|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:27546 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 25/6361 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Beroep ongegrond. Eisers hebben onvoldoende aangetoond waarom de aangevraagde tuinbouwschuur noodzakelijk is voor een doelmatige, duurzame agrarische bedrijfsvoering. Omdat daarmee niet is voldaan aan het doorslaggevende beoordelingscriterium, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning mogen weigeren. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | glastuinbouw | | | glastuinbouwbedrijf | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6361
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] B.V., uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout),
en
het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college
(gemachtigde: mr. S.M. Bakker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de tuinbouwschuur aan het [adres] . Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 24 juni 2024 hebben eisers een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van de tuinbouwschuur aan het [adres] als werkschuur, kantoor, verkoopruimte en kantine.
2.1.
Met het besluit van 11 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.
2.2.
Met het besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. [eiser 1] en de gemachtigde van eisers waren aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Wat aan het besluit vooraf ging
3. Eiser [eiser 1] woont aan het [adres] . Hij is enig aandeelhouder en bestuurder van het glastuinbouwbedrijf [eiser 2] B.V. dat op hetzelfde adres is gevestigd. Aan de voorzijde van het perceel staan een agrarische bedrijfswoning en een tuinbouwschuur. Deze tuinbouwschuur is door eisers herbouwd op de fundamenten van de oorspronkelijke tuinbouwschuur en heeft een oppervlakte van 95 m². Eisers wensen de schuur te gebruiken voor de verkoop van de door het eigen bedrijf geteelde tuinbouwproducten en lokale producten van derden.
3.1.
In oktober 2021 heeft het college geconstateerd dat de herbouwde tuinbouwschuur is gerealiseerd zonder de vereiste omgevingsvergunning. Op 4 oktober 2023 hebben eisers een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisatie van deze schuur en het gebruik daarvan als kantoor, showroom en privéopslag. Deze aanvraag is door eisers ingetrokken, omdat de gemeentelijke Omgevingstafel heeft aangegeven geen reden te zien om mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan.
3.2.
Eisers hebben op 24 juni 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de legalisatie van de tuinbouwschuur en het gebruik daarvan als werkschuur, kantoor, verkoopruimte en kantine. Op 10 oktober 2024 heeft agrarisch adviesbureau [bedrijf] op verzoek van het college een advies uitgebracht over de mate waarin de schuur noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Daarin wordt geconcludeerd dat de noodzakelijkheid van de schuur nog niet kan worden aangetoond, omdat er onvoldoende garanties zijn dat het plan van eisers daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Volgens [bedrijf] zou het college aan eisers een tijdelijke omgevingsvergunning voor circa twee jaar kunnen verlenen voor de verkoop van eigen geteelde producten. Daarna kan dan beoordeeld worden of de plannen daadwerkelijk zijn gerealiseerd en of sprake is van een deeltijd, reëel of volwaardig agrarisch bedrijf, waarbij de teelt en verkoop van eigen producten centraal staan.
Juridisch kader
4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van de tuinbouwschuur golden de bestemmingsplannen ‘Glastuinbouw’ en ‘Glastuinbouw, 1e herziening.’ Deze bestemmingsplannen maken dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop (hierna: het omgevingsplan.)
4.1.
De gronden waarop de tuinbouwschuur staat, hebben, voor zover relevant, de bestemming ‘Agrarisch – Bedrijfswoning.’ Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn, voor zover relevant, de voor ‘Agrarisch – Bedrijfswoning’ aangewezen gronden bestemd voor:
een agrarische bedrijfswoning; met de daarbij behorende
bebouwing, erven, in- en uitritten, bedrijfsgronden en voorzieningen waaronder begrepen water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals sloten, greppels, watergangen, oppervlaktewaterberging, bruggen en duikers.
4.2.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
4.3.
Ingevolge artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geldt dat:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4.
Ingevolge artikel 4.2.3, onder b, van de planregels mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bedrijfswoning niet meer bedragen dan 80 m².
4.5.
Voor de gronden direct ten zuiden van de tuinbouwschuur geldt de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. Ingevolge artikel 5.2.1 van de planregels geldt voor bouwen op gronden met de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ de volgende regels:
nieuwe bedrijfsgebouwen (inclusief bedrijfswoning) zijn uitsluitend toelaatbaar indien het bouwplan in overeenstemming is met de toegelaten bedrijfsvoering en indien het noodzakelijk is voor een doelmatige, duurzame agrarische bedrijfsvoering;
alvorens een omgevingsvergunning te verlenen, wint het bevoegd gezag advies in bij een agrarisch deskundige wat betreft de noodzaak en doelmatigheid van het bouwplan, alsmede duurzaamheid, aard en omvang van de bedrijfsvoering (deeltijd, reëel en volwaardig).
4.6.
Ingevolge artikel 26.1 van de planregels geldt, voor zover relevant, het volgende:
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van de maatvoering en situering van gebouwen gelden de bouwregels, zoals die onder de bestemmingen en algemene bouwregels in artikel 23.2 zijn voorgeschreven, dan wel de bestaande overschrijding daarvan, zoals deze op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, of kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen;
Het bepaalde onder a. geldt niet voor bouwwerken d[i]e weliswaar in het verleden zijn vergund, maar inmiddels een andere bestemming hebben gekregen.
Is sprake van strijd met het omgevingsplan?
5. Eisers betogen dat het bouwplan in overeenstemming is met de algemene bouwregels van artikel 26.1 van de planregels. Daartoe voeren zij aan dat weliswaar sprake is van een overschrijding van de maximaal toegestane 80 m² aan bebouwing, maar dat deze overschrijding reeds onder het voorgaande bestemmingsplan aanwezig was. Volgens eisers is de uitzondering van artikel 26.1, onder b, van de planregels niet van toepassing, omdat met de vaststelling van het voorgaande bestemmingsplan geen nieuwe bestemming aan het perceel is toegekend. Hoewel de bestemming is gewijzigd van ‘Agrarische doeleinden – Kastuinbouw’ naar ‘Agrarisch – Bedrijfswoning’, betreft dit volgens eisers slechts een wijziging van de nadere aanduiding binnen dezelfde agrarische bestemming.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat met de bestemmingswijziging ook de planologische mogelijkheden op het perceel zijn gewijzigd. Anders dan onder de voormalige bestemming ‘Agrarische doeleinden – Kastuinbouw’, is het realiseren van agrarische bedrijfsgebouwen binnen de huidige bestemming ‘Agrarisch – Bedrijfswoning’ niet langer toegestaan. Daarom geldt de uitzondering van artikel 26.1, onder b, van de planregels volgens het college wel.
5.2.
De rechtbank leest artikel 26.1, onder a, van de planregels, net als partijen, aldus dat bestaande gebouwen waarvan de maatvoering bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijkt van de in de planregels voorgeschreven maatvoering, als zodanig zijn toegestaan. De bestaande afwijkende maatvoering wordt dan gerespecteerd.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat op het perceel waarop de tuinbouwschuur staat de bestemming ‘Agrarisch – Bedrijfswoning’ rust. Op grond van artikel 4.1, onder a en b, van de planregels is het perceel bestemd voor een agrarische bedrijfswoning met de daarbij behorende bebouwing. Uit artikel 4.2.3, onder b, van de planregels volgt dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bebouwing per bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 80 m². Vaststaat dat de tuinbouwschuur een oppervlakte heeft van 95 m² en daarmee deze maximale oppervlakte overschrijdt.
5.4.
Ter zitting hebben eisers toegelicht dat de schuur is herbouwd op de fundering van de oorspronkelijke schuur, die eveneens een oppervlakte had van 95 m² en reeds aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Glastuinbouw’ op 28 maart 2013. Daarom doet eiser een beroep op artikel 26.1, onder a, van de planregels. Op grond van artikel 26.1, onder b, van de planregels geldt het bepaalde onder a echter niet voor bouwwerken die inmiddels een andere bestemming hebben gekregen.
5.5.
De rechtbank overweegt dat bij de vraag of sprake is van een gewijzigde bestemming niet slechts betekenis toekomt aan de naam van de bestemming, maar vooral aan de planologische mogelijkheden die de bestemming biedt. Onder de voormalige bestemming ‘Agrarische doeleinden – Kastuinbouw’ waren agrarische bedrijfsactiviteiten en het realiseren van bijbehorende bedrijfsbebouwing toegestaan. Anders dan in het voorgaande bestemmingsplan biedt de huidige bestemming geen ruimte voor het realiseren van agrarische bedrijfsgebouwen. Omdat de bouw- en gebruiksmogelijkheden met de bestemmingswijziging zijn veranderd, is niet langer sprake van dezelfde bestemming. De enkele omstandigheid dat beide bestemmingen een agrarisch karakter hebben, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop kunnen eisers geen beroep doen op de algemene bouwregel van artikel 26.1, onder a, van de planregels.
5.6.
De rechtbank overweegt verder dat door eisers niet is betwist dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingsomschrijving van artikel 4.1 van de planregels voor de op het perceel rustende bestemming ‘Agrarisch – Bedrijfswoning.’ Binnen deze bestemming is uitsluitend bebouwing toegestaan die functioneel toebehoort aan de bedrijfswoning. Daarvan is sprake indien de bebouwing ten dienste staat van de woonfunctie van de bedrijfswoning. Uit de aanvraag volgt echter dat de tuinbouwschuur is bedoeld als werkschuur, kantoor, verkoopruimte en kantine. Daarmee is de schuur bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vereiste functionele verbondenheid met de bedrijfswoning ontbreekt.
Mocht het college de gevraagde omgevingsvergunning weigeren?
6. Eisers betogen dat zowel het (her)bouwen als het beoogde gebruik van de tuinbouwschuur in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast voeren eisers aan dat de noodzaak van de tuinbouwschuur voor de bedrijfsvoering pas kan worden beoordeeld indien daarvoor een tijdelijke omgevingsvergunning wordt verleend. Volgens hen heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom een dergelijke tijdelijke vergunning niet kan worden verleend. Ook houden de door het college genoemde alternatieve verkoopmogelijkheden volgens eisers onvoldoende rekening met de bedrijfsopzet. Tot slot betogen eisers dat geen sprake kan zijn van ongewenste precedentwerking. Uit de plantoelichting blijkt niet dat de bestemming ‘Agrarisch – Bedrijfswoning’ is opgenomen om lintbebouwing te beperken tot bestaande bedrijfswoningen. De planwetgever heeft uitsluitend beoogd het woonlint te vrijwaren van kassen. Nu de aangevraagde tuinbouwschuur geen kas betreft, kan van precedentwerking geen sprake zijn.
6.1.
Het college is niet bereid om medewerking te verlenen aan het permanent afwijken van het omgevingsplan voor de genoemde overschrijding van de oppervlakte en het beoogde gebruik. Daaraan legt het college, onder verwijzing naar het advies van agrarisch adviesbureau [bedrijf] van 10 oktober 2024, ten grondslag dat niet is gebleken dat de aangevraagde tuinbouwschuur noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Volgens het college hebben eisers bovendien onvoldoende onderbouwd waarom de binnen het omgevingsplan toegestane 80 m² aan bebouwing ontoereikend is voor het beoogde gebruik. Verder wijst het college erop dat eisers geen aanvraag hebben ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning, maar voor een omgevingsvergunning voor het permanent afwijken van het omgevingsplan. Hiernaast acht het college het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning onwenselijk vanwege de precedentwerking die daarvan kan uitgaan. Het college wil de lintbebouwing beperken tot bestaande bedrijfswoningen en voorkomen dat die gronden worden gebruikt voor meer bedrijfsmatige bebouwing. Vergunningverlening zou ertoe kunnen leiden dat ook andere agrarische bedrijven een uitbreiding van hun bedrijfsbebouwing realiseren die in strijd is met het omgevingsplan.
Beoordeling door de rechtbank
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
6.4.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat de noodzaak van de aangevraagde tuinbouwschuur voor een doelmatige, duurzame agrarische bedrijfsvoering voor hem het doorslaggevende criterium vormt bij de beoordeling van de aanvraag. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit criterium niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het college hetzelfde criterium hanteert bij aanvragen voor nieuwe bedrijfsgebouwen binnen de (direct ten zuiden van de tuinbouwschuur geldende) bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. Op grond van artikel 5.2.1, onder a, van de planregels zijn nieuwe bedrijfsgebouwen binnen die bestemming slechts toegestaan indien deze in overeenstemming zijn met de toegelaten bedrijfsvoering en noodzakelijk zijn voor een doelmatige, duurzame agrarische bedrijfsvoering. Op grond van artikel 5.2,1, onder b, van de planregels dient het college hierover advies in te winnen bij een agrarisch deskundige.
6.5.
Agrarisch adviesbureau [bedrijf] heeft op 10 oktober 2024 een advies uitgebracht over de noodzaak van de tuinbouwschuur en het beoogde gebruik daarvan voor de bedrijfsvoering. Uit dit advies volgt dat op het naastgelegen perceel glastuinbouw en vollegrondsteelt zijn toegestaan. Op het perceel is een gedeelte van de beteelbare volle grond in gebruik genomen en worden de gebouwen en de grond geschikt gemaakt voor de teelt van producten. Omdat er in voorgaande jaren niet geteeld is, is geen sprake meer van een deeltijd of volwaardig agrarisch bedrijf. Eisers willen op het bestaande bedrijf een tuinbouwbedrijf met een verkooppunt opzetten. [bedrijf] acht de verkooplocatie achter de woning aan de openbare weg een logische locatie. Het teeltplan van eisers maakt een deeltijdbedrijf in theorie mogelijk, maar het plan berust grotendeels op voornemens en op nog niet uitgevoerde plannen. Er zijn nog geen grote concrete aanpassingen aan het bedrijf gedaan en er vinden te weinig teelten plaats voor de verkoop. Er zijn daarom onvoldoende garanties dat het plan ook daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. [bedrijf] adviseert het college daarom een tijdelijke omgevingsvergunning voor circa twee jaar af te geven voor het gebruik van de tuinbouwschuur voor de verkoop van eigen geteelde producten, waarna kan worden beoordeeld of het bedrijf minimaal een deeltijdbedrijf vormt.
6.6.
Eisers hebben geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit blijkt dat het gebruik van de aangevraagde tuinbouwschuur en de overschrijding van de toegestane 80 m² wél noodzakelijk is voor een doelmatige, duurzame agrarische bedrijfsvoering. Het betoog van eisers geeft verder ook geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van het agrarisch advies. Voor zover eisers betogen dat de noodzaak van de tuinbouwschuur pas kan worden beoordeeld nadat deze in gebruik is genomen, overweegt de rechtbank dat dit betoog juist onderstreept dat de noodzaak van een permanente afwijking van het omgevingsplan op dit moment onvoldoende vaststaat. Eisers hebben verder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de binnen het omgevingsplan toegestane oppervlakte van 80 m² ontoereikend is voor de beoogde bedrijfsvoering en waarom een grotere oppervlakte noodzakelijk is.
6.7.
De rechtbank volgt eisers evenmin in hun betoog dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen tijdelijke omgevingsvergunning is verleend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan dient te beslissen op een aanvraag zoals deze is ingediend. Nu eisers een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor een permanente afwijking van het omgevingsplan, lag een tijdelijke omgevingsvergunning niet ter beoordeling voor. De enkele omstandigheid dat een tijdelijke omgevingsvergunning volgens [bedrijf] voorstelbaar is, betekent niet dat het college is gehouden om de gevraagde permanente omgevingsvergunning te verlenen.
6.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende hebben aangetoond waarom de aangevraagde tuinbouwschuur noodzakelijk is voor een doelmatige, duurzame agrarische bedrijfsvoering. Omdat daarmee niet is voldaan aan het doorslaggevende beoordelingscriterium, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning reeds daarom mogen weigeren. De overige beroepsgronden van eisers behoeven daarom geen bespreking. Het betoog van eisers slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
11 september 2026.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4624).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1155).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2970). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|