|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5838 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ZWO 25/3557 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over twee bestuurlijke boetes van in totaal € 600,- die de minister aan eiseres heeft opgelegd vanwege het als leverancier bevestigen van gegevens die niet naar waarheid zijn vastgelegd en opgenomen in het realtime en digitaal Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (rVDM). Eiseres is het niet eens met deze twee boetes. Volgens haar zijn de boetes onterecht omdat er geen sprake is van overtredingen. De rechtbank oordeelt dat de minister de boetes onterecht heeft opgelegd omdat er aanleiding is om te twijfelen aan de bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van de toezichthouder. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | dierlijke meststoffen | | | koeien | | | landbouw | | | meststoffen | | | meststoffenwet | | | stallen | | | vee | | | vervoersbewijs dierlijke meststoffen | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3557
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiseres] V.O.F., uit [vestigingsplaats],
(gemachtigde: ing. [gemachtigde]),
hierna: [eiseres]
en
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
hierna: de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee bestuurlijke boetes van in totaal € 600,- die de minister aan [eiseres] heeft opgelegd vanwege het als leverancier bevestigen van gegevens die niet naar waarheid zijn vastgelegd en opgenomen in het realtime en digitaal Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (rVDM). [eiseres] is het niet eens met deze twee boetes. Volgens haar zijn de boetes onterecht omdat er geen sprake is van overtredingen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister de boetes onterecht heeft opgelegd omdat er aanleiding is om te twijfelen aan de bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van de toezichthouder. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met het besluit van 11 april 2025 heeft de minister een twee bestuurlijke boetes van in totaal € 600,- aan [eiseres] opgelegd.
2.2.
[eiseres] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 14 november 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij dat besluit gebleven.
2.4.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren namens [eiseres] [naam 1] en [naam 2] aanwezig bijgestaan door de gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] en [naam 4].
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
3. [eiseres] exploiteert een agrarisch bedrijf. Het bedrijf is door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gecontroleerd op naleving van de Meststoffenwet (Msw). Een toezichthouder van de NVWA heeft op 20 december 2023 controles uitgevoerd in het kader van het toezicht op de naleving van de Msw en daaraan gerelateerde wetgeving. De bevindingen van de toezichthouder zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 10 maart 2025 (hierna: rapport van bevindingen). Op basis van het rapport van bevindingen is de minister overgegaan tot de besluitvorming zoals beschreven onder ‘Procesverloop’.
Het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit ligt het rapport van bevindingen ten grondslag. Op basis hiervan heeft de minister vastgesteld dat [eiseres] op 6 december 2023 en op 21 december 2023 als leverancier gegevens heeft bevestigd die niet naar waarheid zijn vastgelegd en opgenomen in rVDM voor wat betreft rVDM [rVDM-nummer 1] en rVDM [rVDM-nummer 2]. Hiermee heeft [eiseres] volgens de minister overtredingen begaan van feitcode M248, in verband waarmee een bestuurlijke boete van € 600,- (€ 300,- + € 300,-) aan [eiseres] is opgelegd.
Beoordelingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van een overtreding, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, rust op de minister, als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat [eiseres] de genoemde bepalingen uit de meststoffenwetgeving heeft overtreden en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Bij het bestreden besluit heeft de minister hiervoor gewezen op de inhoud van het rapport van bevindingen.
5.1.
Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het toezichtrapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.
5.2.
De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister het bewijs heeft geleverd dat [eiseres] de door de minister gestelde overtredingen heeft begaan en of de in verband daarmee opgelegde boetes in stand kunnen blijven.
Is sprake van de overtredingen genoemd in het bestreden besluit?
Het rapport van bevindingen
6. Uit het rapport van bevindingen volgt dat toezichthouder [toezichthouder] op 20 december 2023 een controle uitvoerde. Vanuit een onopvallende dienstauto deed hij waarnemingen aan de [adres] (hierna: de locatie).
6.1.
[toezichthouder] raadpleegde de inspectie-app en zag dat die dag een laadmelding voorzien van rVDM nummer [rVDM-nummer 2] was verstuurd op de locatie. Deze actieve vracht met vaste dierlijke mest stond geregistreerd op naam van leverancier [eiseres] en vervoerder Orgamex B.V.. [eiseres] bevestigde deze vracht op 21 december 2023 om 08:02uur. [toezichthouder] is naar het woonhuis toegegaan en zag dat het leegstond, hij heeft niemand gezien of gesproken. Op de plek van de laadmelding stonden naar schatting 20 koeien gestald in de grote veestal. Geen vee werd gehouden in de kleine veestal en deze was veegschoon. Vrijwel de gehele dag was neerslag gevallen dus verse rijsporen van voertuigen zouden duidelijk zichtbaar moeten zijn. Duidelijke verse sporen van een vrachtauto waren aanwezig die via één oprit het terrein op was gereden en via een draaiende beweging aansluitend via een tweede oprit het terrein had verlaten. Nergens op de locatie waren enige sporen te zien van: de opslag van vaste mest, van rijsporen van een laadmachine, van het morsen van vaste mest tijdens het laden of van andere voertuigen die op de locatie hebben gereden. Volgens [toezichthouder] was het onmogelijk om zonder rijsporen van een laadmachine een vrachtauto met vaste mest te laden en gelet op de staat van het onkruid op de bestrating hebben er voor een langere periode geen zware voertuigen buiten de toegangswegen op de locatie gereden. Gelet op het voorgaande stelde [toezichthouder] vast dat op de locatie geen vaste dierlijke mest aanwezig is geweest en niet werkelijk is geladen. Een buurtbewoner stond [toezichthouder] te woord en gaf aan dat de stallen op de locatie al ruim een jaar leeg stonden en dat [eiseres] geen vee zou houden op deze locatie. De verklaringen van [eiseres], [naam 6] (van Orgamex B.V.), [naam 5] (de veehouder van wie de koeien tijdelijk gestald waren in de grote veestal op de locatie) en [naam 2] (de gebruiker van het land op de locatie) maken onderdeel uit van het rapport van bevindingen. Tijdens het horen van [eiseres] en [naam 6] werd aangegeven dat de opdracht voor deze vracht is gegeven door [naam 2]. [naam 2] gaf aan dat hij de bezinklaag uit de put heeft gehaald op de locatie. [naam 5] gaf aan dat hij nooit heeft gezien dat vaste mest of een vaste bezinklaag uit de grote veestal is aan- of afgevoerd. Naar aanleiding van de verklaring van [naam 5] concludeerde [toezichthouder] dat niet werkelijk werkzaamheden met betrekking tot een bezinklaag, zoals [naam 2] stelt, hebben plaatsgevonden.
6.2.
Op 22 januari 2024 raadpleegde [toezichthouder] het digitaal dossier en E-cert. Daarin zag hij dat op 5 december 2023 een laadmelding voorzien van rVDM nummer [rVDM-nummer 1] was verstuurd op de locatie. Deze actieve vracht met vaste dierlijke mest stond geregistreerd op naam van leverancier [eiseres] en vervoerder Orgamex B.V.. [eiseres] heeft deze vracht bevestigd op 6 december 2023 om 08:21uur. [toezichthouder] stelde vast dat ook deze vracht, gelet op zijn eerdere bevindingen, niet werkelijk geladen kon zijn op de locatie.
Feitcode M248
7. Bij feitcode M248 gaat het om het bevestigen van gegevens die niet naar waarheid zijn vastgelegd en opgenomen in rVDM.
7.1.
Volgens [eiseres] is er geen sprake van overtredingen van feitcode M248 omdat er wel twee vrachten mest zijn geladen. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat hij het bedrijf op de locatie heeft gekocht en de bezinklaag van de vorige eigenaar wilde afvoeren. Het laden van de vrachten mest is verzorgd door [naam 2], die hierover ook bij de NVWA heeft verklaard. Ter zitting heeft [naam 2] verklaard dat hij op 4 december 2023 middels een Dezeure-overlaadwagen de mest heeft overgeladen op de vrachtauto. Hij heeft de roosters uit de stal getild en een sjovel gebruikt voor het laden. Verder kan de minister volgens [eiseres] niet op 21 december 2023 bewijzen dat op 5 december 2023 wel of geen vracht mest is geladen, dat is geen waarheidsvinding.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat er gelet op de betwisting van [eiseres] grond bestaat om te twijfelen aan de bevindingen in het rapport van bevindingen. Zo stelt de toezichthouder op basis van de enkele waarneming dat sporen van een laadmachine, sporen van de opslag van vaste mest en sporen van het morsen van vaste mest tijdens het laden ontbraken bij de controle, vast dat geen vaste mest kan zijn geladen op 20 december 2023 en 6 december 2023. Ook de redenering van de toezichthouder, dat gelet op de status van het onkruid op de bastrating kan worden vastgesteld dat er voor langere periode geen zware voertuigen hebben gereden op de toegangswegen op de locatie, volgt de rechtbank niet. De toezichthouder stelt immers ook vast dat op de dag van de controle de gehele dag neerslag is gevallen, waardoor eventuele sporen ook weer kunnen verdwijnen. De hiervoor genoemde waarnemingen van de toezichthouder worden ook niet ondersteund door de foto’s die onderdeel uitmaken van het rapport, waarop wel rijsporen te zien zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van het rapport van bevindingen niet kan worden vastgesteld dat [eiseres] op 20 december 2023 en 6 december 2023 overtredingen van feitcode M248 begaan heeft.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is er aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen neergelegd in het rapport van de toezichthouder. De minister heeft de twee boetes van in totaal € 600,- dan ook onterecht opgelegd. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen het boetebesluit van 11 april 2025 gegrond verklaren en dat besluit herroepen. De overige door [eiseres] aangevoerde beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
8.1.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar tegen het boetebesluit van 11 april 2025 gegrond te verklaren en dat besluit te herroepen.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht van € 385,- aan [eiseres] vergoeden. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 14 november 2025;
herroept het boetebesluit van 11 april 2025;
gelast de minister het griffierecht van € 385,- aan [eiseres] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie hierover bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2024:417, onder 5.1.
Digitaal systeem waarin meldingen met betrekking tot te vervoeren vrachten dierlijke meststoffen kunnen worden gedaan. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|