Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:6779 
 
Datum uitspraak:21-09-2026
Datum gepubliceerd:21-09-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:26/871T 26/874 26/879 26/880 26/881 26/883 en 26/894
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Tussenuitspraak over de omgevingsvergunning voor het vestigen van een tijdelijk AZC aan de Boekelsedijk in Uden. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om een gebrek in de doelomschrijving van het beoogde gebruik in de omgevingsvergunning te herstellen. Verder dient het college in het herstelbesluit nader te onderbouwen of de verkeersveiligheid op de Boekelsedijk in gevaar komt als gevolg van dit beschreven beoogde gebruik. De rechtbank zal de overige beroepsgronden behandelen in de einduitspraak
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 26/871T, SHE 26/874, SHE 26/879, SHE 26/880, SHE 26/881, SHE 26/883, en SHE 26/894


tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2026 in de zaak tussen



1. [naam]uit [woonplaats] , 26/871.
(gemachtigde: mr. M. Godderij),

2. [naam]uit [woonplaats] , 26/874

3. [naam]uit [woonplaats] , 26/879

4. [namen]uit [woonplaats] en [woonplaats] , 26/880
(gemachtigde mr. R.H.U. Keizer)
5. [naam], uit [woonplaats] , 26/881
(gemachtigde: mr. M. Godderij),

6. [naam]uit [woonplaats] , 26/883

7. [naam] .uit [woonplaats] , 26/894
(gemachtigde mr. A.A.M. van Hoorn)

tezamen te noemen: eisers

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maashorst, het college
(gemachtigden: mr. L.J. Gerritsen en mr. F.A.J. Steenbakkers).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

1. Centraal Orgaan opvang asielzoekersuit Den Haag, het COA
(gemachtigden: mr. L.A. van Els en [naam] )

2. de raad van de gemeente Maashorstde gemeenteraad
(gemachtigden: mr. L.J. Gerritsen en mr. F.A.J. Steenbakkers).


Samenvatting

Eisers zijn het niet eens met de aan het COA verleende omgevingsvergunning voor het vestigen van een tijdelijk AZC aan de Boekelsedijk in Uden. In deze tussenuitspraak geeft de rechtbank het college de gelegenheid om een gebrek in de doelomschrijving van het beoogde gebruik in de omgevingsvergunning te herstellen. Dit gebrek kan ook gevolgen hebben voor de beoordeling van de geschiktheid van de locatie en de verkeersveiligheid op de Boekelsedijk. Daarnaast vertoont de omgevingsvergunning gebreken. Ook hier biedt de rechtbank het college een herstelmogelijkheid. De rechtbank zal de overige beroepsgronden behandelen in de einduitspraak.



Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 10 februari 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.


1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.



1.2.
Eisers 1, 4 en 5 hebben de voorzieningenrechter verzocht de omgevingsvergunning te schorsen. Bij uitspraak van 19 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eisers 4 afgewezen. De voorzieningenrechter heeft nog niet op de overige verzoeken van eisers 1 en 5 beslist. Deze voorlopige voorzieningen zijn geregistreerd onder zaaknummers SHE 26/1454 en SHE 26/1455. Een achtste beroep, geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/898, is daags voor de zitting ingetrokken.



1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 september 2026 op zitting behandeld. Ook de verzoeken om voorlopige voorziening zijn behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen:


eisers 1, 5, en 6 alsmede een deel van eisers 4,


de gemachtigden van eisers 1, 5 en 4,


de gemachtigden van het college, alsmede [naam] ,


de gemachtigden van het COA, vergezeld van [naam] ,


de gemachtigden van de gemeenteraad,


Eisers 2, 3 en 7 zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.






Beoordeling door de rechtbank


Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:
 Op 31 oktober 2025 heeft het COA een aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijk AZC voor maximaal 300 personen voor de periode van maximaal 10 jaar aan de Boekelsedijk in Uden (hierna: de locatie).
 Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Maashorst (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Woongebieden” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Agrarisch” en de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – champignonkwekerij” toegekend. De omgevingsvergunning is aangevraagd, omdat het tijdelijk AZC in strijd is met het omgevingsplan.
 De locatie is in eigendom van de gemeente Maashorst.
 In 2021 is een ontwerpbestemmingsplan “Boekelsedijk Uden Red Sox” ter inzage gelegd. Er is geen besluit genomen om dit bestemmingsplan vast te stellen.
 Het college heeft de omgevingsvergunning voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning heeft van 8 november 2025 tot en met 19 december 2025 voor zes weken ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbesluit zijn 207 zienswijzen ingekomen. Eisers 1 t/m 3, een deel van eisers 4 en eisers 5 t/m 7 hebben zienswijzen ingediend.
 De gemeenteraad heeft bij besluit van 5 februari 2026 op grond van artikel 16.15a onder b, van de Omgevingswet en artikel 4.21, eerste lid, van het Omgevingsbesluit een positief advies gegeven.
 Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke opvanglocatie voor maximaal 300 asielzoekers verleend op de locatie.
 Daarna is op 10 april 2026 ook een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit verleend. Hiertegen zijn geen beroepen ingediend.
 In de directe omgeving van de locatie ligt een aantal sportvelden van sportverenigingen waar enkele eisers (of hun kinderen) lid van zijn. Direct ten oosten van de locatie ligt een bedrijventerrein. Op korte afstand ten westen van de locatie ligt een restaurant op een perceel dat eigendom is van eiseres 7. Tussen deze percelen en de locatie ligt een braakliggend terrein, waarop mogelijk in de toekomst ongeveer 200 wooneenheden worden gerealiseerd voor spoedzoekers (mensen die snel een woning nodig hebben). Hiervoor is nog geen omgevingsvergunning aangevraagd. Ten westen van de locatie (op circa 400 meter hemelsbreed) ligt een woonwijk waar enkele eisers wonen en waar ook een supermarkt ligt. Direct ten zuiden van de locatie loopt een provinciale weg, de N264, en daarachter ligt ook een woonwijk (op circa 100 meter hemelsbreed) waar een aantal eisers woont. De Boekelsedijk gaat via een fietstunnel onder de N264 door.
 Het AZC zal voor haar stroomvoorziening tijdelijk zijn aangewezen op een noodoplossing. In de directe nabijheid van de locatie aan de Boekelsedijk wordt daarvoor een biogasinstallatie gerealiseerd met behulp waarvan biogas de benodigde stroom voor het AZC zal worden opgewekt. Voor de bouw en het gebruik van deze installatie is een aparte omgevingsvergunning aangevraagd en inmiddels verleend. Die omgevingsvergunning maakt geen onderdeel uit van deze beroepsprocedure.
 De Boekelsedijk wordt heringericht als fietsstraat. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd vóór de ingebruikname van het AZC.


Beschrijving van het bestreden besluit

3. Het bestreden besluit is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de omgevingsplanactiviteiten bouwen en het afwijken van de regels uit het omgevingsplan (de buitenplanse omgevingsplanactiviteit; hierna: Bopa). In de omgevingsvergunning heeft het college aangegeven dat de locatie ligt op de percelen kadastraal bekend als [nummer] en gedeeltelijk [nummer] . De omgevingsvergunning is verleend voor een tijdelijke periode, namelijk 10 jaar na de datum waarop de eerste asielzoeker ter plekke wordt opgevangen. Na het verstrijken van deze periode mag de locatie niet meer worden gebruikt voor de opvang van asielzoekers.


3.1.
Ten behoeve van deze omgevingsvergunning heeft de gemeenteraad van Maashorst het volgende besluit genomen: “Een positief advies af te geven voor de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van de realisatie van een tijdelijk asielzoekerscentrum op het perceel Boekelsedijk ongenummerd.”



3.2.
Aan de omgevingsvergunning zijn bijlagen gehecht die volgens de omgevingsvergunning horen bij het besluit. Dit zijn onder meer:


Nota van zienswijzen;


Veiligheids- en omgevingsplan Maashorst Boekelsedijk, 23-01-2026;


Tekening NT-2000 plankaart 05-11-2025;


Raadsbesluit advies gemeenteraad;


Enkele aanvullingen van de aanvraag.



Ter informatie zijn een participatiememo en een mobiliteitsplan aan de omgevingsvergunning gehecht.



3.3.
Verder zijn aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden. Dat zijn onder meer:


Voorschrift 3 met de verplichting dat de maatregelen en verantwoordelijkheden als genoemd in het veiligheids- en omgevingsplan door het COA moeten worden nageleefd en uitgevoerd voor zover ze betrekking hebben op de vergunninghouder, gevolgd door een opsomming van de punten die voor rekening van vergunninghouder komen. Hierbij wordt onder meer genoemd de verplichting om zorg te dragen voor 24/7 beveiliging, bereikbaarheid en bemensing van de receptie van de opvanglocatie, voldoende BHV-bezetting, voldoende opgeleid personeel en het kenbaar maken van de huisregels. Verder gaat het om het toezien op de gedragsregel dat het tussen 22:00 en 8:00 uur rustig moet zijn op het terrein en de inspanningsverplichting om overlast buiten de opvanglocatie te voorkomen en eventuele overlast aan te pakken. De verplichting om zorg te dragen voor het inrichten van een omwonendenoverleg is ook genoemd.


Voorschrift 4 bepaalt dat de locatie geen aanmeldstraat (voor het aanmelden van asielzoekers) mag worden en dat de locatie mag worden gebruikt voor maximaal 300 asielzoekers. Verder is hierin de verplichting opgenomen dat het terrein van de locatie wordt omheind door een hek dat is aangegeven op tekening NT-2000 plankaart 05-11-2025, dat de locatie wordt voorzien van een landschappelijke inpassing in het plantseizoen na ingebruikname van de locatie conform die tekening en dat er 38 parkeerplaatsen moeten worden ingericht en in stand moeten worden gehouden conform dezelfde tekening.


Voorschrift 5 bevat een verplichting om het terrein uiterlijk binnen 3 maanden na het aflopen van de tijdelijke asielopvang in de oorspronkelijke staat te herstellen.




Belanghebbendheid

4. Het college betwijfelt of alle eisers in de zaak 26/880 (eisers 4) wel belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat ze op grotere afstand wonen dan wel ten zuiden van de N264 die ter plekke is voorzien van een hoge geluidwal. Het college vraagt zich in dit kader af of alle eisers wel gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden van de locatie.



4.1.
De rechtbank is van oordeel dat alle ingediende beroepen ontvankelijk zijn, omdat alle eisers zienswijzen hebben ingediend (gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021. Weliswaar hebben enkele van eisers 4 geen zienswijzen ingediend, maar het is de rechtbank niet bekend wie dat zijn (het college heeft een geanonimiseerde nota van zienswijzen overgelegd). Daarnaast is het de rechtbank gebleken dat in ieder geval een deel van de eisers meer dan gemiddeld gebruik maakt van de sportvoorzieningen aan de Boekelsedijk en de daaromheen liggende wegen waar ook het AZC gebruik van zal maken. Veel eisers zijn aangewezen op de fietstunnel onder de N264. Enkele eisers wonen op kortere afstand van de locatie. Een groot deel van de eisers 1 tot en met 6 heeft daarom een rechtstreeks betrokken belang dat hem of haar onderscheidt van andere personen. De rechtbank laat daarom in het midden wie dat zijn of niet zijn.


Beoordeling beroepsgronden

5. De rechtbank merkt ambtshalve op dat de kadastrale aanduiding van de locatie in de omgevingsvergunning niet klopt met de kadastrale aanduiding van de landelijke voorziening ‘regels op de kaart’. Dit lijkt een kennelijke verschrijving. Het is de rechtbank en partijen uit de stukken volstrekt duidelijk waar de locatie ligt.



5.1.
Alle eisers trekken de geschiktheid van de locatie voor de opvang van asielzoekers in twijfel. Kort samengevat, vinden zij dat het AZC niet thuishoort in het gebied dat hoofdzakelijk is bedoeld en wordt gebruikt voor sportvoorzieningen. De Boekelsedijk is de enige route om die voorzieningen te bereiken en er gaat een groot aantal fietsers en auto’s over deze weg. Dit leidt nu al soms tot onoverzichtelijke verkeerssituaties. Extra verkeer van en naar het AZC, zowel het verkeer van medewerkers van het COA als het verkeer van degenen die worden opgevangen, zullen voor onveilige situaties zorgen. De omvang van deze verkeerstoename is onvoldoende onderbouwd met het in de onderbouwing gehanteerde rekenmodel. Bij de bouw van het AZC zijn er al onveilige verkeerssituaties geweest. Daarbij komt dan nog het vrachtverkeer in verband met het vullen van de biogasinstallatie dat ook via de Boekelsedijk zal plaatsvinden. Eisers vinden dat ook dit vrachtverkeer had moeten worden betrokken bij de beoordeling van de verkeersveiligheid.



5.2.
In de “Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving” (hierna: de onderbouwing) die ten grondslag is gelegd aan de omgevingsvergunning staat dat er geen goede kencijfers beschikbaar zijn voor de opvanglocatie. Daarom is vanaf 2019 gebruik gemaakt van een rekentool van Witteveen en Bos die is ontwikkeld voor reguliere opvanglocaties. Met deze tool is een toename van 35 auto’s en 70 verkeersbewegingen als gevolg van de komst van het AZC berekend. Het college heeft voor het aspect verkeersveiligheid verwezen naar de onderbouwing. Verder is het college van oordeel dat de normen (een evenwichtige toedeling van functies aan locatie, verder ETFAL) voor wat betreft verkeersveiligheid niet strekken tot de bescherming van de belangen van eisers. Dit gelet op de afstand van hun woningen tot de locatie. Volgens het college zal de toename van het verkeer op de Boekelsedijk niet leiden tot een onaanvaardbare verkeersoverlast. De herinrichting van de Boekelsedijk heeft niet te maken met de komst van het AZC, maar met de toekomstige realisatie van de 200 wooneenheden voor spoedzoekers. Dat verkeer, in combinatie met het bestaande verkeer op de Boekelsedijk, zou kunnen leiden tot onoverzichtelijke situaties. Daarvoor is een herinrichting van de Boekelsedijk noodzakelijk. De maatregelen uit het mobiliteitsplan, waaronder het groot onderhoud aan de Boekelsedijk, zijn volgens het college niet noodzakelijk in het kader van ETFAL. Het college is van mening dat het voor de beoordeling van de verkeersveiligheid de rekentool mocht gebruiken. Deze is opgesteld door een deskundige en is geaccepteerd in de rechtspraak. Ter zitting heeft het college aangegeven dat een norm van één parkeerplaats op tien asielzoekers pleegt te worden aangehouden en dat er nog ruimte is om meer parkeerplaatsen aan te leggen. Verder heeft het college aangegeven dat de tanks van de biogasinstallatie één keer per week aangeleverd en geplaatst moeten worden. Dat leidt tot twee vrachtwagenbewegingen op de Boekelsedijk via de gemeentewerf tussen 10.00 en 15.00 uur. Het college heeft ook aangegeven dat de biogasinstallatie apart is aangevraagd en geen deel uitmaakt van het bestreden besluit.



5.3.
Het COA heeft gesteld dat de locatie vooral is bedoeld voor de opvang van asielzoekers, maar kan desgevraagd niet uitsluiten dat ook statushouders (personen met een verblijfsvergunning) worden opgevangen als zij niet kunnen doorstromen naar passende reguliere woonruimte. Het COA verkeert in de veronderstelling dat de omgevingsvergunning is verleend voor personen die recht hebben op opvang. Statushouders die nog niet zijn doorgestroomd hebben recht op opvang. Het COA meent dat ook zij kunnen worden opgevangen als zij nog geen woning hebben gekregen. Sommige statushouders werken en hebben genoeg geld voor een auto.



5.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de normen inzake verkeersveiligheid in het kader van ETFAL kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers waarvan in ieder geval een deel veelvuldig gebruik maakt van de Boekelsedijk om werk, school of sport- en vrijetijdsvoorziening te bereiken. Bovendien zijn veel eisers aangewezen op de fietstunnel onder de N264. Zij maken dus meer dan gemiddeld gebruik van de wegen en fietspaden rondom het AZC en kunnen een beroep doen op de normen inzake verkeersveiligheid in het kader van ETFAL inzake verkeersveiligheid.



5.5.
De rechtbank stelt vast dat het COA een aanvraag heeft ingediend voor de opvang van 300 personen, zonder deze personen te kwalificeren als asielzoekers of personen die recht hebben op opvang. Ook de onderbouwing rept over de opvang van personen. Het COA merkt terecht op dat zij een vergunning heeft aangevraagd, die het zou moeten toelaten om ook statushouders (mensen die inmiddels een verblijfsvergunning hebben) op te vangen in afwachting van passende reguliere woonruimte. Het college heeft echter een omgevingsvergunning verleend voor asielzoekers. Strikt genomen zijn personen met een verblijfsvergunning geen asielzoekers, want ze hebben al asiel gekregen. De rechtbank beschouwt dit niet als een kennelijke verschrijving. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de term ‘asielzoekers’ breder uit te leggen. Het is aan het college om duidelijk in het bestreden besluit aan te geven waarvoor de vergunning wordt verleend en wat het beoogde gebruik is ten behoeve waarvan wordt afgeweken van het omgevingsplan. Met andere woorden, wat het doel is van de omgevingsvergunning. Deze verduidelijking is van belang, omdat nu onduidelijk is of de vergunning ook het aangevraagde en beoogde gebruik voor opvang van statushouders in afwachting van doorstroming naar passende reguliere woonruimte omvat, of dat het college de vergunning daarvoor heeft geweigerd. Het bestreden besluit is hiermee onvoldoende zorgvuldig geformuleerd. Deze verduidelijking is ook van belang voor het volgende.



5.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat sommige statushouders beschikken over een auto en ook de rechtbank gaat daar van uit. Hoeveel dit er zijn, weet de rechtbank niet. Ook de rekentool van de deskundige biedt geen duidelijkheid. De rekentool van de deskundige van het COA is naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk. Daarom is ook niet inzichtelijk of bekend of bij de berekening van de verkeersgeneratie als gevolg van de komst van het AZC auto’s van statushouders zijn betrokken. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat de rekentool kennelijk al sinds 2019 wordt gehanteerd. Het is de rechtbank niet bekend of destijds meer of minder statushouders verbleven op AZC’s of dat de rekentool nadien is geactualiseerd. Hoewel de rekentool is opgesteld door een deskundige, is het de rechtbank niet bekend welke gegevens zijn gebruikt voor de berekeningen. Daarom kan de rechtbank het aantal verkeersbewegingen niet controleren en niet uitsluiten dat er meer dan 70 verkeersbewegingen van en naar de locatie zullen zijn. De rechtbank kan ook niet inschatten of dit een probleem is voor de verkeersveiligheid op de Boekelsedijk. Het is de taak van het college om hier inzicht in te bieden en hierover een standpunt in te nemen.



5.7.
Ofschoon het college terecht opmerkt dat de omgevingsvergunning voor de biogasinstallatie apart is aangevraagd en is verleend, staat ook vast dat het AZC in de beginfase is aangewezen op de biogasinstallatie, omdat er geen stroomaansluiting beschikbaar is. Het verkeer ten behoeve van de biogasinstallatie is daarmee onlosmakelijk verbonden met het AZC. Als dat vrachtverkeer zal leiden tot een onaanvaardbare verkeersoverlast waardoor de omgevingsvergunning voor de biogasinstallatie niet had kunnen worden verleend en in aanmerking komt voor herroeping of schorsing, heeft het AZC geen stroom en is de omgevingsvergunning voor het AZC onuitvoerbaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college bij zijn beoordeling van ETFAL van het AZC ook het verkeer ten behoeve van de biogasinstallatie had moeten betrekken. De rechtbank kan niet inschatten of dit een probleem is voor de verkeersveiligheid op de Boekelsedijk. Het is de taak van het college om ook hier inzicht in te bieden en hierover een standpunt in te nemen.



5.8.
Gelet op de onduidelijkheid in de omschrijving van het beoogde gebruik en het doel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, ziet de rechtbank nu geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken. Eerst moet het doel duidelijk zijn. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de komst van het AZC niet leidt tot een onaanvaardbare verkeersoverlast.




Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid wat betreft de formulering van het doel (het beoogde gebruik ). Bovendien is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd ten aanzien van het aspect verkeersveiligheid. Het besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb genomen.

7. De rechtbank ziet aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. De gebreken kunnen uitsluitend worden hersteld door het nemen van een herstelbesluit. Daarin dient het beoogde gebruik klip en klaar te worden beschreven, dan wel dient het opvangen van personen met een verblijfstatus te worden beperkt tot een bepaald percentage of anderszins te worden geregeld of geweigerd. Verder dient het college in het herstelbesluit nader te onderbouwen of de verkeersveiligheid op de Boekelsedijk in gevaar komt als gevolg van dit beschreven beoogde gebruik. Daarbij dient het verkeer ten behoeve van de biogasinstallatie te worden betrokken. De rechtbank geeft het college de aanwijzing om een intern of extern advies in te winnen over de verkeersveiligheid op basis van het beoogde, dan wel beperkte gebruik. De rechtbank geeft het college ook de aanwijzing de kadastrale aanduiding van de locatie te corrigeren.


7.1.
De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad een positief advies heeft gegeven voor de realisatie voor een tijdelijk asielzoekerscentrum. Uit dit advies (of de totstandkoming van het advies) blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de gemeenteraad negatief adviseert over het tijdelijk opvangen van personen die een verblijfstatus hebben gekregen maar nog niet kunnen doorstromen naar door gemeenten te organiseren passende woonruimte. Gelet daarop bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid in combinatie met artikel 8:80a, derde lid van de Awb dat bij het nemen van het herstelbesluit afdeling 3.4 van de Awb alsmede paragraaf 16.2.3 van de Omgevingswet buiten toepassing blijven. Dit betekent dat het college géén ontwerpbesluit ter inzage hoeft te leggen en géén advies hoeft te vragen van de gemeenteraad bij wijziging van het bestreden besluit. Omdat het college dan sneller kan beslissen, geeft de rechtbank het college tot uiterlijk 3 oktober 2026 de tijd om het herstelbesluit te nemen.



7.2.
Partijen krijgen daarna vier weken de tijd om schriftelijk te reageren op het herstelbesluit. De rechtbank kan daarna uitspraak doen zonder nadere zitting als zij een zitting niet nodig vindt.



7.3.
De rechtbank streeft ernaar om uiterlijk medio november 2026 einduitspraak te doen. In deze uitspraak zal ook een oordeel worden gegeven over de overige beroepsgronden (die zich automatisch zullen gaan richten tegen het herstelbesluit). Ter zitting heeft het COA aangegeven dat het AZC op zijn vroegst pas medio november 2026 in gebruik zal worden genomen. De rechtbank ziet daarom op dit moment geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting in verband met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummers SHE 26/1454 en SHE 26/1455 is weliswaar op 8 september 2026 gesloten, maar de voorzieningenrechter zal hierin pas uitspraak doen met de uitspraak over de beroepen, tenzij aanleiding bestaat om eerder uitspraak te doen.



7.4.
Het is voor partijen niet mogelijk om nieuwe beroepsgronden in te brengen. De rechtbank zal het inbrengen daarvan in beginsel als in strijd met de goede procesorde beschouwen. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op de beroepen van eisers. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Dat zal zij in de einduitspraak doen.

Beslissing


De rechtbank:



stelt het college in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit tot 3 oktober 2026 te herstellen door met inachtneming van deze uitspraak en de daarin gegeven aanwijzingen een herstelbesluit te nemen;


bepaalt dat bij het nemen van het herstelbesluit afdeling 3.4 van de Awb alsmede paragraaf 16.2.3 van de Omgevingswet buiten toepassing blijven;


houdt iedere verdere beslissing aan.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. V.A. Textor, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.


ECLI:NL:RBOBR:2026:4433.


In artikel 1 van het “Besluit tot aanwijzing bindend adviesrecht gemeenteraad en verplichte participatie” van 22 januari 2026 heeft de gemeenteraad de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het oprichten van een AZC aangewezen als een geval dat voor bindend advies moet worden voorgelegd aan de gemeenteraad.


ECLI:N:RVS:2021:953


Het college verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21656.
Link naar deze uitspraak