|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2025:10816 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 07-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB 24_1662 24_1664 24_1665 24_1666 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | op verzoek gepubliceerd. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | boomopstanden | | | bosbouwvrijstelling | | | fiscale eenheid | | | inkomstenbelasting | | | perceel | | | vennootschapsbelasting | | | vrijstelling | | | wet op de vennootschapsbelasting | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/1662, 24/1664, 24/1665, 24/1666
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 5 oktober 2023 tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering..
De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd:
voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.263;
voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.904;
voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.703; en
voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.820.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende van 9 oktober 2019 ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De inspecteur heeft bij brief van 6 mei 2024 voor één stuk een verzoek gedaan tot geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft het verzoek om geheimhouding toegewezen.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2025 op zitting gezamenlijk behandeld met de procedures van [persoon 1] (zaaknummers ARN 24/73, 24/76 en 24/77). Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende, zijn kantoorgenoot, [persoon 2] , en [persoon 3] en namens de inspecteur [persoon 4] en [persoon 5] .
Feiten
1. Belanghebbende drijft sinds 1971 samen met de heer [persoon 1] een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma onder de naam ‘ [vof] ’. Vanuit de onderneming wordt een bungalowpark geëxploiteerd. Op het bungalowpark staan 100 chalets, waarvan er 90 in eigendom zijn van particulieren. Het bungalowpark verhuurt de grond waarop de chalets staan aan de eigenaren daarvan.
2. Belanghebbende heeft op 17 april 2015, 30 maart 2016, 25 april 2017 en 27 april 2018 aangifte IB/PVV gedaan voor respectievelijk:
het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.263 dat geheel bestaat uit belastbare winst uit onderneming van € 12.263;
het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.904 dat geheel bestaat uit belastbare winst uit onderneming van € 12.263;
het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.703 dat geheel bestaat uit belastbare winst uit onderneming van € 7.703; en
het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.820 dat geheel bestaat uit belastbare winst uit onderneming van € 9.820.
3. De inspecteur heeft met dagtekening 6 juni 2015, 28 mei 2016, 15 december 2017 en 19 juni 2018 aanslagen IB/PVV opgelegd voor respectievelijk 2014, 2015, 2016 en 2017.
4. Belanghebbende heeft bij brief van 11 september 2018 verzocht om een ambtshalve vermindering van die aanslagen.
5. De inspecteur heeft met dagtekening 28 augustus 2019 de verzoeken om ambtshalve vermindering bij voor bezwaar vatbare beschikkingen afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op toepassing van de bosbedrijfvrijstelling. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de bosbedrijfvrijstelling ten onrechte heeft geweigerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
8. Artikel 3.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat de voordelen uit bosbedrijf niet tot de winst behoren. Vervolgens bepaalt het tweede lid dat de belastingplichtige die het bosbedrijf uitoefent kan verzoeken om de bosbedrijfvrijstelling niet op hem van toepassing te doen zijn.
Impliciet verzoek om niet-toepassing bosbedrijfvrijstelling
9. De inspecteur stelt dat belanghebbende in zijn aangiften 2014 tot en met 2016 impliciet heeft geopteerd om de bosbedrijfvrijstelling niet toe te passen, omdat belanghebbende de kosten die zien op het bosbedrijf ten laste van zijn belastbare winst heeft gebracht. Hij verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2007 en de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 22 februari 2024. Onder verwijzing naar een uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 november 2002 stelt hij ook dat belanghebbende niet met terugwerkende kracht alsnog kan opteren voor toepassing van de bosbedrijfvrijstelling. Bovendien heeft de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking op het verzoek om niet toepassing van de bosbedrijfsvrijstelling beslist. Met het opleggen van de aanslagen overeenkomstig de aangiften is beslist op dit verzoek van belanghebbende, aldus de inspecteur.
10. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen impliciet verzoek heeft gedaan om de bosbedrijfvrijstelling niet toe te passen zoals bedoeld in artikel 3.11, tweede lid, van de Wet IB 2001. Het arrest van de Hoge Raad waarnaar de inspecteur verwijst zag op de vraag of een verzoek voor een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ook impliciet kan worden gedaan. Gerechtshof Arnhem oordeelde dat in de aangifte duidelijk en eenduidig wordt uitgegaan van een fiscale eenheid tussen de belanghebbende in die zaak en haar dochter, hetgeen door de inspecteur ook als zodanig was herkend en onderkend. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat een aanvraag voor een fiscale eenheid ook impliciet kan worden gedaan. Bij toepassing van de bosbedrijfvrijstelling ligt de situatie anders. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat belanghebbende in haar aangifte kenbaar moest maken dat zij de bosbedrijfvrijstelling wel of niet heeft toegepast. Het is op basis van uitsluitend de ingediende aangifte dus niet zonder meer duidelijk dat belanghebbende een verzoek heeft gedaan om de bosbedrijfvrijstelling niet toe te passen. De inspecteur heeft ook niet gesteld dat het voor hem duidelijk was dat belanghebbende die vrijstelling niet wilde toepassen, zodat het enkele feit dat de aanslagen overeenkomstig de aangiften zijn opgelegd niet betekent dat de inspecteur bij het volgen van de aangiften dus ook impliciet bij voor bezwaar vatbare beschikking op het verzoek heeft beslist. De verwijzing naar de uitspraken van rechtbank Noord-Nederland en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kunnen evenmin slagen. In de zaak waarin de rechtbank Noord-Nederland uitspraak deed ging het om de toepassing van artikel 3.62 van de Wet IB 2001. Die bepaling biedt een doorschuifmogelijkheid ingeval een onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de belastingplichtige en bepaalt dat in de aangifte van de overleden belastingplichtige om toepassing van die bepaling moet worden verzocht. Art. 3.11, tweede lid, van de Wet IB 2001 schrijft daarentegen niet voor dat het verzoek om de bosbedrijfvrijstelling toe te passen in de aangifte moet worden gedaan. De zaak waarin gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak deed betrof het geval waarin belanghebbende in de bezwaarfase een verzoek deed om de bosbedrijfvrijstelling niet toe te passen. In het onderhavige geval doet zich de tegenovergestelde situatie voor. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank geen verzoek gedaan om de bosbedrijfvrijstelling niet toe te passen en dus is de hoofdregel van toepassing dat de voordelen uit bosbedrijf niet tot de winst behoren.
10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank toe aan de beoordeling of de bosbedrijfvrijstelling van toepassing is.
Bosbedrijfvrijstelling
12. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op toepassing van de bosbedrijfvrijstelling. Volgens belanghebbende is ten minste de helft van het terrein als bos aan te merken en bedraagt de bosbedrijfvrijstelling 50% van de netto opbrengsten en bedragen de kosten voor de instandhouding van het bos € 9.000. De invloed van de bosbedrijfvrijstelling op de belastbare winst uit onderneming heeft zij vervolgens cijfermatig onderbouwd. Verder is belanghebbende van mening dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd en dat in de bezwaarfase geen zorgvuldige heroverweging van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden.
13. De inspecteur betwist dat 50% van het park bedekt is met bomen omdat ook de ondergronden van de vakantiehuisjes vrij zijn van bomen. Aldus is hoogstens 33% van het park bedekt met bomen volgens de inspecteur. Hij erkent wel dat het aannemelijk is dat het beheer van de boomopstand door het bungalowpark is gericht op instandhouding, zodat op het bungalowpark sprake kan zijn van de uitoefening van een bosbedrijf. Volgens hem zijn er echter geen aan het bosbedrijf toerekenbare voordelen. De omzet ‘verhuur huisjes’ bedraagt per jaar ongeveer € 58.000. Het bungalowpark heeft tien vakantiehuisjes/chalets in eigendom en de blote perceelhuur bedraagt € 17.712 (12 x € 1.476). Zo’n € 40.000 van de opbrengsten ‘verhuur huisjes’ ziet dus niet op de verhuur van de grond. Daarnaast betalen de huurders van de percelen niet voor het gebruik van een perceel bos, maar voor recreatie. Het bungalowpark rekent per huurder ook geen kosten door voor de aanleg en het onderhoud van de boomopstanden en zijn dus voor rekening van het bungalowpark. Met toerekening van de kosten voor aanleg en onderhoud van de boomopstanden aan het bosbedrijf van € 9.036 is de fiscale winst van belanghebbende eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
14. Vast staat dat park bestaat uit twee delen. Op één deel staan tien vakantiehuisjes met bijbehorende percelen die worden verhuurd. Belanghebbende erkent dat ten aanzien van dit deel van het park de hoeveelheid bomen zo beperkt is dat niet gesproken kan worden van een bos. Het andere deel betreft 90 percelen recreatieterrein met de mogelijkheid tot opstal van een recreatieobject. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat dit deel volledig bedekt is met bomen en dat de bosbedrijfvrijstelling hierop dient te worden toegepast.
14. Naar het oordeel van de rechtbank is voor het kunnen toepassen van de bosbedrijfvrijstelling niet noodzakelijk dat er sprake is een bedrijfsmatige exploitatie van het bosbedrijf. Wil sprake zijn van een bosbedrijf in de in artikel 3.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 bedoelde zin dan dient het intact houden van opgaand hout op de voorgrond te staan. Daarvan is sprake indien de plaats die het bos als bedrijfsmiddel inneemt in het ondernemingsvermogen van de desbetreffende ondernemer meebrengt dat het bos intact gelaten wordt. Hierbij is van geen belang aan welk bedrijfsproces van de onderneming het bos dienstbaar is.
16. Omdat belanghebbende zich op toepassing van de bosbouwvrijstelling beroept, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende die feiten en omstandigheden stelt en bij betwisting aannemelijk maakt die de conclusie rechtvaardigen dat de vrijstelling van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat de verhuurde percelen behoren tot het ondernemingsvermogen van de door belanghebbende gedreven onderneming. Ook is niet in geschil dat op de verhuurde percelen sprake is van bos en dat belanghebbende de lasten draagt voor het onderhoud van dit bos. Daarmee heeft naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van het bos op de verhuurde percelen het intact houden van het opgaand hout op de voorgrond staat. Dat zij ter zake van deze verhuur inkomsten geniet omdat huurders van deze percelen daar willen recreëren maakt dit niet anders. Integendeel juist het in stand laten van het bos is van groot belang voor de continuïteit van de onderneming.
16. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag wat de omvang is van de vrijstelling. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het deel dat ziet op 90 percelen recreatieterrein volledig bedekt is met bomen en tenminste de helft van het terrein beslaat. Ter onderbouwing van haar stelling heeft belanghebbende een luchtfoto overgelegd. Daartegenover heeft de inspecteur uitsluitend gesteld dat hoogstens 33% van het park bedekt is met bomen, omdat ook de ondergronden van de vakantiehuisjes/chalets vrij zijn van bomen. De rechtbank is het op basis van de overgelegde luchtfoto met belanghebbende eens dat in ieder geval de helft van het terrein als bos is aan te merken. Dat de ondergronden van de vakantiehuisjes/chalets vrij zijn van bomen doet daar niet aan af.
16. Tussen partijen is vervolgens niet in geschil dat als belanghebbende volledig wordt gevolgd in haar stellingen, de belastbare winst uit onderneming voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 moet worden verminderd tot respectievelijk € 8.813, € 7.706, € 3.469 en € 5.796. Aldus zal de rechtbank beslissen.
16. Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van belanghebbende geen behandeling.
Immateriële schadevergoeding
20. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het de arresten van 19 februari 2016 en 14 juni 2024.
21. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 9 oktober 2019 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond zes jaren en twee maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met vier jaren en twee maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500 per half jaar naar boven afgerond. Omdat meerdere zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp hanteert de rechtbank voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 4.500. In de omstandigheid dat de zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld met de zaken van heer [persoon 1] ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te verminderen tot een bedrag van € 2.250.
21. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 5 oktober 2023. Dit is afgerond 42 maanden (drie jaren en zes maanden) langer dan de termijn van zes maanden die geldt voor de inspecteur. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat daarom veroordelen om de schadevergoeding aan belanghebbende te betalen ter grootte van respectievelijk € 1.890 (42/50 * € 2.250) en € 360 (8/50 * € 2.250).
23. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.
Conclusie en gevolgen
24. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de aanslagen zal verminderen overeenkomst het bepaalde in onderdeel 18. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt die vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.662 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en wegingsfactor 1,5 vanwege meer dan vier samenhangende zaken en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1,5 vanwege meer dan vier samenhangende zaken). De rechtbank gaat uit van samenhang tussen de zaken van belanghebbende en die van heer [persoon 1] , omdat zij gelijktijdig zijn behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde in elke zaak nagenoeg identiek konden zijn. De inspecteur zal worden veroordeeld om voor elke belanghebbende de helft van € 4.662 te vergoeden, namelijk € 2.331.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
vernietigt de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering;
vermindert de belastbare winst uit onderneming voor het jaar 2014 tot € 8.813 en vermindert de aanslag IB/PVV voor dat jaar dienovereenkomstig;
vermindert de belastbare winst uit onderneming voor het jaar 2015 tot € 7.706 en vermindert de aanslag IB/PVV voor dat jaar dienovereenkomstig;
vermindert de belastbare winst uit onderneming voor het jaar 2016 tot € 3.469 en vermindert de aanslag IB/PVV voor dat jaar dienovereenkomstig;
vermindert de belastbare winst uit onderneming voor het jaar 2017 tot € 5.796 en vermindert de aanslag IB/PVV voor dat jaar dienovereenkomstig;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van vernietigde uitspraken op bezwaar;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.890
veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbend egeleden immateriële schade tot een bedrag van € 360
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.331 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende voldoet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Zeldenrust, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken op 10 december 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2006:AU7750.
ECLI:NL:RBNNE:2024:546.
ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0345.
Vgl Hoge Raad 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1437.
ECLI:NL:HR:2016:252.
ECLI:NL:HR:2024:853.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|