Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:12608 
 
Datum uitspraak:17-07-2026
Datum gepubliceerd:29-09-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:11739863 CV EXPL 25-13305
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Arbeidszaak. Toewijzing retentiebonussen (bonussen ter stimulering van continuering dienstverband tot de sluiting van het bedrijf)
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
kunstmest
meststoffen
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11739863 CV EXPL 25-13305

datum uitspraak: 17 juli 2026


Vonnis van de kantonrechter


in de zaak van



[eiser],

woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. J.J.A. Janssen,

tegen


Yara Vlaardingen B.V.,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.J. Hoekstra.

De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘Yara’ genoemd.




1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 2 juni 2025, met bijlagen 1 tot en met 5;


het antwoord;


de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Yara.





1.2.
Op 19 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] en met

[naam 1] (plantmanager en bestuurder) en [naam 2] (senior HR manager) voor Yara, en met de gemachtigden.





2De beoordeling


Waar gaat de zaak over?



2.1.
Yara maakt deel uit van een concern dat op verschillende productielocaties in de wereld (grondstoffen voor) kunstmest maakt. In Nederland heeft Yara fabrieken in Vlaardingen en Sluiskil. In het voorjaar van 2023 is het besluit genomen om de zogenoemde WSNPK-fabriek in Vlaardingen, waar in water oplosbare meststoffen worden geproduceerd, te sluiten. Voorafgaande hieraan heeft Yara in overleg met de vakorganisaties FNV en CNV een sociaal plan opgesteld, omdat het besluit zou leiden tot beëindiging van het dienstverband van een groot aantal werknemers maar tegelijkertijd bedrijfscontinuïteit met een gezonde en veilige bedrijfsvoering tot het moment van de sluiting van belang werd geacht. In het sociaal plan zijn voorzieningen opgenomen voor de werknemers van wie het dienstverband zou worden beëindigd bij de sluiting van de fabriek op 1 april 2025. Eén van de voorzieningen betrof een retentiebonus. Dat is een bonus die aan de werknemer wordt betaald als hij na afloop van een bepaalde periode nog in dienst van de werkgever is, om te bewerkstelligen dat de fabriek in bedrijf kon blijven tot de sluiting. Bepaald is dat de retentiebonus van een bruto maandsalaris periodiek betaald wordt aan de werknemer die een aanzegging heeft ontvangen en op bepaalde (in een schema vermelde) data in dienst is van werkgever. De aanzegging is de schriftelijke bevestiging van de werkgever aan de werknemer dat hij boventallig is geworden. In juni 2023 heeft Yara gesprekken gevoerd met haar werknemers om mee te delen of zij al dan niet boventallig werden verklaard, bij welke gelegenheid aan de medewerkers die het betrof een model vaststellingsovereenkomst is verstrekt. Met [eiser] is dit gesprek in juni 2023 niet gevoerd en aan hem is toen geen vaststellingsovereenkomst verstrekt. De reden hiervoor is geweest dat [eiser] op dat moment arbeidsongeschikt was als gevolg van uitval door ziekte op 6 januari 2023. [eiser] is die dag wel meegedeeld dat hij waarschijnlijk boventallig zou worden. In september 2023 is [eiser] begonnen met re-integreren en op 4 maart 2024 is hij volledig hersteld gemeld. Yara heeft vervolgens een vaststellingsovereenkomst aangeboden aan [eiser] in verband met het vervallen van zijn functie op 1 april 2025, welke overeenkomst hij op 10 april 2024 ondertekend heeft ingeleverd. Uiteindelijk heeft [eiser] zelf zijn arbeidsovereenkomst opgezegd, waardoor deze op 1 september 2024 geëindigd is.



2.2.
Voor het in dienst zijn op 1 december 2022, 1 maart 2024 en 1 juni 2024 heeft [eiser] retentiebonussen ontvangen. Voor het in dienst zijn op 1 september 2023 en
1 december 2023 niet. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op uitbetaling van ook die bonussen, maar Yara heeft dat geweigerd. [eiser] heeft overigens ook bonussen ontvangen voor het in dienst zijn op 1 maart 2023 en 1 juni 2023 terwijl hij toen arbeidsongeschikt was. Volgens Yara was dat een vergissing maar zij vordert de bedragen niet terug.



2.3.

[eiser] eist nu bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om Yara te veroordelen tot betaling aan hem van:


€ 11.067,58 bruto aan retentiebonussen in verband met het per 1 september 2023 en 1 december 2023 in dienst zijn;


50% wettelijke verhoging van die bonussen op grond van artikel 7:625 BW;


de wettelijke rente over deze bedragen;


€ 885,68 (exclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten;


de proceskosten.





2.4.
Yara is het hiermee niet eens.


Wat vindt de kantonrechter hiervan?



In de kern



2.5.
De kantonrechter wijst de eis toe, behalve de geëiste wettelijke verhoging die wordt beperkt. Dit om de volgende redenen.


Yara moet € 11.067,58 bruto aan retentiebonussen betalen



2.6.
Het geëiste bedrag van € 11.067,58 bruto aan retentiebonussen wordt toegewezen. Er is namelijk geen dragende reden geweest om de bonussen niet uit te betalen aan [eiser]. Yara heeft dat niet gedaan, omdat [eiser] weliswaar op 1 september 2023 en 1 december 2023 in dienst was, maar hem toen nog niet schriftelijk was aangezegd dat hij boventallig zou worden. Als reden hiervoor is gegeven dat [eiser] toen arbeidsongeschikt was wegens ziekte en dat de aanzegging zich niet zou verdragen met het opzegverbod tijdens ziekte. Dat laatste wordt niet onderschreven want een aanzegging is niet hetzelfde als een opzegging. De aanzegging betrof de mededeling dat de fabriek zou gaan sluiten en dat de functie van [eiser] daardoor zou verdwijnen, zodat hij boventallig zou worden. In juni 2023 is hierover gesproken met [eiser] en is hem meegedeeld dat hij waarschijnlijk boventallig zou worden, terwijl dat toen eigenlijk al wel duidelijk was, maar anders dan bij zijn collega’s is gebeurd is hem destijds geen vaststellingsovereenkomst aangeboden door Yara. Het aanbieden van de vaststellingsovereenkomst ziet Yara als de aanzegging. Dat had wel gekund, want ook aan een zieke werknemer kan een vaststellingsovereenkomst worden aangeboden, maar tegelijkertijd was dat op dat moment helemaal niet nodig, want de sluiting was pas bijna twee jaar later en de aanzegging kon ook op andere manier schriftelijk worden gedaan dan met een vaststellingsovereenkomst. Anders dan Yara lijkt te betogen staat het opzegverbod tijdens ziekte niet hieraan in de weg. Er is geen sprake geweest van een aanvraag bij het UWV om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar als dat wel was gebeurd dan zou dat in de gegeven situatie van beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming niet altijd in strijd zijn geacht met het opzegverbod tijdens ziekte. De tekst in het sociaal plan over de retentiebonus levert geen basis op voor het niet doen van de aanzegging aan [eiser] dat hij boventallig zou worden. Die tekst is leidend in dit soort regelingen. Anders dan van de zijde van Yara is aangevoerd, levert het doel en de strekking of de geest van de regeling in het sociaal plan ook niet voldoende reden op voor haar handelswijze. De regeling is bedoeld om medewerkers te verleiden bij Yara te blijven werken, onder meer door ziekmeldingen vanwege de aangekondigde sluiting te vermijden, maar niet zonder meer valt in te zien waarom dan de aanzegging in juni 2023 achterwege gebleven is want [eiser] was toen al enige tijd ziek. Na verloop van tijd is hij gaan re-integreren, wat natuurlijk moest gebeuren zodra dat kon maar ook strookt met het doel van de regeling. Van belang is verder dat werknemers van Yara die de aanzegging in juni 2023 gekregen hebben en nadien uitgevallen zijn door ziekte wel de bonus toegekend gekregen hebben, zoals [eiser] onweersproken heeft gesteld. Dat alles maakt dat het niet doen van de aanzegging aan [eiser] in juni 2023, terwijl daarvoor geen beletsel is geweest, willekeurig is geweest. Het niet hebben ontvangen van de aanzegging valt onder deze omstandigheden aan te merken als een drogreden om de retentiebonussen te weigeren, omdat Yara de aanzegging had kunnen en moeten doen, waarbij van betekenis is dat gesteld noch gebleken is dat Yara eventueel een andere functie binnen het concern voor [eiser] in het verschiet had liggen.


Het bedrag aan retentiebonussen wordt verhoogd met 15% (wettelijke verhoging)



2.7.
Omdat Yara te laat is met de uitbetaling van de retentiebonussen en dit haar valt toe te rekenen, heeft [eiser] aanspraak op verhoging wegens vertraging. In dit verband wordt overwogen dat de bonussen, gelet op de regeling, worden gezien als naar tijdruimte vastgesteld loon. Anders dan geëist wordt niet de verhoging met 50% toegewezen, maar wordt de verhoging beperkt tot 15% van het bedrag aan te laat betaalde retentiebonussen. Dit komt neer op € 1.660,14 bruto (15% van € 11.067,58 bruto). Deze beperking komt de kantonrechter billijk voor, omdat enerzijds een sanctie nodig is maar anderzijds de arbeidsovereenkomst tussen partijen al geëindigd is waardoor een verhoging als prikkel voor de werkgever om op tijd te betalen minder doelmatig is.


Yara moet rente betalen



2.8.
De rente wordt toegewezen, zoals geëist vanaf de data waarop de bedragen aan retentiebonussen en wettelijke verhoging opeisbaar geworden zijn. Yara heeft de rente niet afzonderlijk betwist.


Yara moet € 885,68 aan incassokosten betalen



2.9.
De incassokosten van € 885,68 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen. In dit verband wordt overwogen dat niet betwist is dat de gemachtigde van [eiser] werkzaamheden verricht heeft om te proberen de retentiebonussen buiten rechte te innen. Deze werkzaamheden zijn redelijkerwijs noodzakelijk geweest en de gemaakte kosten zijn naar hun omvang redelijk. Onder toepassing van de in de rechtspraak gebruikelijke staffel om deze kosten te berekenen komt de kantonrechter, gelet op de openstaande hoofdsom aan retentiebonussen, ook uit op het bedrag van € 885,68. Deze kosten vallen niet onder de forfaitaire proceskosten, maar worden gezien als schade.


Yara moet de proceskosten betalen



2.10.
De proceskosten komen voor rekening van Yara, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die Yara aan [eiser] moet betalen op
€ 122,25 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.387,25. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.


Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad



2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en Yara daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt Yara om aan [eiser] te betalen:


€ 11.067,58 bruto aan retentiebonussen;


€ 1.660,14 bruto aan wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW;


de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de bedragen aan retentiebonussen en wettelijke verhoging vanaf de data waarop deze bedragen opeisbaar geworden zijn tot de dag dat volledig is betaald;


€ 885,68 aan buitengerechtelijke incassokosten;





3.2.
veroordeelt Yara in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.387,25;



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465



Artikel 7:671 lid 1 sub a gelezen in samenhang met artikel 7:671a BW en artikel 7:670, lid 2 onder d, BW. Zie ook Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen onder 4.2.2.1


CAO-norm


Artikel 7:625 lid 1 BW


Artikel 7:623 lid 1 BW


Artikel 6:96 BW


Artikel 237 Rv


Artikel 233 Rv
Link naar deze uitspraak