Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:28801 
 
Datum uitspraak:18-08-2026
Datum gepubliceerd:06-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/700638 / HA RK 26/13 C/09/700638 / HA RK 26/13
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verzoek voorlopig deskundigenonderzoek. Tussenbeschikking. Partijen krijgen de gelegenheid om deskundigen aan te dragen en zich uit te laten over de concept-vraagstelling.
Trefwoorden:ammoniak
ammoniakemissie
emissiearm
fijnstof
meststoffenwet
stallen
stalsysteem
vee
veeteelt
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/700638 / HA RK 26/130


Beschikking van 18 augustus 2026


in de zaak van


ANDERS BETON B.V. te Grobbendonk, België,
verzoekster,
advocaat: mr. P.C. van Nielen,

tegen


DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT) te Den Haag,
verweerder,
advocaat: mr. T.W. Franssen.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Anders Beton’ en ‘de Staat’.





1Waar gaat deze zaak over?


1.1.
Per 1 april 2026 is een wijziging van bijlage V van de Omgevingsregeling in werking getreden. Het gevolg van de wijziging is onder andere dat de emissiefactor voor een bepaald type melkveevloeren wijzigt. Anders Beton produceert en verkoopt een dergelijke melkveevloer en stelt dat de markt hiervoor volledig is ingestort als gevolg van de wijziging van bijlage V van de Omgevingsregeling. Anders Beton voert aan dat de Staat onrechtmatig jegens haar handelt en schadeplichtig is, omdat de wijziging volgens Anders Beton is gebaseerd op gebrekkig wetenschappelijk onderzoek. Anders Beton wijst daarbij op andere rapporten die de in opdracht van de Staat uitgevoerde onderzoeken tegenspreken. In deze procedure verzoekt Anders Beton dat een voorlopig deskundigenonderzoek wordt gelast. In deze tussenbeschikking oordeelt de rechtbank dat het verzoek van Anders Beton moet worden toegewezen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de (concept)vraagstelling voor het deskundigenonderzoek en zij moeten (een) geschikte onderzoeker(s) aandragen.






2De procedure


2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van 2 maart 2026 met producties 1 tot en met 18;
- de aanvulling op het verzoekschrift van 16 maart 2026;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 3;
- de brief namens Anders Beton van 26 juni 2026 met producties 19 tot en met 26.



2.2.
Op 7 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen met hun advocaten. Aan de zijde van Anders Beton was tevens een informant aanwezig: de heer [informant] (hierna: [informant]). Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van namens hen overgelegde pleitnotities, en vragen van de rechtbank beantwoord. Tijdens de zitting is beschikking bepaald op 18 augustus 2026.






3De feiten


3.1.
Anders Beton produceert en verkoopt onder andere melkveevloeren van het type HA 1.12, voorheen bekend onder code A 1.13 met als omschrijving ‘ligboxstal met roostervloer met cassettes in roosterspleten’ (hierna: de ecovloer).



3.2.
De regulering van milieubelastende activiteiten onder de Omgevingswet vindt voor emissiearme stalsystemen plaats via een stelsel van emissiefactoren en emissiegrenswaarden. De emissiefactoren, opgenomen in bijlage V van de Omgevingsregeling, geven het gemiddelde weer van de in innovatieve stallen gemeten emissies per dierplaats bij het gebruik van een bepaald emissiearm stalsysteem. In bijlage V van de Omgevingsregeling staan per emissiearm stalsysteem voor landbouwhuisdieren emissiefactoren voor ammoniak, geur en fijnstof. Aan de hand van de emissiefactoren wordt vastgesteld of wordt voldaan aan de in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen emissiegrenswaarden voor stallen. De emissiegrenswaarden per diercategorie gelden direct voor nieuwe en verbouwde stallen en bepalen indirect uit welke emissiearme stalsystemen gekozen kan worden. De emissiefactoren van de emissiearme stalsystemen moeten lager zijn dan de emissiegrenswaarde.



3.3.
Op 21 september 2016 is de emissiefactor van de ecovloer van Anders Beton vastgesteld op 7 kg NH3 per dierplaats per jaar bij opstallen.



3.4.
In oktober 2019 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) een rapport genaamd ‘Stikstofverlies uit opgeslagen mest’ (hierna: CBS-rapport) uitgebracht. Het CBS-rapport geeft de resultaten weer van een studie naar stikstofverliezen uit mest in stallen en mestopslagen van een groot aantal praktijkbedrijven in de periode 2015-2017, op basis van stikstof en fosfaatgehalten in veevoer, dierlijke producten en mest. In de conclusie van het CBS-rapport is, samengevat, opgenomen dat het berekende stikstofverlies op basis van de N/P₂O₅-verhouding (hierna: de NP-methode) doorgaans aanzienlijk hoger is dan het stikstofverlies dat volgt uit de op dat moment gehanteerde emissiefactoren. De resultaten doen volgens het CBS-rapport vermoeden dat de effectiviteit van emissiearme stalsystemen wordt overschat.



3.5.
In 2020 heeft de Staat advies gevraagd aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM). In juni 2020 heeft de CDM een rapport uitgebracht, genaamd ‘Stikstofverliezen uit mest in stallen en mestopslagen’. Het rapport vermeldt, kort samengevat, dat er sterke aanwijzingen zijn dat de gasvormige stikstofverliezen uit stallen en mestopslagen, waaronder ammoniakemissies uit emissiearme stallen, jarenlang zijn onderschat. Daarnaast vermeldt het rapport dat de beschikbare gegevens nog onvoldoende zijn om de omvang daarvan precies vast te stellen en dat daarom aanvullend praktijkonderzoek noodzakelijk is.



3.6.
In een procedure over een melkveevloer zoals de ecovloer van Anders Beton heeft de rechtbank Oost-Brabant de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) ingeschakeld om te onderzoeken hoe het rendement van de melkveevloer is bepaald en of het beloofde rendement ook kan worden behaald. Op 14 december 2021 heeft de StAB een rapport uitgebracht. In het StAB-rapport is een samenvatting van een aantal wetenschappelijke rapporten opgenomen waaruit volgt dat emissiearme stalsystemen in de praktijk mogelijk minder effectief zijn dan op basis van de emissiefactoren wordt aangenomen. Daarnaast vermeldt het StAB-rapport dat het denkbaar is dat juist de specifieke managementfactoren die zien op een goede werking van emissiearme stalsystemen een rol spelen bij de geconstateerde verschillen in de praktijkprestaties tussen emissiearme en reguliere stalsystemen ten opzichte van hun respectievelijke emissiefactoren.



3.7.
In mei 2022 is in opdracht van Stichting I-VEE een rapport uitgebracht, genaamd ‘Internationale review naar meetmethode CBS t.b.v. bepaling ammoniakemissie uit veestallen’. De conclusie van het rapport is, samengevat, dat het stikstofverlies berekend op basis van de NP-methode niet bruikbaar is om de stikstofemissie van stalsystemen te berekenen.



3.8.
In juni 2023 heeft Wageningen University & Research (hierna: WUR) een rapport uitgebracht, genaamd ‘Schatting van stikstofverliezen uit stallen op basis van de stikstof-fosfaat verhouding in afgevoerde mest: Evaluatie van de NP-methode en effect van staltype’. In dit rapport is onderzocht of de NP-methode geschikt is om in de praktijk vast te stellen hoeveel stikstof daadwerkelijk uit stallen verloren gaat en of emissiearme stalsystemen minder stikstof verliezen dan conventionele stallen. In het rapport is onder meer geconcludeerd dat de NP-methode bruikbaar is om verschillen in stikstofverliezen tussen verschillende staltypen te beoordelen en dat voor melkveestallen geen aantoonbaar lager stikstofverlies is gevonden bij de onderzochte emissiearme stalsystemen ten opzichte van de conventionele referentiestallen, ook niet na correctie voor bedrijfsspecifieke factoren.



3.9.
In juni 2024 heeft WUR een rapport uitgebracht, genaamd ‘Stikstofverlies uit stallen op basis van stikstof-fosfaat verhouding in afgevoerde mest – vervolgonderzoek 2017 – 2022’. In dit rapport is het onderzoek van de WUR uit 2023 herhaald met monsters uit de periode 2017 tot en met 2022. Het rapport bevestigt de conclusies van het onderzoek uit 2023 en constateert dat de stikstofemissie in stallen met emissiearme stalvloeren in sommige gevallen zelfs hoger is dan de emissie uit een stal met een traditionele stalvloer.



3.10.
Op 23 september 2024 heeft het (Belgische) Wetenschappelijk Comité Luchtemissies Veeteelt (hierna: WeComV) een rapport uitgebracht, genaamd ‘Advies Dossier 2023.ST.A WUR studie N-P balans’. In dit rapport heeft het WeComV beoordeeld of de WUR-studie uit 2023, waarin gebruik is gemaakt van NP-methode, bruikbaar is voor de Vlaamse situatie. Het WeComV heeft niet de Nederlandse conclusies zelf beoordeeld, maar onderzocht of de gehanteerde methode voldoende betrouwbaar is om daar beleidsconclusies aan te verbinden. Het rapport vermeldt, kort samengevat, dat het WeComV niet de conclusie onderschrijft dat het WUR-rapport aantoont dat emissiearme stalsystemen in de praktijk onvoldoende werken. Volgens het WeComV is de NP-methode daarvoor onvoldoende nauwkeurig en zijn de onzekerheden te groot. Het WeComV-rapport vermeldt verder dat het WUR-rapport hooguit aanwijzingen kan geven dat nader onderzoek nodig is en dat de daadwerkelijke effectiviteit van emissiearme stallen moet worden beoordeeld op basis van directe emissiemetingen en niet uitsluitend op basis van een afgeleide stikstofbalans.



3.11.
Per brief van 26 mei 2025 heeft de Staat Anders Beton te kennen gegeven dat de ecovloer wordt uitgefaseerd door het toevoegen van een einddatum aan de emissiefactor in bijlage V van de Omgevingsregeling. De brief verwijst onder meer naar het rapport ‘Schatting van stikstofverliezen uit stallen op basis van de stikstof-fosfaat verhouding in afgevoerde mest’ (WUR, 2023) en vermeldt dat uit de resultaten van dat onderzoek blijkt dat de (eco)vloeren niet beter presteren dan traditionele stalvloeren. Deze conclusie is volgens de Staat in het vervolgonderzoek herbevestigd en zelfs sterker geworden. De brief vermeldt voorts dat uit het vervolgonderzoek volgt dat sommige categorieën emissiearme vloeren significant slechter presteren dan traditionele roostervloeren.



3.12.
Op 1 juli 2025 heeft WeComV een rapport gepubliceerd, genaamd ‘Advies Dossier 2023.1 Actualisering van de PAS-lijst Deel 1: R-1 Vloersystemen’. In het rapport wordt onder meer ingegaan op emissiearme stalvloeren binnen de Vlaamse context.



3.13.
Op 16 juli 2025 heeft de Staat haar voorgenomen beleid tot uitfasering van diverse emissiearme stalvloerensystemen gepubliceerd. Dit voorgenomen beleid ziet ook op de ecovloer van Anders Beton.



3.14.
Per brief van 22 september 2025 heeft de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en uitwerking van het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling. Daarbij is verwezen naar een drietal deelrapporten, genaamd ‘Vervolgonderzoek borging emissiearme systemen, (Deelrapporten A, B en C)’. De (deel)rapporten zijn opgesteld door Connection Agri & Food, KokxDeVoogd en Buck Consultants International. Deelrapport A bevat de technische aspecten, deelrapport B bevat de juridische aspecten en deelrapport C bevat de overkoepelende analyse en conclusies. Het onderzoek concludeert onder meer dat in de huidige situatie de faalfactoren voor het onvoldoende functioneren van emissiereducerende techniek liggen in de aanleg, onderhoud en het gebruik van de techniek en dat deze onvoldoende geborgd zijn. Aanbevolen wordt om deze onderdelen beter te borgen door middel van verantwoordingseisen die zijn opgenomen in regelgeving, systeembeschrijvingen en vergunningen met oog op correcte aanleg, gebruik, toezicht en handhaving.



3.15.
Per brieven van 10 en 22 oktober 2025 heeft Anders Beton de Staat te kennen gegeven dat de Staat volgens haar onrechtmatig handelt, het vertrouwensbeginsel schendt en schadeplichtig is door de wijziging van Bijlage V van de Omgevingsregeling door te voeren. Volgens Anders Beton deugt de NP-methode niet en kan die methode niet als basis dienen voor de wijziging van Bijlage V van de Omgevingsregeling. Anders Beton heeft daarbij met name verwezen naar het rapport van Stichting I-VEE uit 2022 en de WeComV rapporten uit 2024 en 2025.



3.16.
Per brief van 1 december 2025 heeft de Staat Anders Beton te kennen gegeven dat hij geen aanleiding ziet om aansprakelijkheid te erkennen. Anders Beton heeft vervolgens per brieven van 15 januari, 28 februari en 2 maart 2026 aan de Staat haar standpunt verder aangevuld. Volgens Anders Beton heeft de Staat een ander onderliggend doel: het tegengaan van schaalvergroting in de veeteelt.



3.17.
De Staat heeft dr. ir. [naam 1] (hierna: [naam 1]) verzocht om namens WUR te reageren op de rapporten van Stichting I-VEE en WeComV. In een notitie van 5 maart 2026 vermeldt [naam 1] dat er geen reden bestaat om aan de geldigheid van de NP-methode te twijfelen. De NP-methode en de omvang van de beschikbare database leveren volgens [naam 1] een bruikbaar instrument op om de effectiviteit van emissiearme stallen te beoordelen. Daarnaast vermeldt [naam 1] dat de WUR-rapporten de conclusies van het I-VEE-rapport dat de NP-methode geen bruikbare methode is weerleggen en dat de kanttekeningen die in de WeComV-rapporten worden geplaatst, voor de Nederlandse context niet opgaan. De Staat heeft deze notitie per brief van 9 april 2026 met Anders Beton gedeeld.



3.18.
Op 17 juni 2026 heeft [informant] een rapport opgesteld waarin hij onder meer reageert op de CBS- en WUR-rapporten en de notitie van [naam 1] van 5 maart 2026. Volgens [informant] is de NP-methode wetenschappelijk gezien ongeschikt als basis voor het door de Staat voorgenomen uitfaseringsbeleid van alle emissiearme stalvloeren.






4Het verzoek en het verweer


4.1.
Anders Beton verzoekt de rechtbank – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een deskundigenonderzoek te bevelen en aan deze deskundige(n) op te dragen de door Anders Beton, althans door de rechtbank geformuleerde vragen te beantwoorden en daaromtrent een schriftelijk rapport uit te brengen binnen een redelijke termijn;
II. te bepalen dat de proceskosten en de kosten van de deskundige voor rekening van de Staat komen, en dat de voorschotten ten laste van de Staat komen, althans de Staat te veroordelen in de proceskosten en de kosten van de deskundige.



4.2.
Anders Beton legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. De uitfasering van (onder meer) de ecovloer is onjuist, omdat de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksrapporten van het CBS en de WUR onjuist, ondeugdelijk en onhoudbaar zijn. De Staat heeft ten onrechte geen rekening gehouden met andere wetenschappelijke onderzoeksrapporten waaruit volgt dat de rapporten van het CBS en WUR ondeugdelijk en onhoudbaar zijn, en dat er minder schadelijke maatregelen mogelijk zijn. De Staat handelt met de uitfasering onrechtmatig en is schadeplichtig jegens Anders Beton. Ter onderbouwing van de stellingen van Anders Beton is (aanvullend) deskundigenonderzoek nodig. Anders Beton acht het noodzakelijk dat er onafhankelijk deskundigenonderzoek volgt, om vast te stellen dat het CBS-rapport uit 2019 en de WUR-rapporten uit 2023 en 2024 onjuist zijn en dat WUR niet onafhankelijk is. En ook indien het wetenschappelijke fundament van het CBS en de WUR juist is, is de daarop afgestemde uitfasering onjuist. Anders Beton is ervan overtuigd dat dit zal volgen uit onafhankelijk onderzoek van een door de rechtbank aangestelde deskundige. In het verlengde daarvan kan meer schade voor Anders Beton worden voorkomen en kan tot verhaal van reeds geleden schade worden gekomen.



4.3.
De Staat voert verweer dat strekt tot afwijzing van de verzoeken en met veroordeling van Anders Beton in de proceskosten.



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






5De beoordeling


Juridisch kader



5.1.
Een voorlopig deskundigenbericht is één van de voorlopige bewijsverrichtingen bedoeld in artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het dient tot het ophelderen van feiten, het bepalen van de rechtspositie of het vastleggen van bewijs voorafgaand aan een procedure. Het uitgangspunt is dat de rechtbank het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht toewijst, tenzij zich één van de in artikel 196 lid 2 Rv genoemde afwijzingsgronden voordoet: (a) de informatie die aan de deskundige gevraagd wordt, is niet voldoende bepaald, (b) er is onvoldoende belang bij een voorlopig deskundigenbericht, (c) het verzoek is in strijd met de goede procesorde, (d) de bevoegdheid om een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken wordt misbruikt, of (e) er bestaan andere gewichtige redenen die zich verzetten tegen het houden van het onderzoek. Aan de rechtbank komt dus geen discretionaire bevoegdheid toe. De rechtbank moet het onderzoek in beginsel gelasten, mits het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden.



5.2.
Het verzoek van Anders Beton strekt ertoe om een deskundige te benoemen die vragen beantwoordt met betrekking tot de validiteit van de NP-methode en de emissiereducerende werking van emissiearme stalvloeren. Hoewel het grootste deel van de door Anders Beton voorgestelde vragen zich niet leent voor een deskundigenonderzoek vanwege de aard, relevantie en suggestiviteit daarvan, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van Anders Beton (deels) ter zake dienende en voldoende concreet is en feiten betreft die met een deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Aan dat oordeel ligt het volgende ten grondslag.



5.3.
Aan een vordering in een eventuele bodemprocedure zal Anders Beton blijkens haar stellingen ten grondslag leggen dat de Staat onrechtmatig handelt, omdat de wijziging van bijlage V van de Omgevingsregeling gebaseerd is op gebrekkig wetenschappelijk onderzoek en omdat minder vergaande maatregelen meer voor de hand liggen. Bij beoordeling van de vordering van Anders Beton zal de bodemrechter moeten beoordelen of de wijziging van bijlage V van de Omgevingsregeling geschikt, noodzakelijk en evenredig is. Daarbij zal in de beoordeling of de Staat, gelet op diens ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de wetswijziging heeft kunnen komen, onder meer moeten worden betrokken of het daaraan ten grondslag liggende wetenschappelijke onderzoek deugdelijk is en of het doel redelijkerwijs ook met minder vergaande maatregelen behaald kan worden. Een voorlopig deskundigenbericht dat daarop is gericht, kan Anders Beton helpen om haar positie in een eventuele procedure te bepalen. Aangezien het doel van het door Anders Beton gevraagde deskundigenbericht onder andere is om te onderzoeken of de NP-methode betrouwbaar en geschikt is om de emissiereducerende werking van emissiearme stalvloeren te onderzoeken, is het verzoek reeds daarom ter zake dienend.



5.4.
Volgens de Staat heeft Anders Beton onvoldoende belang bij haar verzoek, omdat er al een groot aantal onderzoeksrapporten voorhanden is waarbij wordt ingegaan op de validiteit van de NP-methode en de emissiereducerende werking van emissiearme stalvloeren. De Staat ziet geen toegevoegde waarde in het opnieuw beantwoorden van verschillende onderzoeksvragen door een (nieuwe) deskundige en komen partijen hier niet verder mee.



5.5.
De rechtbank is van oordeel dat Anders Beton voldoende belang heeft bij haar verzoek. Het middel van het voorlopig deskundigenbericht is bedoeld om onderzoek te kunnen doen naar feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn in een civiele procedure. De achtergrond en het doel van het voorlopig deskundigenbericht, en het ontbreken van een discretionaire bevoegdheid van de rechter om een verzoek al dan niet toe te wijzen, brengen mee dat een onderzoek dat van belang kan zijn voor een verzoekende partij om haar positie in een geschil te bepalen, in principe toewijsbaar is. Ook een onderzoek dat betrekking heeft op de betrouwbaarheid en geschiktheid van de NP-methode voor het onderbouwen van ammoniakemissiereducties in de Nederlandse context kan, gelet op het ruime doel waarvoor een voorlopig deskundigenonderzoek is bedoeld, betrekking hebben op feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn voor een civiele procedure. Het enkele feit dat er reeds andere bronnen aanwezig zijn waarmee Anders Beton en de Staat in een bodemprocedure hun stellingen mogelijk zullen kunnen bewijzen, is niet voldoende om het verzoek van Anders Beton af te wijzen, reeds omdat het verzoek van Anders Beton er hoofdzakelijk op gericht is te onderzoeken of zij het bewijs van de Staat zal kunnen ontkrachten.



5.6.
De rechtbank acht het verzoek voor een gedeelte voldoende concreet, aangezien Anders Beton in punt 139 van haar verzoekschrift en haar pleitnotitie vragen heeft opgenomen die zij door de deskundige wil laten onderzoeken. De rechtbank is echter met de Staat van oordeel dat een groot gedeelte van de door Anders Beton geformuleerde vragen onvoldoende feitelijk, niet relevant of suggestief is. Een aantal vragen is na herformulering echter wel geschikt om door een deskundige te laten onderzoeken. De rechtbank zal daarom een conceptvraagstelling formuleren waarop partijen nog gelijktijdig mogen reageren.


Welke deskundige?




5.7.
Anders Beton heeft de heer [naam 2] en Stichting I-VEE voorgedragen als deskundigen. Indien de rechtbank hen niet benoemt als deskundigen, moet volgens Anders Beton in ieder geval een onafhankelijke deskundige worden aangesteld die geen banden heeft met het CBS en WUR. De Staat heeft bezwaar gemaakt tegen de benoeming van [naam 2] en Stichting I-VEE. Volgens de Staat is onduidelijk of [naam 2] over de benodigde deskundigheid en ervaring beschikt. Daarnaast acht de Staat [naam 2] niet onpartijdig vanwege zijn uitlatingen over de WUR-onderzoeken en omdat hij als gemachtigde een appellante heeft bijgestaan die de meetmethode van het CBS-rapport niet geschikt vond voor het bepalen van stalemissies. Ten aanzien van Stichting I-VEE heeft de Staat opgemerkt dat onduidelijk is wie het onderzoek daadwerkelijk moet uitvoeren en dat I-VEE al eerder een rapport heeft uitgebracht over de kwestie (vgl. 3.7).



5.8.
De rechtbank stelt voorop dat de te benoemen deskundige niet in de positie wordt gebracht (mede) de eerder door de deskundige zelf, of die van de organisatie waaraan hij verbonden is, getrokken conclusies te beoordelen. De rechtbank acht het daarom van belang dat de deskundige niet betrokken is geweest bij een van de in deze tussenbeschikking genoemde onderzoeksrapporten. Zowel [naam 2] als Stichting I-VEE vallen daarom af. Dat geldt tevens voor onderzoekers die aan het CBS of WUR zijn verbonden.



5.9.
Aangezien Anders Beton geen andere deskundigen heeft voorgedragen (en de Staat ook geen suggesties heeft gedaan), heeft de rechtbank in het landelijk register van gerechtelijke deskundigen (LRGD) gezocht. In het LRGD is slechts één persoon geregistreerd die over de benodigde ervaring en deskundigheid beschikt: de heer ing. [naam 3]. [naam 3] is echter gelieerd aan de StAB en is door de rechtbank Oost-Brabant gehoord in het kader van de procedure waarin het StAB-rapport is opgemaakt. De rechtbank acht [naam 3] daarom ook niet geschikt. Daarmee zijn de mogelijkheden van de rechtbank om een geschikte deskundige voor te dragen uitgeput. Het gevolg hiervan is dat partijen zelf (een) geschikte deskundige(n) zullen moeten voorstellen. Uit praktische overwegingen verdienen deskundigen uit het Nederlandse taalgebied de voorkeur. Het verdient verder de voorkeur dat partijen na overleg een deskundige voorstellen. Indien dat niet mogelijk blijkt, zullen beide partijen zelf een voorstel kunnen doen en moeten toelichten waarom die deskundige geschikt is. Een voorstel moet zijn voorzien van contactgegevens van de deskundige, waaronder in elk geval een e-mailadres waarop de rechtbank de deskundige kan bereiken. De rechtbank zal de voorgenomen deskundige(n) vervolgens benaderen en partijen per e-mail informeren over zijn of haar beschikbaarheid en – bij bereidheid tot benoeming – partijen gelegenheid geven om te reageren op het voorschot van deze deskundige. Daarna zal de rechtbank een beschikking wijzen waarin de deskundige wordt benoemd.



5.10.
Partijen moeten in de gelegenheid worden gesteld om op elkaars voorstel te reageren. Om onnodige vertraging van deze procedure te voorkomen, zullen partijen elkaar uiterlijk één week voorafgaand aan het indienen van de akte schriftelijk kenbaar moeten maken welke deskundige(n) zij zullen voorstellen.


Welke onderzoeksvragen?




5.11.
De deskundige kan alleen worden ingeschakeld voor de beantwoording van feitelijke vragen die relevant zijn voor het bepalen van de rechtspositie van Anders Beton, maar niet over rechtsvragen. Anders Beton heeft in totaal 17 vragen met daarin veel subvragen voorgesteld. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat een groot gedeelte van de door Anders Beton geformuleerde vragen onvoldoende feitelijk, niet relevant of suggestief is. Een gedeelte van de vragen is na herformulering wel geschikt om door een deskundige te laten onderzoeken. De rechtbank heeft daarom de hiernavolgende conceptvraagstelling geformuleerd. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om daarop nog gelijktijdig schriftelijk te reageren.


De (concept)vraagstelling


Vooraf: betrek in de beantwoording van de onderstaande vragen in ieder geval de volgende rapporten:

a. Het CBS-rapport ‘Stikstofverlies uit opgeslagen mest’ uit 2019;
b. Het CDM-rapport ‘Stikstofverliezen uit mest in stallen en mestopslagen’ uit 2020;
c. Het StAB-rapport van 14 december 2021;
d. Het I-VEE-rapport ‘Internationale review naar meetmethode CBS t.b.v. bepaling ammoniakemissie uit veestallen’ uit 2022;
e. Het WUR-rapport ‘Schatting van stikstofverliezen uit stallen op basis van de stikstof-fosfaat verhouding in afgevoerde mest: Evaluatie van de NP-methode en effect van staltype’ uit 2023;
f. Het WUR-rapport Stikstofverlies uit stallen op basis van stikstof-fosfaat verhouding in afgevoerde mest – vervolgonderzoek 2017 – 2022’ uit 2024;
g. Het WeComV-rapport ‘Advies Dossier 2023.ST.A WUR studie N-P balans’ uit 2024;
h. Het WeComV-rapport ‘Advies Dossier 2023.1 Actualisering van de PAS-lijst Deel 1: R-1 Vloersystemen’ uit 2025;
i. ‘Vervolgonderzoek borging emissiearme systemen, (Deelrapporten A, B en C)’ uit 2025;
j. De notitie van [naam 1] van notitie van 5 maart 2026;
k. Het rapport van [informant] van 17 juni 2026.

1. Is de door het CBS en WUR gebruikte NP-methode volgens u betrouwbaar en geschikt om de emissiereducerende werking van traditionele en emissiearme stalvloeren zoals de ecovloer van het type HA 1.12 (voorheen A 1.13) te onderzoeken voor de Nederlandse context?

2. Kan de ecovloer van het type HA 1.12 (voorheen A 1.13) de emissiereductie van 7 kg per dierplaats behalen als deze correct wordt geplaatst en toegepast? Zo ja, kunt u uitwerken welke praktische maatregelen bij gebruik daarvoor noodzakelijk zijn?

3. Heeft u vanuit uw hoedanigheid als deskundige aanvullende opmerkingen of aanbevelingen?


Voorschot




5.12.
Anders Beton heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de Staat het voorschot voor het deskundigenonderzoek moet betalen. Volgens Anders Beton heeft de Staat zijn ogen ten onrechte gesloten voor tegensignalen en had de Staat al lang zelf onderzoek moeten laten uitvoeren. Daarnaast is WUR volgens Anders Beton niet onafhankelijk, omdat een groot deel van haar inkomsten afkomstig zijn van de Staat. De Staat heeft zich tegen dit standpunt verzet.



5.13.
Uitgangspunt is dat de verzoekende partij het voorschot voor de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek moet betalen, tenzij er aanleiding bestaat om het voorschot ten laste van de verwerende partij of van beide partijen gezamenlijk te brengen. De rechtbank ziet in de door Anders Beton aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken. De Staat heeft immers na het CBS-rapport (aan WUR) opdracht gegeven om aanvullend onderzoek te verrichten. Daarnaast ziet de rechtbank thans geen aanleiding om aan de onafhankelijkheid van WUR te twijfelen. Anders Beton zal het voorschot dus moeten betalen.






6De beslissing

De rechtbank


6.1.
stelt partijen in de gelegenheid om vier weken na heden bij akte (een) te benoemen deskundige(n) aan te dragen en te reageren op de concept-vraagstelling;



6.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk één week voorafgaand aan het indienen van de akte schriftelijk kenbaar moeten maken welke deskundige(n) zij zullen voordragen;



6.3.
bepaalt dat Anders Beton het voorschot aan de te benoemen deskundige zal moeten voldoen;



6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze beschikking is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

3556




Gerechtshof Den Haag 19 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2433, r.o. 9.
Link naar deze uitspraak