|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:28769 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | AWB 24/7916 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | VK; visum kort verblijf; twijfel over tijdige terugkeer; hoorplicht; ogg; bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk; wel pkv. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | landbouwbedrijf | | | landbouwgrond | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/7916
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Benali),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eiser heeft op 27 september 2023 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 5 april 2024 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 2 mei 2024 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van afmelding, niet verschenen. Verschenen zijn: [naam referent] (zwager van eiser en referent), [naam zus] (zus van eiser) en [naam kantoorgenoot gemachtigde] (kantoorgenoot van gemachtigde).
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft een visum aangevraagd om zijn zus en andere familieleden te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a) ii en onder b) van Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode).
Omvang van het geding
2. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2.1.
Het bestreden besluit 2 van 2 mei 2024 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Met dit besluit is niet aan de bezwaren van eiser tegemoet gekomen en de rechtbank neemt daarom aan dat eiser belang heeft bij de beoordeling van dat besluit. Het bestreden besluit 2 is daarom ook onderwerp van dit geding.
Bestreden besluit 1
3. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Verweerder heeft dit besluit ingetrokken en vervangen door het bestreden besluit 2 van 2 mei 2024. Eiser stelt dat hij belang heeft bij de beoordeling of zijn bezwaar terecht kennelijk niet ontvankelijk was verklaard omdat aan hem vanwege de kennelijkheid geen dwangsom is betaald voor het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar na zijn ingebrekestelling. Dit betoog slaagt niet. Uit r.o. 9 volgt dat verweerder het bezwaar vervolgens terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Eiser kan dan ook geen aanspraak maken op een dwangsom en heeft daarom geen belang bij zijn beroep tegen het bestreden besluit 1.
Bestreden besluit 2
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiser gehandhaafd. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding van eiser met Marokko dat zijn tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is, zodat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Daarnaast stelt verweerder dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.
Beroepsgronden
5. Eiser betoogt dat hij wel degelijk voldoende sociale binding met Marokko heeft. Eiser ondersteunt namelijk zijn ouders met zijn landbouwonderneming in Marokko. In de Marokkaanse cultuur wordt ook van eiser verwacht dat hij tot aan hun dood voor hen zorgt. Eiser woont dan ook samen met zijn ouders en zorgt voor zijn ernstig zieke vader. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de getuigenverklaring van zijn ouders. Eiser wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2095).
Eiser betoogt daarnaast dat hij ook voldoende economische binding met Marokko heeft. Eiser runt in Marokko een eigen landbouwbedrijf. Dit bedrijf verkoopt groenten en fruit aan diverse partijen en heeft twee personeelsleden in dienst. Ter onderbouwing van het bestaan van dit bedrijf heeft eiser een verklaring van de Marokkaanse autoriteiten overgelegd. Volgens eiser is het zeer onaannemelijk dat hij zijn zakelijke verplichtingen niet zal nakomen en een illegaal bestaan in Nederland zal gaan leiden. Eiser heeft het financieel goed en leidt een comfortabel leven in Marokko.
Verder voert eiser aan dat verweerder hem in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser wijst er in dit verband op dat het bestreden besluit zeven pagina’s beslaat zodat niet op voorhand duidelijk kon zijn dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 26 september 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10036).
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
[…]
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
[…]
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Beoordeling
7. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Twijfel over tijdige terugkeer
8. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum te verlaten (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode), overweegt de rechtbank als volgt.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn sociale binding met Marokko zodanig sterk is dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat eiser ongehuwd is en geen kinderen heeft. Eiser heeft dus geen sociale band met Marokko voor wat betreft een eigen gezin. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen stellen dat eiser niet nader heeft onderbouwd dat zijn vader ziek is en dat eiser daadwerkelijk zorg draagt voor zijn vader. De enkele verklaring van eiser dat hij voor zijn ouders zorgt en dat hij hen onderhoudt, acht de rechtbank onvoldoende. In aansluiting hierop kan ook het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021 eiser niet baten. In de door eiser aangehaalde uitspraak wordt gesproken over getuigenverklaringen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Anders dan eiser stelt, is de verklaring niet afkomstig van zijn ouders, maar van eiser zelf. Tot slot is niet gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die maken dat sprake is van een zodanige sociale binding met Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd kan worden geacht. Dat binnen de Marokkaanse cultuur van kinderen wordt verwacht dat zij voor hun ouders zorgen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een maatschappelijke verplichting die maakt dat voldoende sociale binding met Marokko bestaat.
8.2.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ook in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn economische binding met Marokko zodanig sterk is dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Eiser heeft geen stukken overgelegd waarmee de reële bedrijfsactiviteiten en de daaruit gestelde opbrengsten worden aangetoond. Eiser heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij een stuk landbouwgrond in bezit heeft. Daarnaast is de overgelegde verklaring dat eiser twee werknemers in dienst heeft, afkomstig van eiser zelf en is dit verder ook niet met objectieve stukken onderbouwd. Bovendien toont deze verklaring niet aan dat eiser reële bedrijfsactiviteiten verricht. De door eiser overgelegde verklaring van het Marokkaanse ministerie van Landbouw, Maritieme Visserij, Plattelandsontwikkeling en Water en Bossen geeft, zoals verweerder terecht heeft gesteld, geen inzicht in de gestelde onderneming van eiser. De stelling van eiser dat het zeer onaannemelijk is dat hij zijn zakelijke verplichtingen in Marokko niet zal nakomen en dat hij daar een goed en comfortabel leven leidt, is onvoldoende voor de conclusie dat eiser wel voldoende economische binding heeft met Marokko.
8.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat er in het geval van eiser sprake is van vestigingsgevaar. Deze grond is op zichzelf reeds voldoende om de weigering van het visum voor kort verblijf te dragen.
Hoorplicht
9. Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiser was er in het primaire besluit al op gewezen dat hij onvoldoende had aangetoond dat hij een voldoende sociale en economische binding met Marokko heeft. Nu dit aspect in bezwaar onvoldoende is onderbouwd, heeft verweerder van het horen van eiser en referent kunnen afzien. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dat het bestreden besluit zeven pagina’s beslaat, maakt niet dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Ook de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 26 september 2022 mag eiser niet baten. In deze uitspraak werd van belang geacht dat verweerder na ontvangst van het bezwaarschrift een vragenlijst had toegestuurd, waardoor volgens de rechtbank op voorhand niet duidelijk was dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De vragenlijst is naar eiser gestuurd toen nog geen gronden van bezwaar waren ingediend zodat dit niet kan worden aangemerkt als een reactie van verweerder op de inhoudelijke gronden van bezwaar.
Conclusie en gevolgen van het beroep tegen het bestreden besluit 2
10. Het beroep is ongegrond.
11. De rechtbank ziet aanleiding om enkel de proceskosten voor het ingediende beroep tegen het bestreden besluit 1 te vergoeden. Eiser heeft op 3 mei 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Aannemelijk is dat eiser toen nog niet bekend was met de intrekking van dit besluit op 2 mei 2024. De beroepsgronden zijn echter ingediend op 3 juni 2024 toen inmiddels bekend was dat het besluit van 5 april 2024 waartegen het beroep was gericht al door verweerder was ingetrokken. De proceskosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 467,- (1 punt voor het indien van een beroepsschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|