Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:4780 
 
Datum uitspraak:21-07-2026
Datum gepubliceerd:21-09-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.359.922
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Opheffing beslag: misbruik van bevoegdheid (3:13 lid 2 BW).
Trefwoorden:huwelijkse voorwaarden
koopovereenkomst
landbouwbedrijf
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.359.922
zaaknummer rechtbank Overijssel 333654


arrest in kort geding van 21 juli 2026


in de zaak van




[appellante] ( [appellante] )

die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. H.M. van Eerten

en



[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )

die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis





1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op 22 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken en dat is hersteld bij herstelvonnis van 31 juli 2025. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep


de memorie van grieven


de memorie van antwoord







2De kern van de zaak


2.1.
Partijen zijn ex-echtgenoten. Dit hof heeft in de beschikking ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden bepaald dat [geïntimeerde] aan [appellante] een bedrag van € 272.548,- moet betalen. [appellante] heeft vervolgens executoriaal beslag gelegd op onroerende zaken van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft in november 2023 twee van de (dan nog zeven resterende) percelen verkocht. [appellante] wil niet meewerken aan de opheffing van het beslag op deze percelen.



2.2.

[geïntimeerde] heeft bij de voorzieningenrechter de opheffing van de op 23 februari 2022 gelegde executoriale beslagen op de percelen [nummer1] en [nummer2] gevorderd. Volgens [geïntimeerde] maakt [appellante] misbruik van haar bevoegdheid door het beslag op de percelen onder de gegeven omstandigheden te handhaven.


2.3.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 22 juli 2025 de executoriale beslagen op de percelen [nummer1] en [nummer2] opgeheven en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.



2.4.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat de gegeven voorzieningen alsnog zullen worden geweigerd, dan wel zullen worden toegewezen onder de voorwaarde dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan om ten laste van [appellante] conservatoir (eigen)beslag te leggen op de overige executoriaal beslagen percelen of op de daarmee te realiseren executieopbrengst.



2.5.
Het hof zal beslissen dat de door de voorzieningenrechter gegeven voorzieningen in stand moeten blijven en de beslagen dus opgeheven blijven en dat [appellante] niet voor het eerst in hoger beroep kan vragen daar een voorwaarde aan te verbinden. Het hof licht deze beslissing hierna toe.





3De feiten


3.1.
De rechtbank heeft in het vonnis van 22 juli 2025 onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitganspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld komen de feiten – voor zover in hoger beroep nog relevant – neer op het volgende:



3.2.
Partijen zijn ex-echtgenoten. Het huwelijk van partijen is geëindigd door middel van inschrijving op 18 maart 2020 van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel van 9 december 2019.



3.3.
In 1992 hebben partijen een maatschap opgericht met als doel de uitoefening van een landbouwbedrijf. De maatschap is op 25 juni 2019 door [geïntimeerde] opgezegd tegen 1 januari 2020.



3.4.
Zowel ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijk als de afwikkeling van de maatschapsovereenkomst, zijn tussen partijen geschillen ontstaan. Over deze geschillen zijn en worden meerdere gerechtelijke procedures gevoerd. Bij de rechtbank is nog een bodemprocedure aanhangig over de afwikkeling van de maatschapsovereenkomst. In die procedure zijn door partijen over en weer geldvorderingen ingesteld.



3.5.
Dit hof heeft bij (in kracht van gewijsde gegane) beschikking van 13 juli 2021 de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen vastgesteld. Het hof heeft daarbij onder meer bepaald dat [geïntimeerde] aan [appellante] een bedrag van € 272.548,- moet betalen.



3.6.
Naar aanleiding van deze beschikking heeft [appellante] in februari 2022 executoriaal beslag gelegd op een negental onroerende zaken gelegen in [plaats1] die in eigendom aan [geïntimeerde] toebehoren. [appellante] is niet overgegaan tot executoriale verkoop. Van de negen onroerende zaken zijn in 2022 twee verkocht en geleverd aan een derde. Dit is gebeurd met medewerking van [appellante] . Met de opbrengst is een hypotheekschuld aan de hypotheekhouder voldaan.



3.7.
Op 28 september 2023 is [geïntimeerde] een overeenkomst van geldlening aangegaan met derden voor € 600.000,- om een andere, opeisbare, schuld te kunnen voldoen.



3.8.
Op 23 november 2023 heeft [geïntimeerde] nogmaals twee percelen verkocht waarop executoriaal beslag rust. De kooprijs van deze percelen [nummer1] en [nummer2] (hierna: de percelen) bedraagt € 636.000,-. De voorziene leveringsdatum was 1 augustus 2024. Tussen [geïntimeerde] en de kopers is bepaald dat aan kopers bekend is dat [geïntimeerde] het perceel op het moment van aangaan van de overeenkomst niet vrij van beslagen kan leveren en dat partijen in overleg zullen treden voor een nieuwe datum van juridische levering indien de datum van 1 augustus 2024 niet haalbaar blijkt te zijn.



3.9.

[appellante] heeft als executant geen medewerking verleend aan de levering van de percelen. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 22 juli 2025 de executoriale beslagen op de percelen opgeheven. In het herstelvonnis van 31 juli 2025 heeft de rechtbank verstaan dat het vonnis van 22 juli 2025 in die zin moet worden aangevuld dat de beslagen – uitvoerbaar bij voorraad – zijn opgeheven.





4De toelichting op de beslissing van het hof


(Spoedeisend) belang



4.1.

[geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord aangevoerd dat [appellante] geen belang meer heeft bij de voortzetting van het hoger beroep. De percelen zijn volgens [geïntimeerde] inmiddels (na het vonnis) verkocht en geleverd en wijzigingen in de rechtstoestand van de beslagen goederen in de periode tussen de opheffing en de (eventuele) vernietiging van de beslissing van de voorzieningenrechter moeten worden geëerbiedigd. Een andersluidend oordeel in hoger beroep brengt [appellante] geen enkel voordeel, aldus [geïntimeerde] .



4.2.

[geïntimeerde] heeft weliswaar aangevoerd dat [appellante] op de hoogte is van de verkoop en de levering van de percelen, maar zij heeft niet meer op de memorie van antwoord kunnen reageren. In de memorie van grieven ging [appellante] er van uit dat de betrokken percelen nog niet waren geleverd. Omdat [geïntimeerde] zijn standpunt niet met stukken (waaronder de leveringsakte) heeft onderbouwd, kan het hof niet vaststellen of de percelen daadwerkelijk zijn geleverd. Het hof gaat er daarom veronderstellende wijs vanuit dat er nog altijd voldoende (spoedeisend) belang is in hoger beroep.


Misbruik van bevoegdheid




4.3.
Het door [appellante] gelegde executoriaal beslag betreft de executie van een beschikking waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat. Op grond van artikel 438 Rv kan de voorzieningenrechter een executoriaal beslag opheffen. Gronden voor opheffing zijn onder meer misbruik van recht of een gebrek aan belang van de beslaglegger. Van misbruik van recht of bevoegdheid is op grond van artikel 3:13 lid 2 BW sprake indien, samengevat, een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of indien men vanwege onevenredigheid tussen de belangen in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.



4.4.

[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] misbruik van haar bevoegdheid maakt, door onder de gegeven omstandigheden het beslag op de percelen te handhaven. Volgens [geïntimeerde] heeft hij de opbrengst van de verkoop van de twee percelen nodig om aan zijn aflossingsverplichting uit een overeenkomst van geldlening te kunnen voldoen. [geïntimeerde] heeft – naar zijn zeggen – niet alleen een verrekeningsvordering op [appellante] die hoger is dan de vordering die [appellante] op [geïntimeerde] heeft onder het executoriale beslag, maar is er ook voldoende zekerheid via andere wegen om de vordering van [geïntimeerde] onder het executoriale beslag te voldoen. Zo heeft [appellante] volgens [geïntimeerde] :


een deel van het verschuldigde bedrag al ontvangen


staat er € 190.669,37 bij deurwaarder [naam1] geparkeerd, en


blijft het beslag op de vijf resterende onroerende zaken onaangetast.





4.5.

[appellante] betwist ook in hoger beroep dat zij misbruikt maakt van haar bevoegdheid door het executoriaal beslag op de percelen te handhaven. Volgens [appellante] was zij bereid het gelegde executoriale beslag op de percelen op te heffen indien en zodra [geïntimeerde] zijn conservatoir beslag op de gelden van [naam2] die zich onder de deurwaarder bevinden zou opheffen. Door de beslagleggingen over en weer, blijft het belang om vast te houden aan het executoriale beslag in stand, aldus [appellante] . [appellante] verwacht – gezien de verstoorde verhoudingen van partijen – ook dat [geïntimeerde] beslag zal leggen op de executieopbrengst van één of meer van de vijf resterende percelen. Het beslag op deze percelen biedt alleen in werkelijkheid voldoende zekerheid, als de door [geïntimeerde] gevraagde opheffing van het beslag op de onderhavige twee percelen wordt gekoppeld aan de voorwaarde dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan een conservatoir “tegenbeslag” op de overige percelen en/of de executie-opbrengst daarvan te leggen, aldus [appellante] . [appellante] heeft verder in hoger beroep betwist dat de waarde van de resterende vijf percelen waarop zij beslag heeft gelegd ruimschoots toereikend is om de restvordering van [appellante] te voldoen, mede omdat ieder zicht op de schuldenpositie van [geïntimeerde] ontbreekt.



4.6.
Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] wordt geschaad door handhaving van het executoriale beslag op de percelen. Omdat [geïntimeerde] de percelen niet vrij van beslag kan leveren aan de koper, kan hij niet aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst voldoen. Ook in hoger beroep is niet weersproken dat [geïntimeerde] de koopprijs van € 636.000,- nodig heeft om aan zijn verplichtingen uit hoofde van een geldleningsovereenkomst te voldoen. Evenmin is weersproken dat de geldverstrekker heeft gedreigd met executiemaatregelen. Hiertegenover staat het belang dat [appellante] heeft bij handhaving van het executoriaal beslag op de percelen. De restantvordering van [appellante] zou € 209.048,- bedragen.



4.7.
Aannemelijk is geworden dat er - ook na opheffing van het beslag op de percelen - met het beslag op de overige vijf percelen én het bedrag van afgerond € 190.000,- dat bij de deurwaarder staat, voldoende zekerheid voor voldoening van [appellante] ’s vordering resteert. Tijdens de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter waren partijen het er over eens dat de waarde van de vijf percelen waarop executoriaal beslag blijft rusten ruimschoots het bedrag van € 209.048,- overstijgt. Voor zover [appellante] hier in hoger beroep van terug komt, heeft zij haar standpunt onvoldoende (met stukken) onderbouwd. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat er op de overige vijf percelen een recht van hypotheek rust. De algemene verwijzing naar dat er geen zicht bestaat op de schuldenpositie van [geïntimeerde] is onvoldoende concreet en kan – zonder nadere toelichting – hier niet tot een ander oordeel leiden. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het voorgaande het belang van [appellante] bij handhaving van het executoriale beslag op de percelen sterk relativeert.



4.8.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de onevenredigheid tussen het belang van [geïntimeerde] en [appellante] met zich brengt dat [appellante] in redelijkheid niet de beslagen op de percelen kan handhaven. Zij maakt door de beslagen te handhaven misbruik van haar bevoegdheid. De voorzieningenrechter heeft, voorshands oordelend, de beslagen op de percelen daarom terecht opgeheven.


4.9.
Voorzover [appellante] zich nog subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat de opheffing van de executoriale beslagen op de percelen alleen zou moeten worden toegewezen onder de voorwaarde dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan om ten laste van [appellante] conservatoir (eigen)beslag te leggen op de resterende vijf percelen of op de daarmee te realiseren executieopbrengst, is het hof van oordeel dat dit neerkomt op een reconventionele vordering. Op grond van artikel 353 lid 1 Rv is het niet toegestaan dat door de oorspronkelijk gedaagde voor het eerst in hoger beroep reconventionele vorderingen worden ingesteld. [appellante] is niet ontvankelijk in haar vordering.


De conclusie




4.10.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



4.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).





5De beslissing

Het hof:


5.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 juli 2025, hersteld bij vonnis van 31 juli 2025;



5.2.
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar voor het eerst in hoger beroep ingestelde reconventionele vordering;



5.3.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 362,- aan griffierecht
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);



5.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;



5.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. C. Bakker, M.S.A. van Dam en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.







HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Link naar deze uitspraak