|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:4014 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26-2082 en 26-2485 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Last onder dwangsom opgelegd voor ontgraven (egalisatiewerkzaamheden). Wat wordt verstaan onder ontgraven? Geen normaal onderhoud. Overtreding. Ontgraven zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning. Geen concreet zicht op legalisatie. Handhaving niet onevenredig. Hoogte van de dwangsom voldoende onderbouwd aan de hand van een deskundigenrapport. Omschrijving van de herstelmaatregel voor wat betreft herstel in de oorspronkelijke situatie onduidelijk. AHN-gegevens. Strijd met artikel 5:32a van de Awb. Beroep gegrond en schorsing van het primaire besluit. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestuursdwang | | | landbouw | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummers: LEE 26/2082 en 26/2485
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eisers] en [eisers]
[eisers].[eisers]. [eisers] , uit [plaats], eisers,
(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, het college,
(gemachtigde: mr. H. Dekker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om schorsing van de last onder dwangsom die is opgelegd aan eisers in verband met het ontgronden van twee percelen aan de [adres] in [plaats] (de percelen) zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.1.
Bij primair besluit van 11 december 2025 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd in verband met het ontgronden van twee percelen in [plaats] zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij dit besluit gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd de opgelegde last onder dwangsom te schorsen.
1.2.
Het college heeft gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2026 op zitting behandeld. Namens eisers is de vennoot [naam] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,
G. de Vries (jurist vergunningverlening), R. Zijlstra (toezichthouder van de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO)) en J. Wels (toezichthouder van de FUMO).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt de opgelegde last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
2.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep gegrond is. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter aanleiding ziet voor het treffen van een voorlopige voorziening in de beroepszaak (LEE 26/2082), is er geen aanleiding om ook nog een voorziening te treffen in de voorzieningenzaak (LEE 26/2485). Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Op 12 juli 2023 hebben toezichthouders van de FUMO een controle uitgevoerd op twee percelen in [plaats]. De toezichthouders hebben geconstateerd dat daar een ontgrondingsactiviteit was uitgevoerd zonder een geldige omgevingsvergunning. De toezichthouders hebben geconstateerd dat eisers teelaarde hebben afgegraven en aan de kant hebben gelegd. De afgegraven teelaarde hebben eisers vervolgens teruggeplaatst. Hier is sprake geweest van het tijdelijk aan de kant leggen van teelaarde. Daarnaast is er sprake van egaliseren waarbij het perceel deels is verlaagd. Met de vrijkomende grond is een lagergelegen deel van het perceel opgehoogd. De werkzaamheden zijn volgens de toezichthouders uitgevoerd om een egalisatie te realiseren.
4.2.
Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouders is op 23 augustus 2023 een waarschuwingsbrief aan eisers gezonden.
4.3.
Eisers hebben op 20 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een ontgrondingsvergunning voor het breder maken van akkers en kopakkers ten behoeve van graslandvernieuwing op een perceel aan de [adres] te [plaats]. Bij besluit van 30 september 2024 is deze aanvraag afgewezen om planologische redenen.
4.4.
Tijdens een hercontrole op 1 november 2024 heeft een toezichthouder van de FUMO geconstateerd dat de betreffende ontgronding van 12 juli 2023 in de vorm van een egalisatie niet is hersteld naar de oorspronkelijke situatie. Gedurende de hercontrole heeft de toezichthouder van de FUMO zich laten vergezellen door een dronepiloot van een deskundige partij. Dit om de kosten van de herstelmaatregelen naar de oorspronkelijke situatie in kaart te kunnen brengen.
4.5.
Naar aanleiding van de bevindingen tijdens de hercontrole heeft het college bij brief van 20 oktober 2025 aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om handhavend op te treden. Verder heeft het college met deze brief eisers in de gelegenheid gesteld om een zienswijze, gericht tegen dit voornemen, in te dienen.
4.6.
Eisers hebben bij brief van 28 oktober 2025 een zienswijze, gericht tegen het voornemen, bij het college ingediend.
4.7.
Bij het primaire besluit heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd in verband met het ontgronden van twee percelen in [plaats] zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
4.8.
Tegen het primair besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.
4.9.
De commissie bezwaar en beroep van de provincie Fryslân (de commissie) heeft het college bij brief van 14 april 2026 geadviseerd het primaire besluit in stand te laten onder verduidelijking van de herstelmaatregelen.
4.10.
Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij dit besluit gebleven.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als onverwijlde spoed dat vereist. Omdat eisers ten tijde van de zitting al op zeer korte termijn dwangsommen zouden kunnen gaan verbeuren, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan hun zijde gegeven.
Welk recht is van toepassing?
6. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. In de Invoeringswet omgevingsrecht is het overgangsrecht voor (reparatoire) sanctiebesluiten geregeld.
6.1.
In artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet is bepaald dat als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing blijft tot het tijdstip waarop:
a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd,
b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of
c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°. de last volledig is uitgevoerd,
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°. de last is opgeheven.
6.2.
Gelet op het overgangsrecht is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Ow en de onderliggende regelingen van toepassing zijn op het bestreden besluit.
Het geschil
7. Tussen partijen is in geschil of het college terecht een last onder dwangsom aan eisers heeft opgelegd in verband met het ontgronden van twee percelen in [plaats] zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Intrekking van gronden
8. Eisers hebben de gronden over de vooringenomenheid van de toezichthouders en de verplichting van de toezichthouders om zich ongevraagd te legitimeren ingetrokken, zodat deze gronden geen inhoudelijke beoordeling meer behoeven.
Is er sprake van een overtreding?
Wettelijk kader
9. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten. Uit artikel 18.2, tweede lid, van de Ow, in samenhang gelezen met artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet, volgt dat de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het college berust en dat hij bevoegd is tot handhavend optreden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Op de last onder dwangsom is afdeling 5.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.
Constateringen
10. Uit het controlerapport van 13 juli 2023 van toezichthouders van de FUMO blijkt dat zij op 12 juli 2023 een controle hebben uitgevoerd op twee percelen in [plaats]. Uit het controlerapport volgt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat daar een ontgrondingsactiviteit was uitgevoerd zonder een geldige omgevingsvergunning. De toezichthouders hebben geconstateerd dat eisers teelaarde hebben afgegraven en aan de kant hebben gelegd. De afgegraven teelaarde hebben eisers vervolgens teruggeplaatst. Hier is sprake geweest van het tijdelijk aan de kant leggen van teelaarde. Daarnaast is er sprake van egaliseren waarbij het perceel deels is verlaagd. Met de vrijkomende grond is een lagergelegen deel van het perceel opgehoogd. De werkzaamheden zijn volgens de toezichthouders uitgevoerd om een egalisatie te realiseren. Uit het controlerapport naar aanleiding van een hercontrole op 1 november 2024 volgt dat een toezichthouder van de FUMO heeft geconstateerd dat de betreffende ontgronding van 12 juli 2023 in de vorm van een egalisatie niet is hersteld naar de oorspronkelijke situatie.
Overtreding
11. Eisers betwisten dat er in dit geval sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, omdat er geen omgevingsvergunningplichtige ontgrondingsactiviteit is uitgevoerd. Eisers voeren daartoe, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting (NvT) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en een uitspraak van 18 september 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), aan dat de uitgevoerde werkzaamheden onder de normale uitoefening van landbouw en onderhoudswerken in de landbouw vallen. Daarom vallen deze werkzaamheden volgens eisers niet onder het begrip ontgronding en is er in dit geval geen sprake van een ontgrondingsactiviteit. Volgens eisers staat in dit geval vast dat met de verrichte werkzaamheden geen nieuwe situatie of ontwikkelingen zijn beoogd of gerealiseerd. Eisers hebben bij gebruik ontstane oneffenheden in het terrein aangepakt. Voor zover het college meent dat sprake moet zijn van regelmatig terugkerende werkzaamheden, zoals ploegen, frezen of omwoelen en egaliseren daaronder niet kan worden begrepen omdat een dergelijke activiteit niet frequent wordt uitgevoerd, wijzen eisers erop dat deze benadering niet op één lijn ligt met de bedoeling van de wetgever. Naar de mening van eisers heeft de wetgever uitgesproken dat de normale uitoefening van land-, tuin- en bosbouw én van normale onderhoudswerken niet kan worden gezien als ontgronden. Voor zover het college de frequentie van het laten uitvoeren een rol laten spelen, gaat hij in de visie van eisers voorbij aan het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, waarvan in dit geval evident sprake is. Eisers voeren aan dat zij (in aansluiting op de visie van de wetgever) onderhoud hebben uitgevoerd om hun landbouwpercelen op een normale manier productief en bewerkbaar te houden. Dit onderhoud is volgens eisers overigens nauwelijks van invloed geweest op de hoogteligging van de gronden. Naar de mening van eisers is er sprake van een gebruikelijke en normale landbouwpraktijk, is geen sprake van een eenmalige activiteit en wordt die activiteit ook door andere bedrijven in Fryslân zo uitgevoerd.
11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geval vaststaat dat met de verrichte werkzaamheden (het verwijderen van hogere delen en reliëf) het terrein fysiek is aangepast. Het college wijst erop dat de hoogteverschillen structureel zijn veranderd. Dit betekent volgens het college dat de oorspronkelijk situatie van het terrein is gewijzigd. Daarom kan er naar de mening van het college in dit geval geen sprake zijn van normale onderhoudswerken maar wel van een incidentele egalisatie. Daar komt volgens het college bij dat de werkzaamheden niet gericht waren op het in stand houden van de bestaande situatie, maar op het herprofileren van het terrein. Dit overstijgt in de visie van het college de grenzen van normaal agrarisch onderhoud. Gelet daarop is er naar de mening van het college sprake van een ontgrondingsactiviteit. Dat werkzaamheden plaatsvinden in het kader van een agrarisch bedrijf betekent volgens het college niet zonder meer dat die onder normaal agrarisch onderhoud vallen. Doorslaggevend is in de visie van het college of sprake is van een structurele wijziging van de hoogteligging van het terrein. Vaststaat dat het reliëf en de historische begreppeling door de uitgevoerde werkzaamheden zijn aangetast. De enkele vermelding in de controlerapporten dat geen sloten zijn gedempt, betekent niet dat geen overtreding heeft plaatsgevonden. Tijdens de toezichtcontrole hebben de toezichthouders
geen sloten waargenomen en daarom is in het rapport opgenomen dat geen sloten zijn gedempt. Verder wijst het college erop dat in dit geval de hogere delen en het reliëf zijn verwijderd, waardoor het oorspronkelijke maaiveld structureel is verlaagd. Gelet op de aard en omvang van deze ingreep kan die naar de mening van het college niet worden aangemerkt als normale onderhoudswerkzaamheden, maar moet deze worden beschouwd als een wijziging van het terrein.
11.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De voorzieningenrechter licht dit hierna verder toe. Tussen partijen is niet in geschil dat de Ow en de onderliggende regelingen van toepassing zijn in deze procedure. De voorzieningenrechter gaat daarvan ook uit bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep. Dit brengt met zich dat voor het begrip ontgronden aansluiting moet worden gezocht bij de Ow en de parlementaire geschiedenis van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ow, waaronder de Memorie van Toelichting (MvT) van dit wetsartikel en de NvT van het Bal.
Volgens de MvT van de Ow wordt met het begrip ontgrondingsactiviteit gedoeld op het uitvoeren van ontgrondingen zoals omschreven in de MvT van het wetsvoorstel voor de Ontgrondingenwet: “Aangezien het begrip ontgronding op zichzelf voldoende duidelijk is en iedere begripsomschrijving het nadeel heeft dat latere verschijningsvormen mogelijk niet daardoor worden gedekt, is het niet nodig en zelfs niet wenselijk geoordeeld in de wet een definitie te geven van het begrip ontgronding. Alle werkzaamheden aan of in de hoogteligging van een terrein of waarbij de bodem van een water wordt verlaagd, worden onder dit begrip samengevat. Het is duidelijk dat ook machinale ontgraving of baggeractiviteit daaronder moet worden verstaan. Anderzijds valt de uitvoering van werkzaamheden in de normale uitoefening van land-, tuin en bosbouw, van normale onderhoudswerken en het delven, openen en ruimen van graven naar spraakgebruik niet onder dat begrip.”
In de NvT van het Bal staat vervolgens onder meer het volgende:
“Voordat inhoudelijk ingegaan wordt op de vergunningvrije gevallen wordt nog opgemerkt dat voor het begrip “ontgronding” wordt vastgehouden aan de praktijk zoals die bestond onder de Ontgrondingenwet. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Ontgrondingenwet is dit als volgt omschreven. ‘Omdat het begrip ontgronding op zichzelf voldoende duidelijk is en iedere begripsomschrijving het nadeel heeft dat latere verschijningsvormen mogelijk niet daardoor worden gedekt, is het niet nodig en zelfs niet wenselijk geoordeeld in de wet een definitie te geven van het begrip ontgronding. Alle werkzaamheden aan of in de hoogteligging van een terrein of waarbij de bodem van een water wordt verlaagd, worden onder dit begrip samengevat. Het is duidelijk dat ook machinale ontgraving of baggeractiviteit daaronder moet worden verstaan Anderzijds valt de uitvoering van werkzaamheden in de normale uitoefening van land-, tuin- en bosbouw, van normale onderhoudswerken en het delven, openen en ruimen van graven naar spraakgebruik niet onder dat begrip’.”
11.3.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat uit de rechtspraak valt af te leiden dat sprake is van een normale uitoefening van landbouw indien het gaat om regelmatig terugkerende werkzaamheden, zoals ploegen, frezen of omwoelen. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015. Deze uitspraak is weliswaar nog gedaan onder de werking van de Ontgrondingenwet, maar de voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat onder de Ow hierover anders moet worden geoordeeld.
11.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de controlerapporten naar voren komt dat op 12 juli 2023 door toezichthouders van de FUMO is geconstateerd dat eisers teelaarde hebben afgegraven, aan de kant hebben gelegd en vervolgens teruggeplaatst om een deel van het perceel te verlagen. Met de vrijkomende grond is een lagergelegen deel van het perceel opgehoogd. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat uit een controlerapport naar aanleiding van een hercontrole door een toezichthouder van de FUMO op 1 november 2024, waarbij een koppeling wordt gemaakt met het eerdere controlerapport, blijkt dat de betreffende ontgronding in de vorm van een egalisatie niet is hersteld naar de oorspronkelijke situatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de constateringen in de controlerapporten, in onderlinge samenhang bezien, deugdelijk onderbouwd dat er in dit geval sprake is van een omgevingsvergunningplichtige ontgrondingsactiviteit. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de controlerapporten blijkt dat door de toezichthouders van de FUMO is geconstateerd dat er teelaarde is afgegraven, de teelaarde vervolgens is teruggeplaatst om een deel van het perceel te verlagen en om met de vrijkomende grond een lagergelegen deel van het perceel op te hogen. Dit betekent dat er sprake is van een geconstateerde incidentele egalisatie van het perceel waarbij deels het reliëf is weggenomen. In wat eisers hebben aangevoerd met betrekking tot normaal onderhoud, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het college niet te volgen in zijn standpunt. De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun betoog dat er sprake is van normaal onderhoud, gelet op de bestaande oneffenheid van het perceel en het wegnemen van het bestaande hoogteverschil op het perceel door de door eisers uitgevoerde werkzaamheden. Daarbij acht de voorzieningenrechter het onwaarschijnlijk dat er in 26 jaar geen enkele vorm van onderhoud aan het perceel heeft plaatsgevonden, zoals eisers op zitting hebben betoogd. Daar komt bij dat een bij de controles betrokken toezichthouder van de FUMO op de zitting aan de hand van luchtfoto’s heeft toegelicht dat er sprake is van egaliseren en het wegnemen van reliëf op het perceel. Weliswaar zijn de namen van de bij de controle betrokken toezichthouders van de FUMO geanonimiseerd, maar een van de betrokken toezichthouders heeft op zitting de bevindingen nader toegelicht en daarbij ook de naam van de andere toezichthouder genoemd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat eisers door het anonimiseren van de namen van de betrokken toezichthouders niet in hun belangen zijn geschaad, mede omdat zij ook niet om de namen van de toezichthouders hebben gevraagd bij het college of de FUMO. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gegeven dat de verklaring van T.H. van Diggelen niet in het controlerapport is opgenomen en dat het gedrag van de heer Van Diggelen senior is omschreven als onverschillig niet kunnen afdoen aan de feitelijke vaststelling van een overtreding. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het college zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat hij bevoegd is tot handhavend optreden.
Beginselplicht handhaving
12. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Concreet zicht op legalisatie?
13. Voor zover door eisers wordt gesteld dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien in verband met concreet zicht op legalisatie, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast door eisers eerder op 23 oktober 2023 een aanvraag voor een ontgrondingsvergunning is ingediend voor de ontgronding waarover de bestreden last onder dwangsom gaat. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 30 september 2024 afgewezen. Tegen dit besluit hebben eisers geen rechtsmiddelen aangewend. Verder is op zitting vastgesteld dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit door het college geen (ontvankelijke) aanvraag om omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit was ingediend door eisers, zodat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Wat eisers nog hebben aangevoerd over het ter plaatse geldende omgevingsplan doet daar, wat daar verder van zij, ook niet aan af. Deze grond van eisers slaagt niet.
Is het opleggen van een last onder dwangsom evenredig?
14. Eisers betogen dat toezichthouders van de FUMO al op 12 juli 2023 een controlebezoek hebben uitgevoerd op de percelen in [plaats]. Eisers voeren aan dat de werkzaamheden op het moment van de controle juist waren aangevangen. De toezichthouders zouden hebben geconstateerd dat een ontgrondingsactiviteit werd uitgevoerd zonder een geldende omgevingsvergunning. Zo zou er teeltaarde worden afgegraven en aan de kant gelegd, waarna de ondergrond zou worden geëgaliseerd. Op 1 november 2024 heeft een toezichthouder tijdens een hercontrole geconstateerd dat de betreffende ontgronding in de vorm van een egalisatie niet is hersteld naar de oorspronkelijke situatie. Volgens eisers is deze gang van zaken uitermate kwalijk. In dit verband voeren eisers aan dat de toezichthouders bij het begin van de werkzaamheden hebben geconcludeerd dat sprake was van een ontgronding die in hun ogen illegaal was. De werkzaamheden zijn niet stil gelegd en eisers is niet voorgehouden dat de werkzaamheden illegaal waren. De toezichthouders lieten eisers de werkzaamheden gewoon afronden. Door pas (na meer dan twee jaar) na afronding van de werkzaamheden in actie te komen is volgens eisers de situatie ontstaan dat zij kosten hebben gemaakt voor de werkzaamheden en dat zij nu alle werkzaamheden weer ongedaan moeten maken, terwijl bij direct ingrijpen nauwelijks herstel had hoeven plaatsvinden. Eisers komen nu voor dubbele kosten te staan die veroorzaakt zijn door het uitgestelde optreden van het college.
14.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel onderscheid dient te worden gemaakt tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het besluit. Naar de mening van het college is in dit geval het opleggen van een last onder dwangsom een geschikt middel om de overtreding te beëindigen en het beoogde doel te bereiken. Het college voert daartoe aan dat eisers meerdere malen in de gelegenheid zijn gesteld om de overtreding te beëindigen. In dit verband wijst het college erop dat eisers door middel van een waarschuwingsbrief eerder een hersteltermijn is geboden. Verder wijst het college erop dat eisers zijn uitgenodigd om de mogelijkheden te bespreken om de ontgronding ongedaan te maken. Gelet daarop is het college van mening dat handhavend optreden noodzakelijk is en niet onevenredig is in verhouding tot het nagestreefde doel.
14.2.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat eisers geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan handhaven zo onevenredig is dat het niet in verhouding staat tot de daarmee te dienen belangen. Daarbij heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter mogen betrekken dat het ontgronden van landbouwgronden zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning niet een overtreding van geringe aard en omvang betreft. Verder heeft het college daarbij kunnen betrekken dat eisers de overtreding heeft laten voortduren na een waarschuwingsbrief met hersteltermijn en gesprekken om tot een oplossing te komen, zodat een minder ingrijpend middel in dit geval niet in de rede lag of geschikt was. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat het college zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld het herstellen van de landbouwgronden in de oorspronkelijke staat weliswaar financiële gevolgen heeft voor eisers maar dat dit niet tot de conclusie leidt handhavend optreden in dit geval onevenwichtig is. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat eisers dit had kunnen voorkomen en dat zij bovendien geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij in financiële problemen komt op het moment dat de last onder dwangsom gehandhaafd blijft. Gelet op de voorgaande overwegingen komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de door eisers gestelde omstandigheden met betrekking tot de gestelde dubbele kosten niet een zodanig zwaar gewicht toe dat het algemeen belang van handhaving daarvoor moet wijken. Dat de werkzaamheden niet direct zijn stilgelegd, maakt dat ook niet anders. Dit leidt tot de conclusie dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Deze grond van eisers slaagt niet.
Is de omschrijving van de last voldoende duidelijk?
15. Eisers merken op dat de last inhoudt dat zij de betrokken gronden moeten terugbrengen naar de situatie als bedoeld in bijlage 1. Eisers betogen dat zij in het bestreden besluit geen gegevens uit het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN) hebben aangetroffen. Volgens eisers is de kaart in bijlage 1 volstrekt onbruikbaar om de oorspronkelijke staat van de gronden helder te krijgen. Eisers wijzen erop dat door het college ook in bezwaar niet duidelijk en concreet geformuleerd is wat moeten worden verstaan onder de ‘oorspronkelijke’ staat. De last houdt volgens eisers in dat de hoogte van de twee betrokken percelen tot op de millimeter moet terugbrengen naar de hoogte van vóór de verrichte werkzaamheden. Naar de mening van eisers is de oorspronkelijke situatie door het college niet in kaart gebracht en niet vastgelegd, zodat een referentiesituatie ontbreekt. Daardoor lopen eisers het risico om dwangsommen tot € 80.000,- te verbeuren als zij de betrokken gronden niet volledig in de originele staat weten terug te brengen. Volgens eisers ligt het op de weg van het college om voor beide percelen volledig inzichtelijk te maken waar en in welke mate de bodem moet worden uitgegraven dan wel opgehoogd om volledig aan de last te kunnen voldoen en niet het risico op verbeurte van dwangsommen te lopen. Voor eisers is dit met het bestreden besluit niet inzichtelijk gemaakt. Gelet daarop is het bestreden besluit naar de mening van eisers in strijd met de wet en het rechtszekerheidsbeginsel genomen.
15.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eisers in dit geval de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de Ow dient te beëindigen en beëindigd dient te houden. Het college voert aan dat dit kan worden gerealiseerd door de uitgevoerde egalisatie (ontgronding) ongedaan te maken en de situatie in de oorspronkelijke staat te herstellen. Het staat eisers volgens het college vrij om zelf te bepalen op welke wijze de egalisatie ongedaan wordt gemaakt. Naar de mening van het college is de last daarmee voldoende duidelijk omschreven. Verder voert het college aan dat onder het begrip “oorspronkelijke staat” wordt verstaan de situatie van het maaiveld zoals die feitelijk bestond voorafgaand aan de uitgevoerde ontgrondingswerkzaamheden in juli 2023. Dit betreft het herstel van de hoogteligging en de contouren van het terrein zoals deze voor de ingreep aanwezig waren, waarbij het oorspronkelijke reliëf en maaiveldprofiel weer herkenbaar moeten zijn. Op basis van de beschikbare AHN-gegevens blijkt volgens het college dat er een hoogteverschil was in beide percelen van west naar oost van 0,5 tot 1 m. Dit hoogteverschil dient in het landschap hersteld te worden. Daarbij wijst het college erop dat de AHN openbaar en voor eenieder te raadplegen is en dat daarmee een referentiesituatie beschikbaar is. Bovendien gaat het volgens het college om structureel herstel van het maaiveld en niet om een exacte millimeternauwkeurige reconstructie. Geringe afwijkingen die geen invloed hebben op het oorspronkelijke reliëf worden naar de mening van het college niet als strijdig met de last aangemerkt. Wellicht ten overvloede merkt het college op dat het technisch gezien mogelijk is het reliëf nauwkeurig te herstellen. Graafmachines kunnen uitgerust worden met GPS die aan de hand van AHN-gegevens/machinebestand de grond weer op hoogte kunnen afwerken. Naar de mening van het college is de last voldoende concreet en uitvoerbaar.
15.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De voorzieningenrechter overweegt dat de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen moet beschrijven (artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb). Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zo duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. Met de herstelmaatregelen geeft het bestuursorgaan aan op welke wijze een einde aan de overtreding kan worden gemaakt. De herstelmaatregelen mogen niet dwingend zijn. De overtreder dient een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan de overtreding een einde te maken.
15.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het primaire besluit aan eisers heeft gelast de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, van de OW te beëindigen en beëindigd te houden. Dit is verduidelijk door aan te geven dat eisers dit kunnen doen door de uitgevoerde ontgronding ongedaan te maken en de situatie in de oorspronkelijke staat te herstellen (de herstelmaatregel). Hierover heeft de bezwaarschriftencommissie geadviseerd dat het zonder nadere specificatie voor eisers onvoldoende kenbaar is wat de oorspronkelijke situatie concreet inhoudt. Het college heeft dit advies overgenomen en met het bestreden besluit de herstelmaatregelen nader beschreven. In het bestreden besluit heeft het college de “oorspronkelijke staat” van de percelen nader geduid. Het gaat dan om de situatie van het maaiveld zoals die feitelijk bestond voorafgaand aan de werkzaamheden in juli 2023 en die is weergegeven op een kaart die als bijlage 1 bij het besluit is gevoegd. Het college geeft in het bestreden besluit verder aan dat het herstel betreft van de hoogteligging en de contouren van het terrein zoals deze voor de ingreep aanwezig waren, waarbij het oorspronkelijke reliëf en maaiveldprofiel weer herkenbaar moeten zijn. De ontgronding is ongedaan gemaakt indien eisers de hoogteligging van de percelen terug brengen naar de situatie van de tekening van bijlage 1. De tekening is in PDF-vorm bijgevoegd.
15.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betogen eisers terecht dat uit de door het college in het bestreden besluit neergelegde omschrijving van het herstel van de oorspronkelijke situatie niet duidelijk blijkt wat zij moeten doen om de overtreding te beëindigen. Op zitting heeft het college een toelichting gegeven wat bijlage 1 is en hoe de daarop weergegeven hoogtekaart moet worden begrepen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de print van bijlage 1 moeilijk leesbaar is en dat hieruit niet eenduidig valt af te leiden in welke staat eisers hun percelen moeten terugbrengen. Uit bijlage 1 blijken de precieze hoogtes van de “oorspronkelijke staat” van de percelen naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk. De enkele verwijzing van het college in het bestreden besluit en op zitting naar het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) waarop de hoogtekaart is gebaseerd, neemt die onduidelijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet weg. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat hiermee nog niet verduidelijkt is hoe de beschikbare AHN-gegevens op de openbaar toegankelijke website www.ahn.nl zijn vertaald naar bijlage 1. Bovendien is met de herstelmaatregel niet verwezen naar de AHN maar naar het hoogtekaartje van bijlage 1. Die dient dan ook voldoende duidelijk te zijn, wat volgens de voorzieningenrechter niet het geval is.
15.5.
In verweer en op zitting is namens het college toegelicht dat het technisch mogelijk is het reliëf nauwkeurig te herstellen. Dat kan bijvoorbeeld met GPS-gegevens. Het ligt dan naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om de herstelmaatregel ook duidelijker en nauwkeuriger te formuleren zodat het voor eisers voldoende zeker is wat zij moeten doen om verbeurte van dwangsommen te voorkomen. Nu dat niet is gedaan, brengt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat de door het college omschreven herstelmaatregelen niet duidelijk en concreet is geformuleerd. Daarmee voldoet de door het college omschreven last niet aan het wettelijke vereiste, als bedoeld in artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb.
(Tussen)conclusie
16. Het beroep van eisers slaagt ten aanzien van de formulering van de herstelmaatregel. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. Hoewel hiermee kan worden volstaan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om proceseconomische redenen een aantal andere gronden inhoudelijk te beoordelen. Dat doet de voorzieningenrechter hierna onder 17. tot en met 18.4.
Is de hoogte van de dwangsom voldoende gemotiveerd?
17. Eisers betogen dat de hoogte van de dwangsom in dit geval onvoldoende gemotiveerd is. Bovendien is de hoogte van de dwangsom volgens eisers disproportioneel en excessief. Voor zover het college voor de hoogte van de dwangsom aansluiting zoekt de kostenraming, wijzen eisers erop dat niet inzichtelijk is waarop die raming is gebaseerd of wat de uitgangspunten daarvoor zijn geweest. In dit verband voeren eisers aan dat de vraagstelling van het college aan de opsteller niet duidelijk is en dat er geen informatiedocument is opgesteld waarin de genoemde eenheden en prijzen zijn onderbouwd. Daarnaast zijn sommige uitgangspunten in de raming volgens eisers ook niet te herleiden tot de verrichtte egaliseringswerkzaamheden.
17.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de brief van 20 oktober 2025 is aangegeven op welke wijze de hoogte van de dwangsom is bepaald. Voor het inschatten van de kosten van de werkzaamheden die nodig zijn om de ontgronding ongedaan te maken, is een onafhankelijk adviesbureau ingeschakeld om een raming op te stellen. Op basis van deze raming is de hoogte van de dwangsom vastgesteld. Het college voert aan dat de dwangsom bedoeld is om een voldoende prikkel te geven, zodat de overtreding wordt beëindigd en de opgelegde last wordt nagekomen. Dit betekent volgens het college dat de hoogte van de dwangsom in ieder geval hoger moet zijn dan de kosten die gemoeid zijn met het ongedaan maken van de ontgronding. Indien dit niet het geval is, gaat van de last onvoldoende prikkel
uit om deze na te leven. Verder voert het college aan dat de kostenraming gebaseerd is op een globale inschatting van de werkzaamheden die nodig zijn om het maaiveld en het reliëf te herstellen. Daarbij is uitgegaan van gangbare marktprijzen voor grondverzet, transport en verwerking van grond. Voor zover in de raming posten zijn opgenomen die zien op het herstel van een watergang of het aanbrengen van duikers, geldt volgens het college dat deze niet dragend zijn voor de vaststelling van de dwangsomhoogte. Bovendien staat het eisers volgens het college vrij om op een andere wijze dan door uitsluitend ophoging van het maaiveld de oorspronkelijke hoogteligging en de sloten te herstellen, mits daarmee aantoonbaar wordt voldaan aan de opgelegde last.
17.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat in artikel 5:32b, derde lid, van de Awb is bepaald dat de dwangsom in een redelijke verhouding dient te staan tot enerzijds de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijke voorschrift geschonden belang en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging. Daarbij is van belang dat van de dwangsommen een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de oplegde lasten worden nagekomen en verbeurte van de dwangsommen wordt voorkomen. De beoogde werking van de dwangsom brengt mee dat de hoogte van het te verbeuren bedrag mag worden afgestemd op het met de overtreding te behalen financiële voordeel. De hoogte van de dwangsom kan ook worden afgestemd op de kosten die zouden moeten worden gemaakt om de overtreding te beëindigen plus een opslag om de prikkel te verhogen dat de overtreding ook daadwerkelijk wordt beëindigd.
17.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college bij de vaststelling van de hoogte van een dwangsom beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de rechterlijke toets in zoverre terughoudend dient te zijn. De voorzieningenrechter overweegt dat een dwangsom tot doel heeft de aangeschrevene tot naleving van de opgelegde last te bewegen. Daarbij mag de dwangsom zo hoog zijn, als naar verwachting nodig is om die naleving daadwerkelijk te bewerkstelligen. Het college heeft aangegeven dat bij het vaststellen van de maximale hoogte van de dwangsom rekening is gehouden met onder meer de beoogde werking van de last onder dwangsom en door een adviesbureau opgestelde kostenraming voor de mogelijke herstelmaatregelen. In wat eisers in algemene zin met betrekking tot de kostenraming hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet heeft onderkend dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot het belang van de beëindiging van de overtreding. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vastgestelde dwangsom niet onevenredig hoog is. Deze grond van eisers slaagt niet.
Is het bestreden besluit vooringenomen tot stand gekomen?
18. Aan het bestreden besluit heeft het college een advies van 14 april 2026 van de commissie ten grondslag gelegd. In dit advies heeft de commissie aangegeven dat er geen aanleiding bestaat voor het college om het primaire besluit te herroepen, maar dat in het bestreden besluit de herstelmaatregelen moeten worden verduidelijkt. Het college heeft dit advies overgenomen en in het bestreden besluit de herstelmaatregelen verduidelijkt.
18.1.
Eisers betogen dat het advies van de commissie vooringenomen tot stand is gekomen en dat het college zich hierop niet heeft mogen baseren. Eisers voeren hiertoe aan dat het commissielid [naam] eerder heeft geadviseerd over een legesbezwaar van eisers. In dat advies is al het standpunt ingenomen dat sprake zou zijn van een vergunningplichtige activiteit. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure gaf dit commissielid aan dat er geen aanleiding bestond op het standpunt terug te komen dat sprake was van een ontgronding en dat daarvoor een vergunning vereist was. Volgens eisers heeft de commissie zich laten leiden door een in een andere procedure ingenomen standpunt en dat stond in de weg aan een volledige heroverweging van het primaire besluit.
18.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
18.3.
Op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.
18.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het hiervoor genoemde lid van de commissie vooringenomen is geweest. Dat dit lid ook onderdeel zou zijn geweest van de samenstelling van de kamer van de commissie die over een eerder (ander) besluit heeft geadviseerd, is daarvoor niet voldoende. Eisers hebben verder ook niet aannemelijk gemaakt dat dit lid van de commissie een persoonlijk belang heeft bij de advisering met betrekking tot de bezwaren tegen het primaire besluit of het bestreden besluit. In wat eisers hebben gesteld met betrekking tot het gegeven dat dit lid van de commissie in een andere bezwaarprocedure een voor eisers onwelgevallig standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het begrip ontgronding, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het advies van de commissie niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het college zich daarop niet mocht baseren.
Conclusie en gevolgen
19. Gelet op de overwegingen 15.4. en 15.5. is het beroep van eisers gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De voorzieningenrechter bepaalt met inachtneming van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op de bezwaren van eisers moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verder ziet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb aanleiding om in de beroepszaak een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het primaire besluit van 11 december 2025 van het college met terugwerkende kracht wordt geschorst tot zes weken na het besluit op bezwaar van het college.
19.1.
Omdat het beroep gegrond is en in de bodemprocedure al een voorlopige voorziening wordt getroffen, bestaat er geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak met het nummer LEE 26/2485 toe te wijzen.
19.2.
Omdat het beroep gegrond is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten voor het beroep en het verzoek. Hij stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal vast op € 2.802 (een punt voor het beroepschrift, een punt voor het verzoekschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- bij wegingsfactor 1). Ook moet het college het griffierecht voor het beroep en het verzoek vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
ten aanzien van het beroep (LEE 26/2082):
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;
- schorst het primaire besluit van 11 december 2025 van het college bij wijze van voorlopige voorziening met terugwerkende kracht tot zes weken na het besluit op bezwaar van het college;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eisers moet vergoeden.
ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening (LEE 26/2485):
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
De griffier is verhinderd te ondertekenen voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(…).
Artikel 8:86
1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2025-04-04), nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
(…);
3. Partijen worden in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2025-04-04), gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, tevens op de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…).
Artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
(…).
Artikel 5:32a.
1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:32b
1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Artikel 5.1 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…),
c. een ontgrondingsactiviteit,
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.10 Bevoegd gezag provincie aanvraag één activiteit anders dan in artikel 5.9
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin gedeputeerde staten op de aanvraag beslissen:
(…),
b. ontgrondingsactiviteiten:
1°. in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier,
2°. buiten de rijkswateren,
(…).
Artikel 5.18 Beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
(…).
Artikel 18.1 Inhoud handhavingstaak
De bestuursrechtelijke handhavingstaak omvat:
a. het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met inbegrip van het verzamelen en registreren van gegevens die hiervoor van belang zijn,
b. het behandelen van klachten over de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, en
c. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 18.2 Toedeling handhavingstaak
(…),
2. Als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 voor die omgevingsvergunning bevoegde gezag.
(…).
Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
A. Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
ontgrondingsactiviteit: activiteit inhoudende het ontgronden.
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 16.7 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6, voor zover het gaat om het ontgronden voor:
a. een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als:
1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
2°. niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven; en
3°. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam;
b. een natuurvriendelijke oever van ten hoogste 10 m uit de insteek van de watergang;
c. een ander natuurbouwproject, als grondlagen dieper dan 0,5 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
d. een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
e. het aanleggen, in stand houden, veranderen of verwijderen van buizen, kabels, palen of daarmee vergelijkbare werken;
f. het bouwen, in stand houden of slopen van een bouwwerk;
g. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om:
1°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder;
2°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, weg, spoorweg of luchthaven;
h. het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als:
1°. de locatie van ontgronding is opgenomen in dat plan, dat besluit of die vergunning;
2°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
3°. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven;
i. het onderhouden van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder; of
j. het aanleggen, onderhouden of veranderen van een watergang door een ander dan door of namens de waterbeheerder, als:
1°. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en
2°. de watergang een bovenbreedte heeft van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m, en, als een peilbesluit is vastgesteld, een diepte van niet meer dan 1 m onder dat peil.
Artikel 16.8 Aanwijzing vergunningvrije gevallen zonder afwijkmogelijkheid
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6, voor zover het gaat om het ontgronden voor:
a. het treffen van een maatregel in verband met een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die is opgenomen in:
1°. een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet; of
2°. het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de wet; of
b. het treffen van een maatregel die is opgenomen in een inrichtingsprogramma.
2. Het eerste lid geldt niet voor het ontgronden om het bodemmateriaal dat voor die maatregelen nodig is, te verkrijgen.
Het beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 26/2082.
Het verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 26/2485.
Zie de uitspraak van 18 september 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2024:3742.
Kamerstukken 112013/14, 33962, nr. 3, p. 624.
Staatsblad 2018, 293, p. 1452.
Zie de uitspraak van 3 juni 2015 van de Afdeling, ECLI:N:RVS:2015:1718, r.o. 4.3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:854.
Zie de uitspraak van 2 februari 2022 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Vergelijk de uitspraak van 5 maart 2025 van de AbRvS, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 oktober 2022 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:2868.
Zie de uitspraak van 9 juni 2021 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2021:1218.
Zie de uitspraak van 5 september 2018 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2018:2913. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|