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan, merkt de rechtbank op dat de bestemming ‘Wonen’ weliswaar kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toestaat, maar op grond van artikel 1.66 van het plan gaat het daarbij om activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend. Alleen al omdat het bedrijfsmatig houden van paarden niet in de woning wordt uitgeoefend, is van toegestane kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen sprake. Om de zelfde reden kan niet worden gesproken van een op grond van de bestemming toegestaan aan-huis-gebonden beroep. Binnen de bestemming ‘Tuin’ zijn kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep überhaupt niet toegestaan.


Overgangsrecht

7. Eiser voert verder aan dat de vorige eigenaar jarenlang de paardenboxen heeft verhuurd en dat het huidige gebruik daarom binnen het overgangsrecht valt.



7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bedrijfsmatig gebruik van de gronden ook onder het oude bestemmingsplan niet was toegestaan, waardoor het overgangsrecht niet van toepassing is.



7.2.
Op grond van artikel 41.2, onder d, van het bestemmingsplan mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan worden voortgezet indien het gebruik niet in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan. Uit vaste rechtspraak volgt dat in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht rust om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het huidige gebruik van de grond en de stallen in overeenstemming is met het gebruik zoals dat plaatsvond vlak voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, en dat dat gebruik op grond van het vorige plan was toegestaan, wat het college uitdrukkelijk heeft betwist.


Vaste gedragslijn

8. Eiser voert aan dat het college niet heeft aangetoond dat in zijn geval toepassing wordt gegeven aan een vaste gedragslijn met betrekking tot handhaving. Volgens eiser dient het college bij het verwijzen naar een vaste gedragslijn bij ieder individueel besluit opnieuw te motiveren waarom bij die gedragslijn wordt aangesloten.



8.1.
In het advies van de Regionale commissie bezwaarschriften dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt staat dat het college op de hoorzitting heeft gezegd dat een vaste gedragslijn wordt gehanteerd, waar het gaat om het aantal eigen paarden dan wel paarden van derden dat nog als hobbymatig wordt beschouwd. Het houden van vier à vijf eigen paarden zou volgens die gedragslijn worden gezien als hobbymatig, en het houden van paarden van derden wordt doorgaans als bedrijfsmatig gezien. De commissie gaf in haar advies het college in overweging nader in te gaan op dit onderscheid. In het bestreden besluit staat vervolgens dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of het houden van paarden wel of niet bedrijfsmatig is, en dat in het geval van eiser het gebruik bedrijfsmatig wordt gevonden omdat van de zeven paardenboxen er zes worden verhuurd. Over een vaste gedragslijn wordt in het bestreden besluit niet gesproken. Ter zitting bij de rechtbank heeft het college desgevraagd toegelicht dat het onderscheid tussen bedrijfsmatig en hobbymatig houden van paarden niet eerder op deze manier bij andere situaties is toegepast. Dat betekent dat niet kan worden gesproken van een vaste gedragslijn die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank evenwel van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het houden van zes paarden (van derden) in dit geval niet meer hobbymatig is, maar bedrijfsmatig.


Mestopslag

9. Eiser betoogt dat de last ten onrechte ook strekt tot verwijdering van de mestopslag op het terrein. Die is toegestaan op grond van het overgangsrecht van artikel 3.46, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.



9.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de mestopslag al aanwezig was voor 1 januari 2013, en dat de opslag daarmee in principe onder het overgangsrecht valt dat is vastgelegd in artikel 3.46, tweede lid, van het Activiteitenbesluit. Dat neemt echter niet weg dat de mestopslag in strijd is met het bestemmingsplan. Noch de bestemming ‘Wonen’, noch de bestemming ‘Tuin’ staan immers een mestopslag zoals waar het hier om gaat, ten behoeve van een bedrijfsmatige paardenhouderij, toe. De last kon dus ook betrekking hebben op het verwijderen van de mestopslag. Overigens heeft het college ter zitting bevestigd dat de mestopslag in principe zou mogen blijven staan als het gebruik van het perceel zodanig wordt aangepast dat het niet meer als bedrijfsmatig kan worden aangemerkt, en heeft eiser ter zitting gezegd met de buren te willen overleggen of verplaatsing van de opslag mogelijk is.


Tussenconclusie

10. Het voorgaande betekent dat sprake was van een overtreding.


Beginselplicht tot handhaving

11. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.


Evenredigheid

12. Eiser voert aan dat handhaving in dit geval onevenredig is. Volgens hem is de overtreding van geringe aard, waardoor handhaving in deze bijzondere omstandigheid onevenredig is.



12.1.
De rechtbank is van oordeel dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, omdat niet gesproken kan worden van overtredingen van geringe aard. Het is aannemelijk dat het gebruik van de boxen en de paardenbak door derden en van de mestopslag zorgt voor ruimtelijk relevante gevolgen voor de omgeving van enige betekenis, zoals toename van verkeer richting het perceel, parkeren op het perceel en extra geur- en geluidhinder door meer paarden en meer personen op het perceel. Van een geringe overtreding is daarom geen sprake.





Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE


Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)


Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

inrichting: inrichting, behorende tot een categorie die is aangewezen krachten het derde lid;
(…)
Bij of krachten algemene maatregel van bestuur worden categorieën inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing die de inrichting voor het milieu kunnen veroorzaken. (…).

Artikel 2.1
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. (…)
b. (…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, (…)
d. (…)
e.
1. Het oprichten,
2. Het veranderen of veranderen van de werking of
3. Het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,

Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
i. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
ii. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
iii. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat


Het Besluit omgevingsrecht (Bor)


Onderdeel C
Categorie 7

7.1.
Inrichtingen voor:
a. het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van dierlijke of overige organische meststoffen;
b. het vervaardigen, bewerken, opslaan of overslaan van anorganische nitraathoudende meststoffen.



7.2.
Voor de toepassing van onderdeel 7.1, onder a, blijft buiten beschouwing het opslaan van 10 m3 of minder dierlijke of andere organische vaste meststoffen.
(…)

Categorie 8


8.1.
Inrichtingen voor:
a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;
(…)


Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’


Op grond van artikel 20 van het bestemmingsplan behorende bij de enkelbestemming ‘Tuin’ zijn deze gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en is ten hoogste één onoverdekte paardenbak per woning toegestaan met een maximaal oppervlak van 800 m2.

Op grond van artikel 24 van het bestemmingsplan behorende bij de enkelbestemming ‘Wonen’ zijn deze gronden bestemd voor wonen, daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, waarbij de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 50 m2 mag bedragen. Tevens is ten hoogste één onoverdekte paardenbak per woning toegestaan, met dien verstande dat:
- de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 800 m2;
- de afstand tot woningen van derden niet minder dan 25 m mag bedragen;
- lichtmasten niet zijn toegestaan.




Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingsrecht.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:167, r.o. 4.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
Link naar deze uitspraak