|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:5568 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-09-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202602370/2/R3 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | In het besluit van 28 mei 2026 heeft de raad van de gemeente De Wolden het "TAM-omgevingsplan Ruinerwold, deelplan Buddingewold" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente De Wolden vastgesteld. Het "TAM-omgevingsplan Ruinerwold, deelplan Buddingewold" (het wijzigingsbesluit) voorziet voor de percelen van een voormalige boerderij aan de Dijkhuizen 72 in Ruinerwold in een herontwikkeling naar woningbouw. Het wijzigingsbesluit staat maximaal elf woningen toe. Om ervoor te zorgen dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is in het wijzigingsbesluit voor vier omliggende agrarische percelen een spuitvrije zone vastgelegd. Op grond van artikel 10.1 van de regels van het wijzigingsbesluit is het toepassen van (synthetische - chemische) gewassenbeschermingsmiddelen binnen deze zone niet toegestaan. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | paarden | | | perceel | | | | Uitspraak | 202602370/2/R3.
Datum uitspraak: 18 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Ruinerwold, gemeente De Wolden,
verzoeker,
en
de raad van de gemeente De Wolden,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 28 mei 2026 heeft de raad het "TAM-omgevingsplan Ruinerwold, deelplan Buddingewold" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente De Wolden vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 27 augustus 2026, waar [verzoeker], vergezeld door [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door T. Prins en mr. P.A. Bakker, zijn verschenen. Verder is op de zitting de Vereniging CPO Buddingewold, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Het "TAM-omgevingsplan Ruinerwold, deelplan Buddingewold" (het wijzigingsbesluit) voorziet voor de percelen van een voormalige boerderij aan de Dijkhuizen 72 in Ruinerwold in een herontwikkeling naar woningbouw. Het wijzigingsbesluit staat maximaal elf woningen toe. Om ervoor te zorgen dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is in het wijzigingsbesluit voor vier omliggende agrarische percelen een spuitvrije zone vastgelegd. Op grond van artikel 10.1 van de regels van het wijzigingsbesluit is het toepassen van (synthetische - chemische) gewassenbeschermingsmiddelen binnen deze zone niet toegestaan.
2. [verzoeker] is eigenaar van een van de agrarische percelen waarvoor in het wijzigingsbesluit een spuitvrije zone is vastgelegd. Hij is het niet eens met deze zone en heeft daarom beroep ingesteld tegen het wijzigingsbesluit. Daarnaast heeft [verzoeker] verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het wijzigingsbesluit wordt geschorst totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak.
3. De raad heeft toegelicht dat er op basis van het wijzigingsbesluit verschillende aanvragen om omgevingsvergunningen voor de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ zijn ingediend voor de bouw van de woningen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat met het verzoek een spoedeisend belang is gemoeid.
Beoordeling van het verzoek
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de zitting is gebleken dat het belangrijkste punt voor [verzoeker] is dat de raad zijn belangen niet voldoende heeft meegewogen bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit. De voorzieningenrechter zal zich daarom in de uitspraak beperken tot deze belangrijkste beroepsgrond van [verzoeker].
Belangenafweging
6. [verzoeker] betoogt dat de raad zijn belangen niet voldoende heeft meegewogen bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit. Zo wordt in het wijzigingsbesluit een spuitvrije zone vastgelegd voor een deel van zijn agrarische perceel. Die spuitvrije zone heeft negatieve gevolgen voor het verpachten, het toekomstige gebruik en de waarde van het perceel. Volgens [verzoeker] heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom het vastleggen van een dergelijke zone op zijn perceel evenredig is.
6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er een deugdelijke belangenafweging is gemaakt. De raad heeft toegelicht dat het individuele belang van [verzoeker] bij het behoud van een agrarisch perceel zonder spuitvrije zone is afgewogen tegen het maatschappelijke belang bij woningbouw. De raad heeft een zwaarder gewicht toegekend aan het belang van woningbouw. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat daarbij, naast de behoefte aan woningen, ook is meegewogen dat de beoogde woningbouwlocatie in overleg met omwonenden is gekozen en dat de eigenaren van de overige drie aangrenzende agrarische percelen hebben ingestemd met het wijzigingsbesluit en de daarin vastgelegde spuitvrije zone.
De raad onderkent dat het wijzigingsbesluit negatieve gevolgen heeft voor de gebruiksmogelijkheden op het perceel van [verzoeker]. Volgens de raad worden de belangen van [verzoeker] echter niet onevenredig geschaad. In dit verband verwijst de raad naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4506, onder 4.2, waarin is geoordeeld dat een spuitvrije zone geen onevenredige beperking vormt voor het hobbymatig gebruik van agrarische gronden, indien geen concreet gerealiseerd ander agrarisch gebruik plaatsvindt en mechanische onkruidbestrijding mogelijk blijft. Volgens de raad werd het perceel van [verzoeker] ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsbesluit gebruikt voor het hobbymatig houden van paarden. Van een agrarisch bedrijf was al geruime tijd geen sprake. Daarnaast was het voornemen van [verzoeker] om het perceel te verpachten ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsbesluit nog niet concreet en blijft mechanische onkruidbestrijding mogelijk.
Verder wijst de raad erop dat [verzoeker], indien hij schade lijdt die niet voor zijn rekening behoort te blijven, kan verzoeken om nadeelcompensatie.
6.2. De voorzieningenrechter overweegt dat de raad het individuele belang van [verzoeker] bij het behoud van een agrarisch perceel zonder spuitvrije zone gemotiveerd heeft afgewogen tegen het maatschappelijke belang bij woningbouw. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad het maatschappelijke belang bij woningbouw zwaarder mogen laten wegen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de raad zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4506, onder 4.2, op het standpunt heeft mogen stellen dat de gevolgen van de spuitvrije zone voor het agrarische perceel van [verzoeker] niet onevenredig zullen zijn. [verzoeker] heeft immers op de zitting bevestigd dat zijn agrarisch perceel ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsbesluit alleen hobbymatig werd gebruikt. Daarnaast heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat er destijds chemische gewasbeschermingsmiddelen werden gebruikt op het perceel. Ook heeft hij geen stukken overgelegd waaruit volgt dat zijn voornemen om het perceel te verpachten ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsbesluit concreet was.
Wat de eventueel nadelige invloed van het wijzigingsbesluit op de waarde van het perceel van [verzoeker] betreft, bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor een eventuele tegemoetkoming in de vorm van nadeelcompensatie staat een aparte procedure open.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de belangen van [verzoeker] niet deugdelijk heeft afgewogen bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.G.M. Schoonbrood, griffier.
w.g. Ten Veen
voorzieningenrechter
w.g. Schoonbrood
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026
884-1116 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|