|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:1254 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-10-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/1864 ZW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beëindiging ZW-uitkering omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Onjuiste indexering. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn. De Raad stelt vast dat indexering tot en met de maand december 2023 geen gevolgen heeft voor de uitkomst van dit besluit. Appellant is hierdoor niet benadeelt. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | 25/1864 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 juli 2025, 24/4785 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 9 februari 2024 heeft beëindigd. Appellant vindt dat hij toen door zijn beperkingen niet in staat was om de door het Uwv geduide functies te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd. Een onjuiste indexering door de arbeidsdeskundige heeft geen gevolgen voor de uitkomst.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als post-/pakketbezorger voor 22,53 uur per week. Op 5 november 2022 is hij uitgevallen met linker knieklachten. De ex-werkgever van appellant is een eigen risicodrager. Het Uwv heeft appellant per 23 november 2022 (einde dienstverband) een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant op 25 september 2023 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 december 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en vastgesteld dat appellant 100% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft bij besluit van 9 februari 2024 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 9 februari 2024 beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 31 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één functie verworpen, maar vastgesteld dat er voldoende geschikte functies resteren. Appellant kan hiermee onveranderd meer dan 65% verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapporten van 7 februari 2025 en 25 april 2025 toegelicht waarom de inhoud van de in beroep ingebrachte medische informatie in lijn is met de reeds bekende medische informatie en de bevindingen bij eigen onderzoek. Ook is toegelicht waarom appellant niet voldoet aan de strenge uitzonderingscriteria voor volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft zich kunnen vinden in de conclusies van de verzekeringsartsen. Uitgaande van de juistheid van FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit een voldoende motivering ontbeert. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar heeft vastgesteld dat appellant structureel slecht slaapt (veelal twee tot vier uur per nacht) en overdag moet rusten, was er reden een urenbeperking vast te stellen. Appellant heeft toegelicht dat ook uit de informatie van het Pijncentrum naar voren komt dat bij hem sprake is van slaapstoornissen en storingen in de energie, waarvoor een pacing-benadering geadviseerd wordt. Appellant heeft verwezen naar een bijgevoegd huisartsenjournaal, waarin zijn huisarts in de periode rond de datum in geding opgetekend heeft dat er duidelijke signalen zijn dat appellant een verhoogde recuperatiebehoefte heeft. Ook in andere specialistische brieven is steeds benoemd dat bij appellant sprake is van een verhoogde recuperatiebehoefte. Hoewel zijn behandelaars hem ook geadviseerd hebben meer te bewegen, lukt dit niet. Dit wordt ook bevestigd in het huisartsenjournaal. De vaststelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant vier uur per dag kan lopen en staan strookt niet met vaststelling dat bij hem sprake is van een antalgische flexistand, hamstringspanning en quadriceps-inhibitie. Ten aanzien van zijn medicijngebruik stelt appellant dat hij ook beperkt geacht moet worden voor aandacht, tempo en werktijden. Volgens appellant is een preventief-therapeutische urenbeperking van bijvoorbeeld vier uur per dag en 20 uur per week aan de orde, met vaste rust/herstelmomenten, geen onregelmatige diensten of ploegendiensten of nachtdienst, staan en lopen samen maximaal twee uur per dag, aaneengesloten maximaal 15 minuten, frequente houdingswisselingen, knielen/hurken/bukken gedraaide houdingen slechts zeer incidenteel, kortdurend, knielast vermijden, traplopen/klimmen uitsluitend incidenteel, tillen/dragen/duwen/trekken neerwaartse bijtelling, trillingsbelasting vermijden, zitten aaneengesloten 30 tot 60 minuten, met structurele afwisselingen zitten, staan lopen, geen tempodwang of langdurig statische houdingen en beperkingen voor hoog handelingstempo, strikte deadlines, verdeelde aandacht en complexe taakwisselingen, eenvoudig en voorspelbaar werk. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen. Appellant heeft onder verwijzing naar een rapport van arbeidsdeskundige E.H. Betting-Bosgoed van Route op Maat van 9 maart 2026 aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft toegelicht waarom de voor hem geselecteerde functies in medisch opzicht en wat ervaring en opleiding betreft passend zijn. Ook heeft het Uwv een onjuist indexeringscijfer gebruikt bij de vaststelling van het maatmaninkomen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 november 2025, 5 februari 2026 en 18 mei 2026 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 juni 2026 verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep op een onderdeel slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Anders dan appellant heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 11 oktober 2024, 25 april 2025, 7 februari 2025, 18 mei 2025, 10 oktober 2025 en 5 februari 2026 in voldoende mate heeft toegelicht dat met de belastbaarheid zoals beschreven in de FML van 27 december 2023 in voldoende mate rekening is gehouden met zijn beperkingen. Ondanks dat er voor de knieklachten van appellant geen neurologisch of ander organisch substraat is gevonden, hebben de verzekeringsartsen verschillende beperkingen aangenomen. De behandelend revalidatiearts L.L. Huisman, fysiotherapeut M. Douma en anesthesioloog-pijnspecialist A.P. Wolff duiden de klachten van appellant als sensitisatie, nociplastische pijn, waarbij revalidatie geadviseerd wordt. Aanknopingspunten dat appellant meer beperkt zou zijn ontbreken in de stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 18 mei 2026 toegelicht waarom het door appellant ingezonden huisartsenjournaal geen medische gegevens bevat die aanleiding moeten geven om aan te nemen dat bij appellant sprake is van een verhoogde recuperatiebehoefte. In het rapport van 11 oktober 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gemotiveerd toegelicht waarom hij appellant niet volgt in zijn standpunt dat zijn slaapproblematiek en de afmattendheid van zijn pijnklachten aanleiding geven een beperking ten aanzien van de duurbelastbaarheid aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat de niet-optimale nachtrust, pijn en deconditionering die appellant ondervindt invloed kunnen hebben op zijn energieniveau, maar dat dit alleen onvoldoende grond vormt voor een urenbeperking op energetische gronden. Conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid dient voor een urenbeperking op grond van vermoeidheid sprake te zijn een stoornis in de energiehuishouding met een medische noodzaak tot recuperatie gedurende grote delen van de dag. Bij appellant zijn geen aanwijzingen gevonden voor een dergelijk ernstig energietekort. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daaraan toegevoegd dat ook de behandelaars van appellant als advies gegeven hebben om actiever te worden. Nu bij de Raad geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de schatting gebaseerd op de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 11118), administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft over de functie medior soldering operator binnen SBC-code 111180 gerapporteerd dat in deze functie, waar gebruik gemaakt wordt van een soldeerbout, geen sprake is van verhoogd persoonlijk risico omdat niet gewerkt behoeft te worden met gevaarlijke machines. Volgens de FML richt bij appellant het persoonlijk risico zich uitsluitend op het werken met gevaarlijke machines. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de soldeerbout ter grootte van een pen vanzelf uitgaat bij het neerleggen en geen extra handeling vereist. De Raad acht deze toelichting toereikend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder inzichtelijk uiteengezet waarom het rapport van arbeidskundige Betting-Bosgoed van 9 maart 2025 geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen. De Raad heeft geen aanknopingspunten dat de voor appellant geselecteerde functies om andere redenen niet berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant.
Indexering
5.4.
Appellant kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de arbeidsdeskundige voor de indexering van zijn maatmaninkomen had moeten uitgaan van de indexcijfers van december 2023, zijnde het ten tijde van de arbeidsdeskundige beoordeling meest recent bekende cijfer voorafgaand aan de datum in geding. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 november 2017 oordeelt de Raad dat het Uwv ten onrechte 4 november 2023 heeft aangemerkt als de voor dit geding relevante datum, waar dit 9 februari 2024 moet zijn.
5.5.
De Raad zal het geconstateerde gebrek evenwel passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat vastgesteld kan worden dat een indexering tot en met de maand december 2023 geen implicaties zou hebben voor de vaststelling dat appellant geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Aldus is appellant door het geconstateerde gebrek niet benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet had voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Conclusie en gevolgen
5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
5.7.
In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. In totaal is dit € 3.736,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand.
6. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A.N. Bechinka
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.
CRvB 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3925. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|