Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:5960 
 
Datum uitspraak:08-09-2026
Datum gepubliceerd:08-10-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:ZWO 25/2436
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Beroep tegen de weigering om een omgevingsvergunning voor een tijdelijke woonunit. Het college heeft in het besluit onvoldoende gemotiveerd, op de zitting hersteld en voldoende gemotiveerd dat de vergunning in strijd zou zijn met etfal, dus motiveringsgebrek gepasseerd met 6:22 Awb. Weigering blijft in stand.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/2436

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,
hierna: het college,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de door [eiser] aangevraagde omgevingsvergunning voor een tijdelijke woonunit aan de [adres] in [plaats] te weigeren. De aanvraag ziet op de situering van de tijdelijke woonunit op een agrarische bestemming en de regels van het omgevingsplan staan een tijdelijke woonunit daar niet toe. Het college wil ook geen medewerking verlenen aan het afwijken van die regels omdat dat in strijd zou zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [eiser] is het niet eens met dit besluit. Volgens hem is er van strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen sprake omdat hij de grond feitelijk niet agrarisch gebruikt. Verder voert [eiser] aan dat het onredelijk is dat hij de tijdelijke woonunit moet verplaatsen.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit weliswaar niet goed heeft gemotiveerd, maar op de zitting een aanvullende motivering heeft gegeven voor het weigeren van de omgevingsvergunning. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het motiveringsgebrek onder toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. De rechtbank oordeelt verder dat het college zich met de aanvullende motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van een omgevingsvergunning in strijd is met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank bespreekt de overige beroepsgronden niet omdat daarvoor geen plaats is in deze procedure. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.









Procesverloop en achtergrond

2. [eiser] woont aan de [adres] in [plaats] (hierna: het perceel). Op het perceel staat een woning in aanbouw, die door [eiser] wordt gebouwd. Gedurende de bouwperiode woont [eiser] in een tijdelijke woonunit, die ook op het perceel staat.


2.1.
Het college heeft voor de tijdelijke woonunit tweemaal een tijdelijke omgevingsvergunning verleend, voor het laatst op 15 februari 2022. De laatste omgevingsvergunning is voor een periode van twee jaren verleend.



2.2.
Op 6 maart 2024 heeft een toezichthouder van het college geconstateerd dat de tijdelijke woonunit, in afwijking van de laatst verleende omgevingsvergunning, is verplaatst en buiten het bouwvlak staat.



2.3.

[eiser] heeft vervolgens op 18 juli 2024 wederom een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de tijdelijke woonunit.



2.4.
Het college heeft de aanvraag om omgevingsvergunning bij besluit van 21 augustus 2024 in eerste instantie buiten behandeling gesteld omdat de aanvraag niet volledig was.



2.5.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het buiten behandeling stellen van de aanvraag.



2.6.
Het college heeft op 22 april 2025 op het bezwaar besloten (het bestreden besluit). Met het bestreden besluit heeft het college de aanvraag om omgevingsvergunning alsnog in behandeling genomen. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit de aanvraag om omgevingsvergunning geweigerd.



2.7.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de rechtbank


Het beoordelingskader


3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente.
Voor het perceel waar het in deze procedure om gaat, geldt het Omgevingsplan gemeente Hardenberg (hierna: het omgevingsplan). Dit omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.


3.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.



3.2.
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is voor zover van belang, een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Dit volgt uit bijlage A, behorend bij artikel 1.1. van de Ow.



3.3.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt in dat de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving zo goed mogelijk wordt verdeeld, ingericht en benut.



3.4.
Op het perceel is, voor zover van belang, het bestemmingsplan Buitengebied Gramsbergen, [adres] [plaats] van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan.



3.5.
Het noordwestelijke gedeelte van het betrokken perceel heeft de bestemming Wonen – Essen- en hoevenlandschap (wonen). Het zuidoostelijke gedeelte van het perceel heeft de bestemming Agrarisch met waarden – Essen- en hoevenlandschap (agrarisch).



3.6.
Op het deel van het perceel met de agrarische bestemming mag volgens de omgevingsplanregels niet worden gewoond. Er mogen verder alleen bouwwerken zonder dak worden gebouwd. Deze bouwwerken moeten ten dienste staan van de bestemming. Het bouwen en bewonen van een tijdelijke woonunit past niet binnen deze regels.



3.7.
De rechtbank stelt aan de hand van de bouwtekeningen en de plankaart vast dat de tijdelijke woonunit wordt gesitueerd op grond met een agrarische bestemming.



3.8.
Niet in geschil is dat het realiseren van een tijdelijke woonunit niet past binnen de agrarische bestemming. Het beroep van [eiser] richt zich tegen de weigering van het college om in afwijking van de regels van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen omdat vergunningverlening in strijd zou zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



3.9.
Aan het college komt, bij de beslissing om al dan niet in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hierbij moet het college de betrokken belangen afwegen. Dit betekent dat het aan het college is om te beoordelen of een tijdelijke woonunit op de agrarische bestemming op deze locatie wel of niet past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl. De rechtbank oordeelt niet zelf of de tijdelijke woonunit op deze plek wel of niet past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren in overeenstemming is met het recht.






De beoordeling van beroep



Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal)

4. [eiser] stelt dat hij het betreffende deel van het perceel waarop de woonunit is gesitueerd weliswaar een agrarische bestemming heeft, maar niet agrarisch gebruikt of gaat gebruiken. Hij gebruikt de grond als tuin. De rechtbank begrijpt de stelling van [eiser] zo dat hij van mening is dat het feit dat hij de grond niet conform de bestemming agrarisch maar ‘privé’ en als tuin gebruikt, maakt dat er ook geen strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



4.1.
Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat het geen omgevingsvergunning wil verlenen om in afwijking van de regels van het omgevingsplan een tijdelijke woonunit op de agrarische bestemming toe te staan. Het verlenen van een omgevingsvergunning is in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college kan de tijdelijke woonunit worden geplaatst op het gedeelte van het perceel waarop de woonbestemming rust.



4.2.
In het verlengde van rechtsoverweging 3.8. moet de rechtbank in deze procedure beoordelen of het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren, met als reden dat het (wel) verlenen van een omgevingsvergunning strijdig zou zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college moet dat deugdelijk motiveren. Dat volgt uit artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



4.3.
De rechtbank oordeelt dat het college in het bestreden besluit niet goed heeft gemotiveerd waarom het de omgevingsvergunning weigert. Uit die motivering blijkt namelijk niet wat voor het college nu precies maakt dat het (wel) toestaan van een tijdelijke woonunit op de agrarische bestemming geen evenwichtige toedeling van functies aan locaties is. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek. Ondanks dit gebrek zal de rechtbank het bestreden besluit in stand laten. De rechtbank legt dat hierna uit.



4.4.
De rechtbank overweegt dat het college op de zitting een aanvullende motivering heeft gegeven voor de weigering van de omgevingsvergunning. Die motivering houdt in dat de agrarische bestemming geen bebouwing toestaat. Het perceel is onderdeel van het buitengebied. Het college wil de agrarische waarden en het buitengebied met slechts beperkte bebouwing als zodanig behouden. Daarom wil het college geen bebouwing voor wonen toestaan, ook niet tijdelijk. Het college wil ook precedentwerking voorkomen. Volgens het college wegen deze belangen zwaarder dan het belang van [eiser] bij een woonunit op deze bestemming. Bij zijn afwegingen speelt voor het college daarnaast mee dat het gedeelte van het perceel dat de woonbestemming heeft, genoeg ruimte biedt voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit. Dat daarop nu bouwwerken staan die zonder omgevingsvergunning zijn geplaatst komt voor rekening van [eiser], aldus het college.



4.5.
De rechtbank oordeelt dat het college met deze aanvullende motivering de weigering om de omgevingsvergunning te verlenen alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank oordeelt verder dat het college zich met deze aanvullende motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de tijdelijke woonunit strijd zou opleveren met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de agrarische waarden in het buitengebied in het gedrang zouden komen. Het college heeft dit belang zwaarder mogen wegen dan het belang van [eiser] bij de tijdelijke woonunit op de agrarische bestemming, te meer omdat [eiser] het perceel met de (gedeeltelijke) agrarische bestemming heeft gekocht. [eiser] wist of had in ieder geval moeten weten waar hij aan toe was. Dat [eiser] de grond feitelijk als tuin en dus niet agrarisch gebruikt hoeft voor het college geen reden te zijn om de omgevingsvergunning te verlenen. Voor het college is het omgevingsplan leidend en niet het feitelijk gebruik van het perceel. Het omgevingsplan regelt immers hoe de fysieke leefomgeving in een gemeente wordt ingericht.



4.6.
Omdat het college op de zitting alsnog een dragende motivering heeft gegeven voor het weigeren van de omgevingsvergunning, zal de rechtbank het motiveringsgebrek van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.
Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ondanks het gebrek toch in stand laat. Dat doet de rechtbank omdat aannemelijk is dat [eiser] daardoor niet is benadeeld. Het is de rechtbank op de zitting gebleken dat [eiser] de aanvullende motivering heeft begrepen en hij heeft daarop ook gereageerd.


Overige gronden

5. [eiser] heeft verder aangevoerd dat het om verschillende redenen onredelijk is dat hij wordt gedwongen de woonunit (weer) te verplaatsen. Zo wijst hij op de tijdelijkheid van de woonunit op de huidige plek en de korte afstand tussen die huidige plek en de plek waar hij de woonunit zou moeten (terug)plaatsen.



5.1.
De rechtbank overweegt dat alles wat [eiser] aanvoert over het al dan niet verplaatsen van de woonunit geen plaats heeft in deze procedure. In deze procedure beoordeelt de rechtbank alleen of het college de omgevingsvergunning voor een tijdelijke woonunit op de agrarische bestemming heeft mogen weigeren. Het bestreden besluit gaat niet over het (moeten) verplaatsen van de tijdelijke woonunit. De rechtbank zal deze argumenten daarom ook niet verder bespreken. Tot slot is in deze procedure ook geen plaats voor de vraag of de tijdelijke woonunit binnen de bestemming wonen vergunningvrij kan worden geplaatst, zoals door [eiser] gesteld in zijn beroepschrift.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om de omgevingsvergunning te weigeren in stand blijft.


6.1.
Omdat het bestreden besluit wel een motiveringsgebrek bevat, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht aan [eiser] moet vergoeden. Het is de rechtbank niet gebleken dat [eiser] proceskosten heeft gemaakt die vergoed kunnen worden.







Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser] moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier en uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






















Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Omgevingswet, Tweede Kamer, 2017/18,
34 986, nr. 3., pagina 59. Te raadplegen via www.overheid.nl.
Link naar deze uitspraak