|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:5757 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 23 / 2234 ROE 23 / 2354 en ROE 23 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over drie besluiten. Het betreft een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de bouw van een riooloverstortput (23/2355), een omgevingsvergunning voor het legaliseren van keermuren (23/2354) en een afwijzing van een door eisers ingediend handhavingsverzoek (23/2234) in verband met wateroverlast van de Gulp. Het college heeft de bezwaren van eisers bij de bestreden besluiten deels ongegrond verklaard. Eisers zijn het daarmee niet eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep 23/2355 ongegrond is. De beroepsgronden van eisers tegen de op grond van de artikelen 2.1, eerste lid, onder a, b en c, van de Wabo verleende omgevingsvergunningen slagen niet. De andere beroepen zijn gegrond. Ten aanzien van het beroep 23/2234 voorziet de rechtbank zelf in de zaak. Ten aanzien van het beroep 23/2354 draagt de rechtbank het college op opnieuw te beslissen op het bezwaar van eisers. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. | | Trefwoorden | : | aanlegvergunning | | | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bestuursdwang | | | bouwvergunning | | | buitengebied | | | forfaitair | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | waterschap | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23 / 2234, ROE 23 / 2354 en ROE 23 / 2355
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaken tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem, het college
(gemachtigde: mr. E.M.G. Haagmans).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, het waterschap
(gemachtigden: mr. M. Buitenhuis en mr. T. Raaijmakers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over drie besluiten van het college. Het betreft een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de bouw van een riooloverstortput, een omgevingsvergunning voor het legaliseren van het aanleggen van een tweetal keermuren en een afwijzing van een door eisers ingediend handhavingsverzoek in verband met wateroverlast van de Gulp. Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Het college heeft de bezwaren bij de bestreden besluiten deels ongegrond verklaard. Eisers zijn het daarmee niet eens. Zij voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunningen mocht verlenen en of het college handhavend had moeten optreden tegen de door eisers gestelde overtredingen. Eisers hebben ook gevraagd om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep 23 / 2355 ongegrond is. De andere beroepen zijn gegrond. Ten aanzien van het beroep 23 / 2234 voorziet de rechtbank zelf in de zaak. Ten aanzien van het beroep 23 / 2354 draagt de rechtbank het college op opnieuw te beslissen op het bezwaar van eisers. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn toegewezen.
Procesverloop
1.2.
Op 22 november 2022 hebben eisers een handhavingsverzoek ingediend bij het college ten aanzien van werkzaamheden nabij hun woning / perceel in verband met wateroverlast van de Gulp die volgens hen zonder vergunning zijn uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan, op 22 februari 2023 en 17 maart 2023, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor respectievelijk het bouwen van de overstortput en het aanleggen van de keermuren naast de Gulp. Op 3 maart 2023 heeft het college het handhavingsverzoek voor het overige afgewezen. Eisers hebben tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 31 augustus 2023 heeft het college drie beslissingen op bezwaar (hierna: de bestreden besluiten) genomen. De bezwaren zijn deels gegrond en ongegrond verklaard. Het betreft de (gedeeltelijke) afwijzing van het handhavingsverzoek (23 / 2234), de legaliserende omgevingsvergunning voor de aangelegde oeververdediging in de vorm van twee keermuren met ophogingen van de grond (23 / 2354) en de legaliserende omgevingsvergunning voor de overstortput (23 / 2355).
1.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
1.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Eisers hebben hun beroepschriften meermaals aangevuld.
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 september 2025 op zitting behandeld.Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en [naam 1] en [naam 2] namens het college, de gemachtigden van het waterschap en [naam 3] en [naam 3] namens het waterschap.
1.8.
Naar aanleiding van de zitting heeft het waterschap bij schrijven van
19 september 2025 een aantal vragen van de rechtbank beantwoord en informatie aangeleverd.
1.9.
Op 24 september 2025 heeft een onderzoek ter plaatse plaatsgevonden. Daarbij waren naast voornoemde personen ter zitting ook eisers aanwezig. Afgesproken is om de hydroloog van het waterschap een aantal vragen te laten beantwoorden.
1.10.
Naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse heeft het waterschap bij schrijven van 22 oktober 2015 informatie toegezonden alsmede de rapportage van de hydroloog van het waterschap met antwoorden op de gestelde vragen.
1.11.
Eisers hebben op 3 november 2025 schriftelijk gereageerd op de brieven / informatie van het waterschap van 19 september en 22 oktober 2025. Van de geboden mogelijkheid daarop te reageren hebben het college / waterschap geen gebruik gemaakt.
1.12.
Partijen hebben van een nadere zitting afgezien en het onderzoek is gesloten op
15 januari 2026.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
Feiten en omstandigheden
2. Aan deze uitspraak is een schematische weergave van de locatie met de van belang zijnde voorzieningen / werkzaamheden gevoegd (bijlage 1 en 2). Daarnaast gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3. Eisers zijn woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] . Achter hun woning stroomt de Gulp (snelstromende beek). Bij woningen in het stroomgebied van de Gulp / in de directe omgeving van eisers trad in het verleden water- en modderoverlast op. Het waterschap is daarom in 1999 begonnen met het treffen van maatregelen om dit tegen te gaan.
3.1.
In 2003, in navolging van een besluit van 7 februari 2000, wilde het waterschap overgaan tot het verbreden van het profiel van de Gulp over een lengte van zo’n 160 meter aan de achterkant van de woning van eisers. Daarvoor moest het wegprofiel van de [straatnaam 1] aangepast worden. De bedoeling was dat met het kantelen van de weg het water dat uit het landelijke gebied de weg op stroomde de Gulp in zou stromen voordat er wateroverlast kon optreden bij (lager gelegen) woningen aan de [straatnaam 1] , waaronder de woning van eisers.
3.2.
De hiervoor bedoelde verbreding van de Gulp heeft echter nooit plaatsgevonden vanwege weerstand in de buurt. Het aanpassen van het wegprofiel van de [straatnaam 1] is wel uitgevoerd. Het waterschap heeft daartoe in 2010 in verband met het project ‘Wegaanpassing Beutenaken’ een ander gedeelte van de Gulp over een lengte van ongeveer 20 meter verbreed. Het rioleringsstelsel is aangepast en het deel van de [straatnaam 2] dat nabij de voorde van de Gulp ligt is verlaagd. Voorts is de [straatnaam 1] bij de woning van eisers verlaagd en gekanteld en is er een nieuwe voetgangersbrug over de Gulp geplaatst. Daarnaast zijn er bij het verbrede gedeelte van de Gulp twee stapelmuren (hierna ook: keermuren) geplaatst, één ter voorkoming van het verzakken van de nieuwe voetgangersbrug en één ter voorkoming van profielvernauwing, verzakken en wegspoelen van die brug en afkalving van de oever. Desondanks was er daarna sprake van wateroverlast.
3.3.
Op 28 juli 2012 heeft er een overstroming plaatsgevonden van de Gulp. Volgens het waterschap is dit een omstandigheid die één keer in 150 jaar voorkomt en was er op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen beschermingsniveau voor het gebied bij de woning van eisers van toepassing. Er is alsnog gekeken naar het verbeteren van de maatregelen tegen wateroverlast ter plaatse door het waterschap.
3.4.
De te nemen maatregelen zijn op 23 oktober 2018 vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst ‘Aanpak wateroverlast in het Gulpdal’. De daarin afgesproken maatregelen zijn in de notitie ‘Verbreden Gulp en aanpassen wegprofiel [straatnaam 1] te Waterop / Beutenaken’ (hierna: de notitie Beutenaken), door partijen ondertekend op
3 december 2019, nogmaals opgenomen.Gebleken is dat bepaalde maatregelen niet haalbaar / effectief waren.
3.5.
Het waterschap heeft ervoor gekozen om een muurtje te plaatsen aan de voorzijde van de woning van eisers langs de [straatnaam 1] om wateroverlast vanuit die weg te voorkomen. Dit muurtje was tijdens de werkzaamheden in 2010 verwijderd en door eisers zelf teruggeplaatst. Het waterschap heeft in overleg met eisers het muurtje nadien verstevigd.
3.6.
Hoewel er veel werkzaamheden zijn uitgevoerd om de wateroverlast van de Gulp te beperken, is niet alles op de juiste manier vergund. Afgesproken is - dat is vastgelegd in de notitie Beutenaken - om alsnog een vergunning aan te vragen voor het ophogen van de stapelmuren en het achtergelegen wandelpad. Daarnaast moest er een vergunning worden aangevraagd voor een overstortput die geplaatst is op de hoek van de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] , die dient ter vervanging van de oude overstortput. Voor het aanleggen van deze put en de uitmonding daarvan in de Gulp is op 5 januari 2010 en 27 april 2011 een gemeentelijke aanlegvergunning verleend. Het waterschap heeft op 25 mei 2021 hiervoor een lozingsvergunning verleend. De put is echter groter dan 15 vierkante meter gebleken, waardoor alsnog een bouwvergunning nodig was. Deze is bij gemeentelijke omgevingsvergunning van 22 februari 2023 verleend.
3.7.
In juli 2021 is de Gulp nogmaals overstroomd. Volgens het waterschap is dit een omstandigheid die één keer in de 500 jaar voorkomt. De wateroverlast was zodanig dat er water in de woning (met name de keuken) van eisers terecht is gekomen. Tijdens deze overstroming kwam het water niet via de [straatnaam 1] de woning van eisers in. Het water stroomde via de achterzijde van het perceel naar voren en is uiteindelijk via de voorkant van de woning (onderkant van de voordeur) naar binnen gestroomd. Het muurtje, zoals onder 3.5 beschreven, heeft het water vanuit de [straatnaam 1] tegengehouden. Dat is daarna nog verhoogd.
Handhavingsverzoek
4. Het handhavingsverzoek van 22 november 2022 betreft de volgende onderdelen:
Overstortput met een oppervlakte van 16m2;
Waterstaatswerk keermuur A, hoogte 1.90 tot 2 meter, gebouwd door het waterschap;
Waterstaatswerk keermuur B, hoogte circa 1,7 meter, gebouwd door het waterschap;
Grondophogingen ter plaatse van veel te hoog gebouwde keermuur A inclusief ophogen achtergelegen wandelpad, door het waterschap;
Grondophogingen achter veel te hoog gebouwde keermuur B van het waterschap;
Verlagen van [straatnaam 2] (AW-LN) in opdracht en voor rekening van het waterschap.
4.1.
Op 30 januari 2023 hebben eisers hun handhavingsverzoek aangevuld en gecorrigeerd. Eisers hebben daarin, kort gezegd, het college verzocht om ook handhavend op te treden tegen een muur bekend als keermuur C in aanvulling op punt 5 zoals hiervoor omschreven.
De primaire besluiten
5. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft het college op 22 februari 2023 en 17 maart 2023 een omgevingsvergunning verleend voor respectievelijk het bouwen van de overstortput en het aanleggen van de keermuren naast de Gulp. Op 3 maart 2023 heeft het college het handhavingsverzoek voor het overige afgewezen. Eisers hebben tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt.
5.1.
De adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de bezwaarcommissie) heeft het college op 17 augustus 2023 driemaal van advies voorzien. Deze commissie heeft het college geadviseerd om eisers als belanghebbenden aan te merken bij de keermuren, de riooloverstortput en alle onderdelen van het handhavingsverzoek. Ten aanzien van de keermuren A en B heeft de bezwaarcommissie het college geadviseerd om een aantal gebreken in de beslissing op bezwaar te herstellen. Daarnaast is geadviseerd de verleende vergunning te beperken tot enkel het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde. Ten aanzien van het handhavingsverzoek is het college geadviseerd de beslissing op het handhavingsverzoek te herroepen voor zover eisers daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun verzoek en een nieuwe beslissing te nemen. Voor het overige adviseert de bezwaarcommissie om het primaire handhavingsbesluit in stand te laten. Ten aanzien van de overstortput is het college geadviseerd het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren.
De bestreden besluiten
6. Bij de bestreden besluiten heeft het college met verwijzing naar de adviezen van de bezwaarcommissie de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten deels gegrond en ongegrond verklaard.
Beroepsgronden en reactie college
7. Eisers hebben een aantal beroepsgronden. Deze beroepsgronden worden in het navolgende vermeld en beoordeeld.
8. Het college heeft hierop met een verweerschrift gereageerd.
9. Eisers hebben vervolgens hun beroepschrift meermaals aangevuld en wel op de volgende momenten: 9 mei 2025, 12 mei 2025, 8 juli 2025, 25 juli 2025,
18 augustus 2025, 1 en 2 september 2025 en 3 november 2025.
Zitting en vervolg
10. Naar aanleiding van de zitting heeft het waterschap bij schrijven van
19 september 2025 nog een aantal vragen beantwoord en informatie aangeleverd. Op
24 september 2025 heeft er een onderzoek ter plaatse plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het waterschap bij schrijven van 22 oktober 2015 informatie toegezonden alsmede de rapportage van de hydroloog van het waterschap met antwoorden op tijdens het onderzoek ter plaatse gestelde vragen. Eisers hebben op 3 november 2025 schriftelijk gereageerd op de brieven / informatie van het waterschap van 19 september en 22 oktober 2025. Het college heeft daarop niet inhoudelijk gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
11. De in het handhavingsverzoek (zie onder 4) gestelde overtredingen 1 t/m 5 zijn achteraf bij wege van omgevingsvergunningen gelegaliseerd (zie onder 5). In zaak 23 / 2355 gaat het om overtreding 1 (zie onder 13 e.v.). In zaak 23 / 2354 gaat het om de overtredingen 2 t/m 5 (zie onder 27 e.v.). In dit licht zal de rechtbank zich wat betreft de handhaving (23 / 2234) richten op het beoordelen van (vermeende) overtreding 6 (zie onder 53 e.v.). In het licht van de beroepsgronden zal de rechtbank ook op het aanvullende handhavingsverzoek ten aanzien van keermuur C ingaan (zie onder 4.1 en 48).
Toetsingskader
12. De van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in bijlage 3 bij deze uitspraak.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat het handhavingsverzoek dat ten grondslag ligt aan deze procedure en de omgevingsvergunningen dateren van voor 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat dit geschil beoordeeld moet worden aan de hand van het voor 1 januari 2024 geldende recht. De rechtbank zal de bestreden besluiten beoordelen aan de hand van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor zover eisers verwijzen naar wet- en regelgeving die na het bestreden besluit tot stand is genomen, zal de rechtbank daar niet op in gaan.
Omgevingsvergunning voor de riooloverstortput (23 / 2355)
13. Op 24 oktober 2022 heeft de gemeente Gulpen-Wittem een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een riooloverstortput, het uitvoeren van werkzaamheden en het handelen in strijd met het bestemmingsplan “Gulpen-Wittem buitengebied” (het bestemmingsplan). Deze aanvraag dient ter legalisatie van de in 2010 geplaatste overstortput. Deze put bevindt zich op de hoek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] , nabij de woning van eisers.
13.1.
Bij het primaire besluit van 22 februari 2023 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Daarbij is vergund het (ver)bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
Omgevingsvergunning (bouwen)
14. Het bouwen van de overstortput is getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota, het Bouwbesluit 2012 en de gemeentelijke bouwverordening, gelet op artikel 2.10 van de Wabo. Volgens het college wordt er voldaan aan deze regelgeving en beleidsregels, maar is het wel noodzakelijk gebleken om een aantal voorschriften aan de vergunning te verbinden. Het bouwplan is wel in strijd met de regels van het bestemmingsplan. Daarom heeft het college naast deze bouwvergunning ook een vergunning verleend voor het afwijken van de regels van het bestemmingsplan (zie onder 16). Daarnaast is ook het aanleggen vergund (zie onder 15).
Omgevingsvergunningen (aanleggen)
15. Het afgraven van de grond en het aanleggen van leidingen, vergund via artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, is getoetst aan het bestemmingsplan. Voor het afgraven van de grond c.q. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 meter is op grond van de artikelen 6.7.1 onder c, 27.3.1 onder b en c, 30.2.1 onder b, en 33.4.1 onder c, van het bestemmingsplan een aanlegvergunning vereist. Voor het aanleggen van leidingen c.q. het aanleggen van voorzieningen voor de opvang en / of afvoer van hemelwater is op grond van de artikelen 6.7.1, onder b en d, 27.3.1, onder g en h, 29.3.1, onder c, en 30.2.1, onder d en e, van het bestemmingsplan een aanlegvergunning vereist. Voor het egaliseren van gronden is op grond van de artikelen 6.7.1, onder c, 27.3.1, onder a, en 30.2.1, onder b, van het bestemmingsplan een aanlegvergunning vereist. Het college heeft op grondslag van deze artikelen meerdere aanlegvergunningen verleend.
15.1.
Het toetsingskader voor het verlenen van de aanlegvergunningen is gelegen in de artikelen 6.7.3, 27.3.3, 29.3.3, 30.2.3 en 33.4.3 van het bestemmingsplan. Daarin is bepaald dat de werken of werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 6.7.1, 27.3.1, 29.3.1, 30.2.1 en 33.4.1 respectievelijk slechts toelaatbaar zijn indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in de aanhef van dit artikel genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind. Het college is van mening dat voldaan wordt aan de criteria die in het bestemmingsplan genoemd worden voor het verlenen van de benodigde aanlegvergunningen.
Omgevingsvergunning (voor het afwijken van het bestemmingsplan)
16. Het bouwen van de overstortput is in strijd met artikel 6.2 van het bestemmingsplan, omdat bouwen niet is toegestaan op percelen waarop de bestemming “Agrarisch met Waarden- Natuur- en Landschapswaarden” rust. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) (de zogeheten kruimelgevallenregeling) in combinatie met de beleidsregel “Buitenplanse Afwijkingsmogelijkheden gemeente Gulpen-Wittem 2015” (de beleidsregel) is het strijdig handelen vergund.
17. Bij het bestreden besluit van 31 augustus 2023 heeft het college het bezwaar van eisers tegen de omgevingsvergunning van 22 februari 2023 ongegrond verklaard. Eisers zijn het hier niet mee eens.
Gronden van beroep
18. Op voorhand constateert de rechtbank dat eisers geen gronden hebben aangevoerd over het al dan niet mogen verlenen van de bouwvergunning, op het strijdig handelen met het bestemmingsplan na.
Voldoen aan indieningsvereisten / zorgvuldigheid
19. Volgens eisers is er niet voldaan aan de indieningsvereisten van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Eisers maken niet concreet aan welk onderdeel van de Mor niet voldaan wordt. De rechtbank kan eisers niet volgen in dit standpunt.
19.1.
Volgens eisers is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen omdat de aanvraag volgens hen gebrekkig is en er niet is getoetst aan de doeleinden in het bestemmingsplan. De rechtbank is echter van mening dat de doeleinden van het bestemmingsplan geen toetsingskader vormen voor het college. Het toetsingskader is hiervoor (onder 15 en 15.1) omschreven. Van een gebrekkige aanvraag is de rechtbank evenmin gebleken.
Duidelijkheid aanlegvergunningen
20. Eisers schrijven in hun beroepschrift dat onduidelijk is welke werkzaamheden vergund zijn met de verleende aanlegvergunningen. De rechtbank is echter van oordeel dat in de verleende omgevingsvergunning van 22 februari 2023 duidelijk is omschreven welke werkzaamheden op grond van het bestemmingsplan vergunningplichtig zijn en met de omgevingsvergunning vergund worden. Het betreft (zie onder 15) het aanleggen van leidingen, het afgraven en het egaliseren van de grond. De rechtbank is verder niet gebleken van onevenredige aantasting van belangen of bestemmingsomschrijvingen.
Strijd met de goede ruimtelijke ordening
21. Eisers stellen dat de vergunning niet verleend had mogen worden omdat sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. Dit is er volgens hen in gelegen dat alsnog sprake is van wateroverlast vanwege het samenkomen van lozingswater uit de regio in de overstortput. Daarnaast zijn zij van mening dat het maken van een nieuw lozingspunt niet noodzakelijk was en daarom niet had mogen gebeuren conform het beleid van de gemeente Gulpen-Wittem.
22. Het college vindt dat het gerealiseerde lozingspunt en de overstortput deel uitmaken van het rioolstelsel en daarom niet opgeheven kunnen worden. Volgens het college voldoet de put aan de wettelijke bouwkundige eisen, geregeld in het RAW-bestek. Het college verwijst naar de rapporten van [naam 4] en stelt dat er geen sprake is van toegenomen wateroverlast, alleen dat de wateroverlast door de maatregelen beperkt is maar nooit uitgesloten kan worden vanwege de aard van de ligging aan de Gulp.
23. Voor het afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van de kruimelgevallenregeling is vereist dat voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het college moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
24. Het college heeft de hiervoor bedoelde beleidsregel aangewend ter invulling van hetgeen bepaald is in artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor. In artikel 5.1 van de beleidsregel is bepaald dat het afwijken van het bestemmingsplan enkel is toegestaan indien de noodzakelijkheid hiervan is onderbouwd. Volgens eisers is hiervan geen sprake.
25. Voor zover eisers stellen dat de overstortput leidt tot wateroverlast en daardoor tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een oorzakelijk verband tussen de overstortput en wateroverlast, behoudens in (zeer) uitzonderlijke situaties. De wateroverlast die eisers hebben ervaren en tot wateroverlast in de woning heeft geleid kwam voort uit zeer uitzonderlijke situaties. Dit wordt bevestigd door de hydroloog van het waterschap in de brief van 22 oktober 2025 naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het advies van de hydroloog te twijfelen.
25.1.
Voor zover eisers stellen dat niet aan de beleidsregel wordt voldaan vanwege het ontbreken van de noodzakelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat het college voldoende heeft aangetoond dat het bouwen van de overstortput noodzakelijk is. Het college heeft hierbij verwezen naar het advies van de bezwaarcommissie waarin is opgenomen dat de overstortput juist bijdraagt aan het verminderen van het storten van vuilwater in de Gulp. De rechtbank is van oordeel dat het bouwen van de overstortput voldoet aan artikel 5.1 van de beleidsregel en verder ook niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is niet gebleken dat het college de rapporten van [naam 4] niet ten grondslag mocht leggen aan de omgevingsvergunning.
26. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het legaliseren van de overstortput heeft mogen verlenen / er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers. Het bezwaar van eisers tegen het bestreden besluit is terecht ongegrond verklaard. De desbetreffende beroepsgronden slagen niet.
Omgevingsvergunning oeververdediging / keermuren A en B (23 / 2354)
27. Op 2 februari 2022 heeft het waterschap een aanlegvergunning aangevraagd voor het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het plaatsen van twee stapelmuren (keermuren A en B) aan de Gulp.
28. Bij het primaire besluit van 17 maart 2023 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Daarbij is vergund het (ver)bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo.
29. Het bouwen van de stapelmuren is getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota, het Bouwbesluit 2012 en de gemeentelijke bouwverordening. Volgens het college wordt er voldaan aan deze regelgeving en beleidsregels, maar is het wel noodzakelijk gebleken om een aantal voorschriften aan de vergunning te verbinden.
30. Het afgraven van de grond, het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 meter, het ophogen en / of egaliseren van de gronden, het aanbrengen/aanleggen van oeverbeschoeiingen en kaden en het aanleggen/verbreden/verharden/verwijderen van voetpaden is vergund via artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo en is getoetst aan het bestemmingsplan. Het college is van mening dat voldaan wordt aan de criteria in het bestemmingsplan voor het verlenen van de benodigde aanlegvergunningen.
31. Op 24 augustus 2023 is de aanvraag aangevuld vanwege onder andere het ontbreken van correcte bouwtekeningen. Deze aanvulling is onderdeel geworden van het bestreden besluit van 31 augustus 2023. Bij het bestreden besluit is tevens de aanlegvergunning die op 5 januari 2010 al was verleend deels ingetrokken ten aanzien van de onderdelen die in het primaire besluit zijn vergund.
32. Bij het bestreden besluit 31 augustus 2023 is het eerste deel van de vergunning geschrapt, namelijk de activiteit die ziet op het bouwen van een bouwwerk. In casu is enkel vergund het uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo.
Gronden van beroep
33. Volgens eisers is de grondslag van de aanvraag verlaten, omdat in de aanvraag niet is verzocht om het intrekken van de aanlegvergunning van 5 januari 2010. Verder is de aanvraag volgens hen niet compleet omdat die niet ondertekend is, geen betrekking heeft op de ophogingen van de grond en de oever bij keermuur B en geen melding maakt van de hoogte van keermuur B. Op grond van artikel 2.7 van de Wabo hadden de ophogingen meegenomen moeten worden in de aanvraag, omdat dit volgens eisers onlosmakelijk samenhangt met de verleende aanlegvergunning voor keermuur B.
33.1.
Daarnaast zijn eisers van mening dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name ten aanzien van het gedeeltelijk intrekken van de aanlegvergunning van
5 januari 2010 en het uitvoeren van werkzaamheden. Volgens eisers heeft het college de activiteit niet getoetst aan de doeleinden van het bestemmingsplan en is er sprake van een onevenredige aantasting van de doeleinden. Ten slotte zijn eisers van mening dat er een omgevingsvergunning voor bouwen vereist is, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
Intrekking en aanvraag
34. Ten aanzien van het intrekken van de vergunning van 5 januari 2010 heeft het college toegelicht dat de vergunning in overleg met het waterschap is ingetrokken. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van het college dat de vergunning is ingetrokken teneinde verwarring te voorkomen. Het is aan het college om te beslissen om een vergunning in te trekken. Voor zover eisers het oneens zijn met de intrekking, in de zin dat zij vinden dat de vergunning overeind had moeten blijven, hebben zij hiertegen geen gronden gericht.
34.1.
Ten aanzien van de volledigheid van de aanvraag overweegt de rechtbank dat dit gebrek in de beslissing op bezwaar is hersteld door het toevoegen van de ontbrekende informatie door het waterschap. Dit leidt niet tot een nieuwe aanvraag, maar betreft slechts een aanvulling van de oorspronkelijke aanvraag. Ook is de rechtbank niet gebleken dat dit eisers op enige manier heeft benadeeld. Het college heeft daarnaast een ondertekende versie van de aanvraag opgestuurd. Ook de hoogtematen, waarvan eisers stellen dat die ontbreken, staan op de tekening vermeld.
Past het aanleggen binnen het bestemmingsplan?
35. Eisers verwijzen naar de bestemmingsomschrijving en stellen dat het aanleggen van de twee keermuren getoetst moet worden aan artikel 6.1, onder b, van het bestemmingsplan. Daarnaast vinden eisers dat het aanleggen van de oeververdediging in strijd is met artikel 33.4.1, onder a, van het bestemmingsplan.
36. De rechtbank overweegt dat het aanleggen van de oeververdediging slechts in strijd is met het bestemmingsplan indien er sprake is van onevenredige aantasting van de waarden en doeleinden van het bestemmingsplan. Dit vloeit voort uit de artikelen 6.7.3, 27.3.3, 29.3.3, 30.2.3 en 33.4.3 voor de verschillende dubbelbestemmingen. Van dergelijke aantasting is de rechtbank niet gebleken. De oeververdediging is juist aangelegd om bodemerosie en wateroverlast te bestrijden, zoals omschreven in artikel 6.1, onder b, van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank past het aanleggen van de oeververdediging juist binnen de doeleinden van het bestemmingsplan.
36.1.
De rechtbank volgt niet de stelling van eisers dat niet wordt voldaan aan artikel 33.4.1, onder a, van het bestemmingsplan en de oeververdediging daarom niet vergund had kunnen worden. Op grond van dit artikel is een omgevingsvergunning vereist voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Juist deze vergunning is bij besluit van 17 maart 2023 verleend met toepassing van artikel 33.4.3 van het bestemmingsplan, zoals hierboven omschreven. De rechtbank ziet, zoals hiervoor overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de voorwaarden van artikel 33.4.3 van het bestemmingsplan is voldaan.
37. Voor zover eisers het oneens zijn met de ophogingen van de grond omdat zij deze liever op een andere plaats hadden willen zien, bijvoorbeeld aan de achterzijde van hun perceel, overweegt de rechtbank dat het college op de aanvraag van het waterschap moet beslissen en niet kan bepalen dat de ophogingen plaatsvinden op een andere plaats dan hetgeen is aangevraagd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit standpunt van eisers.
Is er een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist?
38. Hoewel het college in eerste instantie een bouwvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo heeft verleend voor de keermuren A en B, is bij het bestreden besluit dit onderdeel van de vergunning geschrapt. Het college is van mening dat geen sprake is geweest van bouwwerkzaamheden, enkel aanlegwerkzaamheden. Het college verwijst naar artikel 6.7.1, sub e, van het bestemmingsplan.
38.1.
Tussen partijen is in geschil of het plaatsen van de keermuren kan worden aangemerkt als een bouwactiviteit. Het college was in eerste instantie van mening dat dit wel het geval was, daarom is dit als zodanig ook vergund. Indien het plaatsen van de keermuren geen bouwactiviteit is, kan worden volstaan met de verleende aanlegvergunning.
39. Artikel 6.7.1 van het bestemmingsplan bepaalt voor welke activiteiten een aanlegvergunning nodig is. Daaronder valt bijvoorbeeld het aanbrengen of aanleggen oeverbeschoeiingen, kaden, aanleg- en ligplaatsen of vlonders. Volgens het college is hier sprake van het aanleggen van oeverbeschoeiingen, waardoor de keermuren niet als bouwwerk gecategoriseerd kunnen worden, omdat artikel 6.7.1 van het bestemmingsplan bepaalt dat deze werkzaamheden gekwalificeerd worden als werken en / of werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde.
40. De rechtbank volgt dit standpunt van het college niet. Voor het ophogen van de grond bij de keermuren is, zoals het college ook heeft verleend, een aanlegvergunning nodig zoals bedoeld in artikel 6.7.1 van het bestemmingsplan. Naast het ophogen is de rechtbank echter van oordeel dat voor het bouwen van de stenen keermuren een bouwvergunning nodig is. Hoewel het begrip ‘bouwwerk’ in de Wabo niet is omschreven, wordt volgens vaste jurisprudentie aangesloten bij de definitie van de Woningwet. Kort gezegd is een bouwwerk op grond van deze jurisprudentie “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.
41. Gelet op bovenstaande definitie zijn de keermuren A en B, gemaakt van steen, direct met de grond verbonden en bedoeld om ter plaatse te functioneren, naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als bouwwerken. Het college had daarom voor deze keermuren een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo moeten verlenen. Deze beroepsgrond slaagt in tegenstelling tot de andere beroepsgronden ten aanzien van deze omgevingsvergunning voor de oeververdediging (keermuren A en B). Het beroep van eisers is gegrond. Het bestreden besluit wordt op dit onderdeel vernietigd (zie onder 58).
42. Hoewel het college dit in het primaire besluit wel heeft gedaan, ziet de rechtbank alsnog geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de eerder verleende omgevingsvergunning ten aanzien van bouwen te laten herleven / opnieuw te verlenen. Artikel 6.2.1 van het bestemmingsplan bepaalt immers dat op gronden die aangewezen zijn tot ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en Landschapswaarden’ niet mag worden gebouwd, tenzij sprake is van een van de gevallen die in artikel 6.2.2 van het bestemmingsplan zijn genoemd. Van een van deze gevallen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
43. Het voorgaande betekent dat het college voor het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo ook een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo moet verlenen. Uit artikel 2.10 van de Wabo volgt namelijk kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd indien sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Indien dat het geval is, wordt de aanvraag voor een bouwactiviteit mede aangemerkt als een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Kan die vergunning worden verleend, dan moet om die reden ook de vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo verleend worden.
44. Het gaat de rechtbank te ver om te beslissen of in dit geval van het bestemmingsplan kan worden afgeweken met toepassing van een van de onderdelen van artikel 2.12 van de Wabo. Het college zal daarom een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak ten aanzien van het ontbreken van de benodigde omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, in combinatie met c, van de Wabo (zie onder 58).
Handhaving (23 / 2234)
45. Zoals hiervoor overwogen (onder 11) betreft het geschil omtrent het handhavingsverzoek van eisers het al dan niet handhavend optreden tegen het verlagen van de [straatnaam 2] .
46. Eisers hebben op 22 november 2022 om handhaving verzocht en dit verzoek op
30 januari 2023 aangevuld met een correctie. Het college besloot bij het primaire besluit van 3 maart 2023 om het handhavingsverzoek deels niet-ontvankelijk te verklaren en deels af te wijzen. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2023 zijn eisers voor ieder onderdeel van hun handhavingsverzoek als belanghebbenden aangemerkt. Het college heeft het handhavingsverzoek ten aanzien van het verlagen van de [straatnaam 2] echter afgewezen omdat het onevenredig zou zijn om over te gaan tot handhaving.
Gronden van beroep
47. Eisers stellen in beroep dat het college niet heeft besloten op hun handhavingsverzoek voor zover dit keermuur C betreft (zoals aangeduid op de kaart in bijlage 1 bij deze uitspraak). Daarnaast stellen eisers dat het college ten onrechte niet tot handhaving is overgegaan ten aanzien van de verlaagde [straatnaam 2] . Volgens eisers vinden er door het verlagen van de weg eerder overstromingen plaats.
Keermuur C
48. De rechtbank constateert dat eisers eerst op 30 januari 2023 schrijven dat zij van het college verlangen dat handhavend wordt opgetreden tegen het aanleggen van keermuur C. Het handhavingsverzoek, waarin eisers zich beperken tot voornoemde 6 overtredingen, is op 22 november 2022 ingediend. Het college stelt daarom dat keermuur C geen onderdeel kan zijn van het handhavingsverzoek en heeft hier daarom ook niet op beslist.
49. De rechtbank constateert dat eisers hun handhavingsverzoek hebben aangevuld voordat het college op het verzoek heeft beslist. Deze aanvulling is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, waardoor van het college verwacht had mogen worden dat ook op dit onderdeel van het verzoek zou worden beslist. Deze beroepsgrond slaagt.
50. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en overweegt in dit verband het volgende. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een eventueel overtreden voorschrift, is in beginsel belanghebbende bij het al dan niet handhavend optreden daartegen. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor eisers zijn, kijkt de bestuursrechter onder andere naar afstand tot / zicht op, aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen.
51. Naar het oordeel van de rechtbank ondervinden eisers geen feitelijke gevolgen van enige betekenis van keermuur C. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze keermuur, die gelegen is aan de [straatnaam 2] , van invloed is op de waterstand van de Gulp, en al helemaal niet dat deze keermuur bijdraagt aan de wateroverlast die eisers ervaren. Ook hebben eisers geen zicht op de keermuur vanaf hun perceel. Het college had daarom het handhavingsverzoek van eisers op dit onderdeel niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat eisers niet als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden ten aanzien van deze keermuur.
52. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit op dit onderdeel vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door eisers alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun handhavingsverzoek ten aanzien van keermuur C en bepalen dat deze uitspraak, wat keermuur C betreft, in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit (zie onder 58).
De verlaging van de [straatnaam 2]
53. In geschil is of het college mag weigeren handhavend op te treden tegen het verlagen van de [straatnaam 2] zonder aanlegvergunning op grond van de regels die gelden op gronden die bestemd zijn tot ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en Landschapswaarden’. Partijen zijn het erover eens dat hiervoor een aanlegvergunning nodig is. Eisers vinden dat het verlagen van de weg tot wateroverlast leidt en daarom de verlaging ongedaan moet worden gemaakt. Het college vindt echter dat handhavend optreden onevenredig zou zijn, omdat de voorzieningen naar behoren functioneren en het ongedaan maken van de verlaging van de weg alleen maar tot meer wateroverlast op of nabij hun perceel zou leiden. Het college is van mening dat eisers alleen in 2012 en 2021 ernstige wateroverlast hebben ervaren, hetgeen eisers tijdens het onderzoek ter plaatse hebben bevestigd. Daarnaast verwijst het college naar een rapport van [naam 4] waaruit volgens het college blijkt dat de werkzaamheden voldoen aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Omdat de wateroverlast incidenteel is geweest en het duur zou zijn om de weg aan te passen, is het college van mening dat overgaan tot handhaving onredelijk zou zijn. Een legaliserende aanlegvergunning is nog niet verleend of aangevraagd.
54. De rechtbank constateert dat de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ alleen geldt op het verlaagde deel van de [straatnaam 2] , tot aan de kruising met de [straatnaam 1] . Op de [straatnaam 1] zelf rust de bestemming ‘verkeer’. In de bestemming ‘verkeer’, artikel 21 en verder van het bestemmingsplan, is geen vergunningplicht vastgelegd. De overtreding in kwestie, van artikel 6.7.1, onder a, van het bestemmingsplan, geldt alleen ten aanzien van de [straatnaam 2] .
55. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
56. Het college heeft duidelijk toegelicht wat de belangen zijn bij het afzien van handhavend optreden. Het betreft het voorkomen van wateroverlast, een algemeen belang dat ook voor eisers geldt. Door de hydroloog van het waterschap en door [naam 4] is vastgesteld dat het verlagen van de [straatnaam 2] bijdraagt aan het voorkomen van wateroverlast. Daar staat tegenover dat eisers tweemaal in zeer uitzonderlijke situaties hebben meegemaakt dat sprake was van ernstige wateroverlast op hun perceel / in hun woning. De rechtbank merkt daarbij op dat tijdens het onderzoek ter plaatse duidelijk is geworden dat het water in 2021 via de achterzijde van het perceel (dus rechtstreeks vanuit de Gulp) de woning in is gestroomd en niet via de [straatnaam 2] / [straatnaam 1] . De rechtbank acht niet aannemelijk dat het verlagen van de [straatnaam 2] bij heeft gedragen aan deze overlast. Uit alle ingebrachte rapporten, waaronder het rapport van de hydroloog van het waterschap, blijkt dat de Gulp hierdoor juist meer bergingscapaciteit heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat ter plekke van de hoek [straatnaam 2] – [straatnaam 1] , zoals eisers stellen, er eerder water op de weg staat en tot (verkeers)hinder kan leiden, doet daaraan volgens de rechtbank niet af.
57. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het college van handhavend optreden mocht afzien, gelet op de onevenredigheid van handhavend optreden. Wel geeft de rechtbank het college in overweging om de overtreding middels een aanlegvergunning alsnog te legaliseren, zoals ook tijdens het onderzoek ter plaatse met het college is besproken.
Conclusie en gevolgen
58. Het beroep 2023 / 2355 (zie onder 26) tegen de verleende omgevingsvergunning voor de riooloverstortput is ongegrond. De beroepen van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor de keermuren (23 / 2354) en tegen het afwijzen van hun handhavingsverzoek (23 / 2234) zijn gegrond. De rechtbank zal de desbetreffende bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen in het beroep
23 / 2354) ( zie onder 41 en 44) respectievelijk in het beroep 23 / 2234 (zie onder 52) zelf in de zaak voorzien en daarbij bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
58.1.
Eisers krijgen daarom in laatstgenoemde twee zaken hun griffierecht terug. In zaak 2023 / 2355 wordt geen griffierecht terugbetaald. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Overschrijding van de redelijke termijn
59. Bij brief van 13 juni 2025 hebben eisers verzocht om een vergoeding van immateriële schade. Eisers betogen dat aan hen een schadevergoeding moet worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
59.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure vanaf het indienen van het bezwaarschrift in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar mag duren. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank verder beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid worden uitgesproken.
59.2.
Het college heeft de bezwaarschriften van eisers op 31 maart 2023 (overstortput),
5 april 2023 (handhaving) en 26 april 2023 (oeververdediging) ontvangen. Het college heeft met de bestreden besluiten van 31 augustus 2023 op de bezwaren van eisers beslist. De bezwaarfase heeft in alle drie de procedures minder dan een half jaar geduurd. Eisers hebben op 16 oktober 2023 beroepen ingesteld en die hebben dus thans meer dan anderhalf jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn moet daarom aan de rechtbank worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de redelijke termijn verlengd moet worden.
60. Vanaf het moment van ontvangst van het eerste bezwaarschrift (in verband met de overstortput) tot deze uitspraak zijn drie jaar en ongeveer drie maanden verstreken. De redelijke termijn is met ongeveer een jaar en acht maanden overschreden. Omdat de drie zaken nauw met elkaar verband houden, ziet de rechtbank wel aanleiding om de door eisers te ontvangen schadevergoeding te matigen. De zaken lopen veelal in elkaar over en ze zijn ook gezamenlijk door de rechtbank behandeld. De rechtbank zal daarom niet driemaal maar eenmaal het te vergoeden schadebedrag toekennen aan eisers gezamenlijk.
60.1.
Uitgaande van het forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van vier maal € 500,-, in totaal € 2.000,-, aan eisers.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen 23 / 2234 en 23 / 2354 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit in het beroep 23 / 2234 ten aanzien van keermuur C, voorziet zelf in de zaak door eisers alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun handhavingsverzoek ten aanzien van deze keermuur en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van dit bestreden besluit;
- vernietigt het bestreden besluit in het beroep 23 / 2354 ten aanzien van de intrekking van de omgevingsvergunning (bouwen) en draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met in achtneming van deze uitspraak;
- verklaart het beroep 23 / 2355 ongegrond;
- draagt het college op het griffierecht in de beroepen 23 / 2234 en 23 / 2354 aan eisers te vergoeden tot een bedrag van € 368,-.
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,- aan eisers gezamenlijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. van der Genugten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage 1: Situatieschets ter hoogte van de [adres]
Bijlage 2: luchtfoto van de situatie ter hoogte van de [adres]
Bijlage 3: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het bouwen van een bouwwerk.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, in gevallen waarin dat bij het bestemmingsplan is bepaald.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
Op de locatie bekend als GPN00 G216 geldt het bestemmingsplan ‘Gulpen-Wittem buitengebied 2009’ (het bestemmingsplan). Op grond van het bestemmingsplan geldt ter plaatse de bestemming ‘Agrarisch met Waarden – Natuur- en Landschapswaarden’.
De voor 'Agrarisch met Waarden – Natuur- en Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn op grond van artikel 6.1 van het bestemmingsplan bestemd voor:
duurzaam agrarisch gebruik;
bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast;
instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;
bescherming van aangrenzend natuurgebied;
kleinschalig gebruik, ter plaatse van het als zodanig aangeduide deel van het bestemmingsvlak op de plankaart;
parkeren, ter plaatse van het als zodanig aangeduide deel van het bestemmingsvlak op de plankaart;
zendmast, ter plaatse van het als zodanig aangeduide deel van het bestemmingsvlak op de plankaart;
verblijfsrecreatie, in de vorm van kamperen op de boerderij ter plaatse van het als zodanig aangeduide deel van het bestemmingsvlak op de plankaart;
speelweide wanneer het de gronden aansluitend gelegen aan de bestemming Recreatie-Verblijfsrecreatie betreft;
met daaraan ondergeschikt:
ontsluiting van de afzonderlijke percelen;
recreatief medegebruik.
evenementen, uitsluitend ter plaatse van het als zodanig aangeduide deel van het bestemmingsvlak op de plankaart, waarbij de regels uit de 'Kadernota evenementenbeleid gemeente Gulpen-Wittem' in acht worden genomen.
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 45.2.
Uit artikel 6.2.1. van de bestemming Agrarisch met Waarden – Natuur- en Landschapswaarden blijkt dat op de hiervoor aangewezen gronden niet mag worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde in 6.2.2.
Op grond van artikel 6.2.2 van het bestemmingsplan gelden met betrekking tot het oprichten van bouwwerken de volgende regels:
a. omheiningen en/of erfafscheidingen, mogen uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen worden opgericht, met dien verstande dat:
1. de hoogte ten hoogste 1.50 m mag bedragen.
ter plaatse van de aanduiding 'zendmast' mag een zendmast worden opgericht, met dien verstande dat:
1. de hoogte van de zendmast ten hoogste 40 m mag bedragen en voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsnotitie Mobiele Telecommunicatie van de gemeente Gulpen-Wittem.
Op grond van artikel 6.7.1 van het bestemmingsplan is het verboden op of in de tot 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschoeiingen, kaden, aanleg- en ligplaatsen of vlonders;
het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische structuur of de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap;
het bebossen van gronden ten behoeve van de houtproductie;
Op grond van artikel 6.7.3 van het bestemmingsplan zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld onder 6.7.1. slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in de aanhef van dit artikel genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.
Het is op grond van artikel 33.4.1. van het bestemmingsplan verboden op of in de tot 'Waterstaat – Erosie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
het ophogen of egaliseren van de in het landschap aanwezige laagten;
het afgraven van grond, indien door de afgraving de kans op bodemerosie en/of wateroverlast toeneemt;
het scheuren van grasland in gebieden die zijn gelegen binnen de dubbelbestemming Waarde-Ecologie met de aanduiding EHS;
e aanleg van een waterbuffer groter dan 100 m²;
het aanbrengen van verhardingen.
Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wabo volgt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Op grond van artikel 4, eerste lid, bijlage II van het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.
In de Beleidsregel Buitenplanse Afwijkingsmogelijkheden Gemeente Gulpen-Wittem 2015 is het volgende bepaald in artikel 5.1:
Een afwijking van het bestemmingsplan is alleen mogelijk voor een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, de, waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 meter;
b. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 rn2;
c. de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd.
Gevoegd met de samenhangende zaak ROE 23 / 2773 waarin het waterschap verweerder is.
Eisers waren met bericht van verhindering niet aanwezig.
Een voorde is een doorwaadbare plaats in een beek of rivier. Door deze voorde in de Gulp kan men met een voertuig rijden (vanuit de [straatnaam 2] ).
Er zijn diverse activiteiten uitgevoerd, zoals de aanleg van een waterbuffer, en gecontroleerd, zoals de afvoer van regenwater via de Boksdelsloot.
Zie de conclusie op p. 39 van deze notitie.
Op p. 39 en 40 van deze notitie staan de uit te voeren actiepunten.
De rechtbank verwijst naar foto’s in de gedingsstukken naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse.
Zie ook de uitspraak van heden in de zaak van het waterschap ROE 2023 / 2773. In beginsel zien die aanvullingen op de zaken van zowel het waterschap als het college.
Zie artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hierna ook: bouwvergunning.
Hierna: aanlegvergunningen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3010, onder 4.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2024, ECLI:RVS:2024:4494, onder 15.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4829.
Zie artikel 8:74, derde lid, onder b, van de Awb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|