Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9469 
 
Datum uitspraak:24-09-2026
Datum gepubliceerd:09-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/663 26/788 en 26/289
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Verzoek om bekrachtiging | bedenkingen | gewijzigd inzicht in loop minnelijk overleg | belang, noodzaak en urgentie aanwezig.
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
erfgenamen
onteigening
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/663, 26/788 en 26/789


uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2026 op het verzoek om bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking van



de gemeenteraad van de gemeente Zundert, (de raad)
(gemachtigde: mr. L.P. Rozendaal),

Tegen de onteigeningsbeschikking zijn bedenkingen ingediend door belanghebbenden:
1. [belanghebbende 1], uit [plaats 1] , belanghebbende 1,
(gemachtigden: mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. J.H.D. Elings)
2. [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3], uit [plaats 2] , belanghebbenden 2,
(gemachtigde: mr. J. van den Hoorn)



Inleiding

De raad heeft op 20 januari 2026 verzocht om een onteigeningsbeschikking van 9 december 2025 te bekrachtigen. Belanghebbenden hebben op 28 januari 2026 bedenkingen ingediend tegen die onteigeningsbeschikking.

De rechtbank heeft het verzoek om bekrachtiging en de bedenkingen op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens de raad waren de gemachtigden, [persoon 1] en [persoon 2] aanwezig. [belanghebbende 1] is verschenen vergezeld door zijn gemachtigden, [persoon 3] , en zijn partner [persoon 4] . [belanghebbende 2] is verschenen samen met zijn gemachtigde, mr. S. Comijs en [persoon 5] . [belanghebbende 3] is niet verschenen.



Het verzoek om bekrachtiging

De raad is voornemens om aan de rand van de kern [plaats 2] in het plangebied de [locatie] een Kindcentrum te realiseren. Daar is volgens de raad voor vereist dat twee percelen worden aangekocht:



[perceel 1] gedeeltelijk (24.365 m2) (hierna perceel 1). Dit perceel was eigendom van de – overleden – heer [naam 1] . Belanghebbenden 1 en 2 zijn erfgenamen en nu gezamenlijk eigenaar van het perceel. Op het perceel rust een opstalrecht nutsvoorzieningen ten behoeve van de gemeente Zundert . Dit is een agrarisch perceel dat gebruikt wordt voor akkerbouw.



[perceel 2] (25.618 m² ) (hierna perceel 2). Dit perceel was ook eigendom van de – overleden – heer [naam 1] . Ook hier zijn belanghebbenden 1 en 2 de erfgenamen en nu gezamenlijk eigenaar van het perceel. Op dit perceel rust eveneens een opstalrecht nutsvoorzieningen ten behoeve van de gemeente Zundert . Dit is een agrarisch perceel dat gebruikt wordt voor teelt-kweek.



De raad heeft op 9 december 2025 een onteigeningsbeschikking vastgesteld en heeft deze op 18 februari 2025 ter inzage gelegd. De raad heeft besloten om:

De onroerende zaken, die zijn vermeld op de onteigeningslijst van 14 november 2025 die behoort bij de onteigeningsbeschikking, ter onteigening aan te wijzen op naam van de gemeente Zundert;


De rechtbank Zeeland-West-Brabant te verzoeken om deze onteigeningsbeschikking te bekrachtigen;


Het college van burgemeester en wethouders te belasten met de indiening van het verzoek tot bekrachtiging bij de rechtbank;


Het college van burgemeester en wethouders op te dragen al datgene te doen (besluiten te nemen dan wel handelingen te verrichten) dat bijdraagt aan de bekrachtiging van deze onteigeningsbeschikking;


Het college van burgemeester en wethouders te belasten met de indiening van het verzoek aan de rechtbank tot vaststelling van de schadeloosstelling als gevolg van de onteigening en de verdere afwikkeling van dat verzoek;


Het college van burgemeester en wethouders te belasten met de indiening van het verzoek aan een notaris tot het verlijden van de onteigeningsakte en de verdere afwikkeling van dat verzoek;


Het college van burgemeester en wethouders op te dragen om bij het wegvallen van de noodzaak van onteigening, de bekrachtigingsprocedure en de procedure tot vaststelling van de schadeloosstelling voor de betreffende onroerende zaak of zaken te beëindigen;


Bijgevoegde nota beantwoording zienswijzen vast te stellen.

Het college heeft de rechtbank op 20 januari 2026 – namens de raad en op grond van artikel 16.93, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow) – verzocht om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. Belanghebbenden 1 en 2 hebben op 28 januari 2026 bedenkingen ingediend tegen die onteigeningsbeschikking.




Planologische grondslag

Vanaf 1 januari 2024 geldt één omgevingsplan voor de gehele gemeente Zundert . Op 30 september 2025 heeft de raad het “TAM-omgevingsplan [plan] te [plaats 2] ” vastgesteld. Dit plan is in hoofdstuk 22d opgenomen in het omgevingsplan [plaats 2] .

Uit het omgevingsplan blijkt dat aan perceel 1 de functies ‘Groen’, ‘Verkeer‘ en ‘Waarde Archeologie 4’ zijn toegekend. Aan perceel 2 zijn de functies ‘Maatschappelijk’, ‘Groen’ en ‘Waarde Archeologie 4’ toegekend.
Tegen de vaststelling van het TAM-omgevingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).



De uitspraak

1. De rechtbank doet uitspraak op grondslag van het verzoekschrift, de basistoets, de bedenkingen die tegen de onteigeningsbeschikking zijn ingebracht, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2. De rechtbank zal het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking toewijzen. Dat betekent dat de rechtbank de onteigeningsbeschikking zal bekrachtigen. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot deze uitspraak komt.

3. Toetsingskader


3.1
Onteigening is het instrument waarmee de overheid eigendomsrechten op onroerende zaken kan ontnemen, waardoor de onroerende zaak tot het eigendom van de onteigenaar gaat horen. In artikel 11.5 van de Ow staan de drie voorwaarden voor onteigening. Uit die bepaling blijkt dat een onteigeningsbeschikking alleen kan worden gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving (onteigeningsbelang) en als de onteigening noodzakelijk en urgent is.


Ambtshalve basistoets




3.2
In artikel 16.107 van de Ow is de hiermee samenhangende ambtshalve basistoets van de rechtbank opgenomen. Het gaat om een ambtshalve toetsing, die ook wordt uitgevoerd als de ingebrachte bedenkingen daar geen aanleiding toe geven en ook wanneer er geen bedenkingen zijn ingebracht. De basistoets, die vier aspecten omvat, vormt de inhoudelijke waarborg dat niemand onteigend zal worden zonder dat een rechter zich heeft uitgesproken over de onteigening. Ongeacht of tegen de onteigeningsbeschikking bedenkingen zijn ingebracht, wijst de rechtbank het verzoek in ieder geval af als de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke voorschriften is voorbereid, het onteigeningsbelang ontbreekt, de noodzaak ontbreekt of de urgentie ontbreekt. Voor alle onderdelen vindt een intensieve toetsing plaats door de rechtbank. Het eerste onderdeel van de basistoets betreft de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking. De rechter toetst of deze voorbereiding volgens de wettelijke vormvoorschriften van de Ow en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verlopen. Het gaat om de voorgeschreven eisen aan de terinzagelegging en kennisgeving van de ontwerpbeschikking die als minimale waarborgen voor de rechthebbenden moeten worden beschouwd en waarvan strikte naleving noodzakelijk is. De andere drie onderdelen van de basistoets betreffen de criteria van een onteigeningsbelang, de noodzaak en de urgentie. Aan deze criteria moet ook worden voldaan op het moment waarop de bestuursrechter de bekrachtiging uitspreekt. De rechtbank toetst dus ex nunc of aan die criteria is voldaan. Als aan een of meer van deze criteria niet wordt voldaan, dan wijst de rechter het verzoek tot bekrachtiging af.


Bedenkingen




3.3
Het uitgangspunt is dat de bekrachtigingsprocedure bij de rechtbank ook de rechtsbeschermingsfunctie van de behandeling van een beroep in eerste aanleg vervult. Gelet daarop wordt aan belanghebbenden (in de zin van artikel 1:2 van de Awb) de gelegenheid geboden hun argumenten tegen de onteigeningsbeschikking aan de rechter voor te leggen in de vorm van een bedenking. Die heeft dus een vergelijkbare functie als een beroepschrift in een reguliere beroepsprocedure. Deze door de belanghebbende ingediende bedenkingen kunnen de bestuursrechter aanleiding geven om aanvullend op de basistoets een meer casusspecifieke toetsing van de rechtmatigheid van de onteigeningsbeschikking voor een bepaalde rechthebbende te verrichten. Er geldt geen getrapt stelsel voor het indienen van bedenkingen, wat betekent dat ook een bedenking kan worden ingediend als geen zienswijze is ingediend. Dat zulke bedenkingen bij de inhoudelijke behandeling worden betrokken, betekent niet dat de bestuursrechter deze bedenkingen ook gegrond moet achten en zich van bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking zou moeten onthouden. De bestuursrechter heeft de ruimte en de verantwoordelijkheid om een passende toetsingsmaatstaf en toetsingsmoment te kiezen. Daarbij kan de rechter, afhankelijk van de rechtsgrond waarop een bedenking steunt, gewicht toekennen aan de opstelling van de belanghebbende in het minnelijke overleg en de openbare voorbereidingsprocedure.

4. Ontvankelijkheid bekrachtigingsverzoek en bedenkingen



4.1
De rechtbank acht het bekrachtigingsverzoek ontvankelijk, omdat het tijdig is ingediend en voldoet aan de indieningsvereisten van artikel 16.93, tweede en derde lid, van de Ow.



4.2
Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de bedenkingen van belanghebbende 1 als die van belanghebbenden 2 ontvankelijk. De bedenkingen zijn tijdig ingediend. Belanghebbenden zijn erfgenamen van de eigenaar van de percelen en kunnen daarom worden aangemerkt als belanghebbende bij de onteigeningsbeschikking.In eerste instantie had belanghebbende 1 samen met zijn partner de bedenking ingediend, ter zitting heeft de partner van belanghebbende 1 haar bedenking ingetrokken.

5. Wettelijke vormvoorschriften



5.1
Met de wettelijke vormvoorschriften wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking en de wijze waarop de beschikking moet worden gegeven en vastgelegd. In artikel 16.33b van de Ow staat dat afdeling 3.4 van de Awb – de uniforme openbare voorbereidingsprocedure – van toepassing is op de voorbereiding van een onteigeningsbeschikking.



5.2
Als onderdeel van die procedure was de raad verplicht om een ontwerp-onteigeningsbeschikking – met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp – ter inzage te leggen. Uit artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit (Ob) volgt welke stukken in ieder geval samen met het ontwerp ter inzage moeten worden gelegd. De terinzagelegging van de ontwerp-onteigeningsbeschikking vindt plaats binnen de gemeente of gemeenten waarin de onroerende zaak ligt. De kosten van de terinzagelegging en de kennisgeving komen voor rekening van de onteigenaar. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft de raad kennis van het ontwerp. De stukken worden ter inzage gelegd voor de duur van zes weken, met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen binnen die termijn.



5.3
Uit de Awb volgt verder dat de onteigeningsbeschikking ook ter inzage wordt gelegd gedurende de beroepstermijn, samen met alle stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het besluit. Van die terinzagelegging wordt kennisgegeven op dezelfde wijze als van de ontwerp-onteigeningsbeschikking. Daarnaast wordt een exemplaar van het besluit toegestuurd aan degene die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. Artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow voegt daaraan toe dat de raad bij de bekendmaking en de kennisgeving van de onteigeningsbeschikking vermeldt welke rechtbank de raad zal verzoeken de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. Verder dient erbij te worden vermeld dat belanghebbenden binnen zes weken na de dag waarop de beschikking ter inzage is gelegd, bij die rechtbank schriftelijk bedenkingen kunnen inbrengen tegen de beschikking en dat de beschikking in werking treedt met ingang van de dag na die waarop de uitspraak waarbij zij is bekrachtigd, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.



5.4
De rechtbank is van oordeel dat de onteigeningsbeschikking volgens de wettelijke vormvoorschriften is vastgesteld. De rechtbank stelt aan de hand van de door de raad overgelegde stukken vast dat de raad de ontwerpbeschikking samen met de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage heeft gelegd van 18 september 2025 tot en met 30 oktober 2025. Op 17 september 2025 is van die terinzagelegging kennisgegeven in het gemeenteblad. In die kennisgeving stond vermeld dat de mogelijkheid bestond om een zienswijze naar voren te brengen binnen diezelfde termijn. De rechtbank stelt verder aan de hand van de door de raad overgelegde stukken vast dat de raad de onteigeningsbeschikking samen met de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage heeft gelegd van 18 december 2025 tot en met 29 januari 2026. Op 17 december 2025 is van die terinzagelegging kennisgegeven in het gemeenteblad. Uit de kennisgeving blijkt ook dat is voldaan aan de eisen uit artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow.



5.5
Belanghebbende 1 heeft aangevoerd dat hij naar aanleiding van de onteigeningsbeschikking het op hem betrekking hebbende logboek heeft opgevraagd. Op het moment van het indienen van de bedenking beschikte hij nog niet over dit logboek.



5.6
Van een gebrek in (de totstandkoming van) de onteigeningsbeschikking is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu het gaat om de verstrekking van de logboeken na de totstandkoming van de onteigeningsbeschikking. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de raad bij het indienen van de op zaak betrekking hebbende stukken ook de logboeken heeft bijgevoegd. Daarnaast zijn door de raad in aanloop naar de zitting ook bijgewerkte logboeken ingediend. De rechtbank heeft deze stukken naar partijen doorgezonden. Belanghebbende 1 heeft dus (alsnog) kennis kunnen nemen van de inhoud van het op hem betrekking hebbende logboek en dat bij zijn aanvullende bedenking dan wel nadere reactie kunnen betrekken. Verder heeft belanghebbende 1 ter zitting nog de mogelijkheid gehad om nader op de inhoud ervan in te gaan.

6. Onteigeningsbelang



6.1
Artikel 14 van de Grondwet bepaalt dat onteigening alleen kan plaatsvinden in het algemeen belang. Artikel 11.5, onder a, van de Ow kleurt die grondwettelijke norm nader in. Een onteigeningsbeschikking kan op grond van die bepaling alleen worden gegeven als de aan te wijzen onroerende zaken nodig zijn voor het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Er dient dus sprake te zijn van een onteigeningsbelang. Het onteigeningsbelang wordt in de regeling verbonden aan de toedeling van functies aan locaties in samenhang met een aantal instrumenten in de Ow. De verbinding bestaat uit de eis dat de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is, mogelijk moet zijn gemaakt in een van die wettelijke instrumenten.



6.2
Van een onteigeningsbelang is onder andere sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving onder uitsluiting van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer, mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit het samenstel van de op een locatie geldende regels kan worden afgeleid welke functie(s) een locatie vervult. Deze in het omgevingsplan aan locaties toegedeelde functies kunnen aan het onteigeningsbelang ten grondslag worden gelegd. De functie is het gebruiksdoel dat, of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. Vormt het omgevingsplan de basis van de onteigening, dan geldt in beginsel de eis dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer is toegelaten “onder uitsluiting van de bestaande vorm”.



6.3
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een onteigeningsbelang. De beoogde vorm van ontwikkeling en gebruik van de fysieke leefomgeving is mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is aan de te onteigenen percelen de functies Maatschappelijk, Groen en Verkeer toegekend. De gebruiksdoelen van de percelen sluiten aan bij de ontwikkeling, namelijk de aanleg van een kindcentrum. Agrarisch gebruik van de percelen is onder het TAM-omgevingsplan niet toegestaan.



6.4
Belanghebbende 1 heeft aangevoerd dat door de realisatie van het Kindcentrum op het resterende deel van perceel 1 beperkingen voor zijn bedrijfsvoering gaan gelden. Het gehele perceel 1 had moeten worden betrokken in de onderhandelingen. Bovendien kunnen de toekomstige plannen over een nieuwe rondweg niet los worden gezien van deze ontwikkeling. Beide ontwikkelingen en de gevolgen daarvan hadden tezamen moeten worden beoordeeld en in de onderhandelingen meegenomen moeten worden.



6.5
De rechtbank is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het onteigeningsbelang uit het TAM-omgevingsplan volgt. Alleen die (delen van) percelen die nodig zijn voor de realisatie van dat omgevingsplan kunnen worden onteigend. De door belanghebbende 1 aangevoerde gronden die onder meer zien op een spuitvrije zone en effecten van het Kindcentrum op zijn bedrijfsvoering zien, zijn planologisch van aard en horen thuis in de beroepsprocedure tegen het TAM-omgevingsplan bij de Afdeling. Daarbij merkt de rechtbank op dat de onteigening feitelijk pas doorgang kan vinden als het TAM-omgevingsplan onherroepelijk is.

7. Noodzaak



7.1
Een onteigeningsbeschikking kan op grond van artikel 11.5, onder b, van de Ow alleen worden gegeven wanneer de onteigening noodzakelijk is. In artikel 11.7 van de Ow wordt nader uitgewerkt in welke gevallen geen sprake is van de voor onteigening vereiste noodzaak. Dat is in ieder geval wanneer de onteigenaar geen redelijke poging heeft ondernomen om de onroerende zaak in minnelijkheid te verwerven dan wel om overeenstemming te bereiken over het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten op die onroerende zaak. Zo wordt het ultimum remedium-karakter van het onteigeningsinstrument gewaarborgd. Daarbij moet het minnelijk overleg een reëel en serieus overleg inhouden, waarbij wordt geprobeerd tot overeenstemming te komen. Wat onder een redelijke poging moet worden verstaan, hangt volgens de memorie van toelichting onder andere af van de omstandigheden van het geval. Afhankelijk van de situatie kunnen de onderhandelingen ook betrekking hebben op de verwerving van een groter geheel dan de benodigde gronden, het toestaan van voortgezet gebruik, een aanbod van ruilgronden, de vestiging van een gebruiksrecht of de aanleg van bijkomende voorzieningen. Omdat de eigenaar in het stelsel van de onteigening niet verplicht kan worden om een schadeloosstelling anders dan in geld te aanvaarden, moet in ieder geval een aanbod in geld worden gedaan dat betrekking heeft op de onroerende zaak zoals deze bij de beschikking zal worden aangewezen. De noodzaak tot onteigening ontbreekt op grond van het eerste lid ook als aannemelijk is dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving / het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten en dat die overeenstemming zal leiden tot een spoedige levering van de onroerende zaak dan wel vervallen van die rechten.



Standpunt belanghebbenden




7.2
Belanghebbende 1 heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van voldoende minnelijk overleg. Er is slechts één aanbod gedaan op 1 juli 2025 dat herhaald is op 19 augustus 2025. Dat aanbod hield een totaalprijs van € 1.298.775,- in.
De raad heeft nagelaten inzichtelijk te maken hoe deze prijs tot stand is gekomen en een onderliggend taxatierapport is niet overgelegd. De schade beperkt zich niet tot de percelen die onteigend worden. De percelen maken onderdeel uit van de huiskavel van zijn melkveebedrijf. Door de onteigening wordt belanghebbende beperkt in de gebruiksmogelijkheden van het resterende deel van perceel 1. Het verkleinen van de huiskavel heeft aanzienlijke gevolgen voor de bedrijfsvoering. Belanghebbende 1 heeft daarom aangegeven gecompenseerd te willen worden door middel van vervangende grond.
Bovendien vreest hij dat de raad gebruik maakt van een salamitactiek, waardoor hij in de toekomst – bijvoorbeeld door de aanleg van een nieuwe randweg – nog meer gronden zal kwijtraken.
Tot slot wijst belanghebbende 1 erop dat er meerdere erfgenamen zijn waardoor tijd voor onderling overleg nodig is. De raad heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden.



7.3
Belanghebbenden 2 hebben zich eveneens op het standpunt gesteld dat de raad geen redelijke poging heeft ondernomen om de onroerende zaken in minnelijkheid te verwerven.
Partijen waren nog met elkaar in overleg en voor belanghebbenden 2 is onduidelijk waarom en op basis waarvan de raad de indruk heeft dat er geen overeenstemming zal worden bereikt. Onteigening is daarom prematuur.
Daarnaast heeft de raad nagelaten inzichtelijk te maken hoe het gedane aanbod is opgebouwd. Onduidelijk is of en hoe bijkomende schadeposten als gevolg van het bedrijfsmatig gevolg van de gronden zijn opgenomen in het aanbod. Ook het gevolg van de gedeeltelijke onteigening – waardevermindering en ernstige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het resterende deel van perceel 1 – zijn onvoldoende meegewogen door de raad.



7.4.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een voldoende redelijke poging voor minnelijke verwerving.


Schriftelijk aanbod van de raad in geld


7.4.1
De rechtbank stelt aan de hand van het logboek vast dat vanaf oktober 2023 contact heeft plaatsgevonden tussen de raad en belanghebbenden over de verwerving van de gronden. Eerst is gesproken over verwerving van het [perceel 2] en het gehele [perceel 1] , zo blijkt uit de brieven van 4 maart 2025 en 11 april 2025. De raad is later van inzicht gewijzigd en is gestart met de verwerving van de percelen in geding.
Op 1 juli 2025 heeft de raad aan belanghebbenden een (eerste) schriftelijk aanbod in geld heeft gedaan voor de te onteigenen percelen, waarbij aangesloten is bij het ontwerp-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan [plan] te [plaats 2] ”. Wel heeft de raad in de brief van 1 juli 2025 een aanvullend aanbod gedaan om ook het resterende deel van perceel 1 – het deel waarop het ontwerp-omgevingsplan niet ziet – aan te kopen. Dit aanbod is op 19 augustus 2025 schriftelijk herhaald. Ook na het geven van de onteigeningsbeschikking heeft de gemeente de onderhandelingen voortgezet. Op 12 februari 2026 is een verhoogd schriftelijk aanbod gedaan aan belanghebbenden. Ook in deze brief is een aanvullend aanbod gedaan voor de aankoop van het resterende deel van perceel 1. Op 16 maart 2026 is dit aanbod schriftelijk herhaald.



7.4.2
Het schriftelijke aanbod van de raad van 1 juli 2025 is in geld gedaan en er is een hoger bedrag geboden dan de grondprijs. Door belanghebbenden is in reactie op dit bod aangegeven dat zij onderling in overleg zijn en dat meer tijd nodig is voor onderlinge afstemming. Vanuit belanghebbenden is vervolgens – ook niet na herhaling van dit aanbod op 19 augustus 2025 – geen tegenbod gedaan. Ook hebben belanghebbenden geen informatie aan de raad verstrekt die inzicht geeft in de door hen gestelde bijkomende schade, bijvoorbeeld afgesloten contracten of een onderbouwing ten aanzien van eventuele stikstofruimte. Dit gebrek aan informatie, de omstandigheid dat belanghebbenden niet gezamenlijk met de raad om tafel wilden en het ontbreken van een tegenbod maakten het moeilijk voor de raad om verder te onderhandelen. Dit kan de raad niet worden tegengeworpen. Ook de omstandigheid dat het tussen belanghebbenden gevoerde overleg lang heeft geduurd kan de raad niet worden tegengeworpen. Het aanbod van 1 juli 2025 is weliswaar summier onderbouwd maar hieruit blijkt wel waarop de raad de grondprijs heeft gebaseerd. Ook de voor de raad op dat moment bekende bijkomende schaden (kosten) die het rechtstreeks gevolg zijn van de verkoop van de percelen aan de gemeente zijn in het aanbod meegenomen. Hierbij merkt de rechtbank op dat in juli 2026 de raad nader heeft onderbouwd hoe het (nieuwe) aanbod tot stand is gekomen, zodat voor belanghebbenden en voor de rechtbank alsnog de opbouw van het aanbod nog verder inzichtelijk is gemaakt.



7.4.3
Belanghebbende 1 heeft ook betoogd dat de poging tot minnelijke verwerving onzorgvuldig is geweest wegens het gewijzigd inzicht van de raad ten aanzien van de percelen die benodigd zijn voor de realisatie van het Kindcentrum. De raad heeft in reactie op de bedenkingen uiteengezet dat bij voorbereiding van het TAM-omgevingsplan is gebleken dat een kleiner plangebied nodig is en de raad heeft vervolgens haar aanbod daarop afgestemd. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat daardoor geen sprake van is van een onzorgvuldige poging tot minnelijke verwerving. De rechtbank wijst hierbij op het het Koninklijk Besluit van 21 mei 2021. Hierin is overwogen dat gedurende het minnelijke overleg door voortschrijdend inzicht wijzigingen kunnen optreden in het benodigde ruimtebeslag en de planologische inpassing. Doen deze wijzigingen zich voor dan brengt dat niet automatisch met zich dat het minnelijk overleg als onvoldoende serieus of niet redelijk moet worden aangemerkt. Wel dient de verzoeker in dit soort gevallen de rechthebbenden eerst een aanbieding te doen gericht op de aankoop van het (na de wijziging) benodigde grondbeslag en dient hij redelijke pogingen te ondernemen om hetgeen nodig is minnelijk in eigendom te verwerven. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat deze jurisprudentielijn onder de Omgevingswet niet meer zou gelden. In dit geval is nadat geconstateerd is dat een kleiner plangebied nodig is, een nieuw op dit kleinere plangebied toegespitst aanbod gedaan, namelijk op 1 juli 2025. Bij het oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldige poging tot minnelijke verwerving betrekt de rechtbank ook dat voor het gedeelte van perceel 1 wat niet onteigend wordt steeds ook een aanvullend bod is gedaan.


Wens van belanghebbende 1 te worden gecompenseerd met vervangende grond



7.4.3
Belanghebbende 1 heeft gewezen op de door hem geuite wens om in vervangende grond te worden gecompenseerd. De rechtbank acht deze wens gelet op de voorgenomen voortzetting van het bedrijf en de op zitting toegelichte noodzaak van behoud van het huiskavel begrijpelijk. Voor de raad bestaat er echter geen verplichting om in dat geval met een bod in vervangende grond te komen. Uitgangspunt is dat de Ow belanghebbenden een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. Uit het logboek blijkt dat de raad, hoewel daartoe niet verplicht, onderzocht heeft of vervangende grond kon worden aangeboden in het kader van de minnelijke onderhandelingen ter voorkoming van onteigening. Dat is niet gelukt. Gelet daarop heeft de raad kunnen volstaan met een bod in geld.


Conclusie noodzaak onteigening



7.4.4.
De rechtbank is van oordeel dat onteigening noodzakelijk is. Er is een redelijke poging tot minnelijke verwerving gedaan. De raad heeft schriftelijk aanbod in geld aan belanghebbenden gedaan en dit aanbod kan als niet onredelijk worden beschouwd. De rechtbank merkt daarbij op dat de bestuursrechter geen oordeel kan vellen over de hoogte van de schadeloosstelling, daarvoor is de schadeloosstellingprocedure bij de civiele rechter.

8. Urgentie




8.1
Een onteigeningsbeschikking kan op grond van artikel 11.5, onder c, van de Ow alleen worden gegeven als de onteigening urgent is. Gemotiveerd moet worden dat binnen drie jaar vanaf het moment waarop de eigendom door de onteigenaar wordt verkregen een begin moet worden gemaakt met de uitvoering van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is. Onteigenaars kunnen dit aannemelijk maken aan de hand van concrete, op uitvoering gerichte projectplannen en planningen. Het urgentiecriterium waarborgt dat eigenaren niet onnodig vroeg worden gestoord in hun eigendomsrecht. Als startmoment van de driejaarstermijn geldt het moment waarop de onteigenaar de eigendom heeft verkregen. Met het inschrijven van een door een notaris verleden onteigeningsakte in de openbare registers verkrijgt de raad de eigendom vrij van alle lasten en rechten die met betrekking tot de zaak bestaan. Vanaf dat moment kan de onteigenaar daadwerkelijk aan de slag met de verwezenlijking van het onteigeningsbelang. Het is reëel om voor de urgentietermijn bij dat moment aan te sluiten.



8.2
Naar het oordeel van de rechtbank is de onteigening urgent, omdat de raad gemotiveerd heeft toegelicht dat uiterlijk drie jaar na het verkrijgen van de eigendom aan de slag zal worden gegaan met de verwezenlijking van het Kindcentrum. Uit de zakelijke beschrijving volgt dat de raad ervan uit gaat dat de aanbesteding van de architect plaatsvindt in 2025. Het ontwerp van het Kindcentrum zal vanaf januari 2026 nader worden vormgegeven. De planning is dat het ontwerp eind 2026 of begin 2027 definitief is. De aanbesteding van de bouw vindt plaats in 2026 en een deel in 2027. In 2027 worden de benodigde vergunningen aangevraagd en wordt gestart met het bouwrijp maken. De raad wil in 2028 beginnen met de bouw van het Kindcentrum. De bedoeling is om het Kindcentrum in de eerste maanden van 2029 op te leveren. Ter zitting is door de raad toegelicht dat inmiddels is gestart met het ontwerp van het kindcentrum. De rechtbank acht het aannemelijk dat de planning kan worden gehaald.

9. Conclusie

De rechtbank zal de onteigeningsbeschikking bekrachtigen.

10. Griffierecht

De uitspraak houdt ook in dat van de raad een griffierecht wordt geheven. Het griffierecht bedraagt het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder c, van de Awb, vermeerderd met het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder b, van die wet, voor elk bedenkingengeschrift dat door een belanghebbende bij de rechtbank tegen de onteigeningsbeschikking is ingebracht. Dat betekent dat in deze zaak een griffierecht wordt geheven voor een bedrag van € 797,-, bestaande uit € 397,- + € 400,- (twee bedenkingen).

11. Kosten belanghebbende



11.1
De uitspraak houdt op grond van artikel 16.111 van de Ow in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die een belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, in verband met de behandeling van het verzoek naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is niet van toepassing. De belanghebbende die een bedenking heeft ingediend krijgt in alle gevallen de proceskosten van deelname aan de bekrachtigingsprocedure vergoed. De rechtbank wordt verplicht een proceskostenveroordeling ten gunste van de belanghebbende uit te spreken, zodat deze veroordeling niet afhankelijk is van het inhoudelijke rechterlijke oordeel op het verzoek tot bekrachtiging. Het moet gaan om kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de kosten redelijkerwijs gemaakt zijn. Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent hier een tweeledige redelijkheidstoets. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of de bijstand redelijkerwijs is ingeroepen en of de kosten daarvan redelijk zijn.



11.2
Het bestuursorgaan wordt daarnaast veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die bedenkingen heeft ingediend, heeft gemaakt in de fase voor de vaststelling van de onteigeningsbeschikking. De uitspraak houdt daarom op grond van artikel 16.112 van de Ow ook in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken voor:


door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand voor het overleg over de minnelijke verwerving, bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, en


door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand in verband met het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.



De kostenveroordeling wordt uitgesproken ongeacht of de onteigeningsbeschikking wordt bekrachtigd. Het gaat ook hier om de werkelijke kosten van (rechts)bijstand, voor zover deze redelijk zijn.



11.3
De rechtbank zal de raad veroordelen in de kosten die belanghebbenden hebben gemaakt.


Kosten belanghebbenden 1


11.3.1
Voor belanghebbende 1 is dit een bedrag van € 30.570,61. Hij heeft overzichten overgelegd van kosten die hij voor rechtsbijstand heeft gemaakt in de fase voorafgaand aan de vaststelling van de onteigeningsbeschikking en de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking. De kosten die zien op de planologische procedure (€ 4.150,96) komen niet voor vergoeding in deze procedure in aanmerking.
Uit de overzichten blijkt dat belanghebbende 1 in het kader van de voorliggende procedure rechtsbijstand heeft ontvangen van zijn gemachtigden. De overzichten bevatten de uitgevoerde werkzaamheden door deze personen, het aantal uren, het uurloon en overige kosten zoals die van de ingeschakelde rentmeester. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit die overzichten dat belanghebbende 1 de bijstand redelijkerwijs heeft ingeroepen. De rechtbank acht de kosten ook redelijk.


Kosten belanghebbenden 2



11.3.2
Voor belanghebbenden 2 is dit een bedrag van € 62.446,22 (twee maal € 31.036,50). Zij hebben overzichten overgelegd van kosten die zij voor rechtsbijstand hebben gemaakt in de fase voorafgaand aan de vaststelling van de onteigeningsbeschikking en de kosten die zij hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking.
De uren die zien op de planologische procedure – 0,6 uren van de belangenbehartiger van [belanghebbende 3] – en de uren die zien op gesprekken met ontwikkelaars – 1,5 uur van de ingeschakelde rentmeester – komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Uit de overzichten blijkt dat belanghebbenden 2 in het kader van de voorliggende procedure rechtsbijstand hebben ontvangen van hun gemachtigden. De overzichten bevatten de uitgevoerde werkzaamheden door deze personen, het aantal uren, het uurloon en overige kosten zoals die van de ingeschakelde rentmeester en belangenbehartiger. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit die overzichten dat belanghebbenden 2 de bijstand redelijkerwijs hebben ingeroepen. De rechtbank acht de kosten ook redelijk.






De beslissing

De rechtbank:


wijst het verzoek van de raad om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking toe;


heft een bedrag van € 797,- aan griffierecht;


veroordeelt de raad tot betaling van € 30.570,61 aan kosten voor belanghebbende 1;


veroordeelt de raad tot betaling van € 62.446,22 aan kosten voor belanghebbenden 2.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. R.P. Broeders, leden, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 24 september 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Artikel 4.2 van de Ow.


TAM zijn tijdelijke alternatieve maatregelen. Eén voorbeeld van een alternatieve maatregel is een TAM omgevingsplan. Tot 1 januari 2026 konden gemeenten, voor wie het wijzigen van het omgevingsplan via de LVBB (landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen) niet mogelijk was, gebruik maken van een alternatieve maatregel TAM. Een TAM-omgevingsplan houdt wel een wijziging van het omgevingsplan is en de omgevingsplanwijzigingen die zijn opgesteld volgens TAM-IMRO moeten vóór het verstrijken van de overgangsfase naar de STOP/TPOD- standaard worden omgezet. Dit om te kunnen voldoen aan de verplichting om vanaf 1 januari 2043 één geconsolideerd omgevingsplan te hebben per gemeente. Een omgevingsplanwijziging die is vastgesteld met IMRO-standaarden (ruimtelijke ordening), kan vanwege technische reden niet in geconsolideerde vorm beschikbaar worden gesteld.


Artikel 16.106, eerste lid, van de Ow



Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 10.



Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 114.


De rechtbank wijst op het (aangenomen) amendement van kamerlid Bisschop tot wijziging van het voorgestelde artikel 16:107, kamerstukken II 2019/2020, 35133, 32. Het voorstel had als doel te bewerkstelligen dat er geen twijfel over de door de rechter aan te leggen toets zal bestaan, namelijk een volle intensieve toetsing. Zie ook [naam 2], ‘Commentaar op art. 16.107 Ow’, in [namen] (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024.



Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 114 en 117.


Artikel 6:13 Awb is niet opgenomen in de opsomming van artikelen die van overeenkomstige toepassing worden verklaard.



Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 114 en 115 en artikel 16.97 van de Ow.


Artikel 16.96, eerste en tweede lid, van de Ow.


Artikel 16.98, eerste lid, van de Ow.


Artikel 16.97, eerste lid, onder a, van de Ow.



[naam 2], ‘Commentaar op art. 16.107 Ow’, in [namen] (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024.


Artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.


Artikel 16.33d, eerste lid, van de Ow.


Artikel 3:12, eerste lid, van de Awb.


Artikel 3:11, derde lid, en artikel 3:16, eerste en tweede lid, van de Awb.


Artikel 3:15 van de Awb.


Artikel 3:44, eerste lid, van de Awb.


Gemeenteblad 2025, 403105


Gemeenteblad 2025, 550364



Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 104 en artikel 11.6, onder a, van de Ow.



Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 105 en 106.


HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24.


HR 22 maart 1989, NJ 1990/251 (Vierboom/Winschoten) en HR 27 oktober 2006, NJ 2008/3
(Nieuwe Werklust Kleiwarenfabriek/Staat).



Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 109 en 110.


De adviseurs van belanghebbenden hebben pas recent - in augustus 2026 – gezamenlijk met de adviseur van de raad om tafel gezeten.


Besluit van 21 mei 2021, nr. 2021000955, Staatscourant 2021, 34564, overweging 4.1.


ECLI:NL:2026:3948


Afdeling 15.3 van de Ow


Artikel 11.18 van de Ow en Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 111.


Artikel 16.110 van de Ow.


Artikel 16.110 van de Ow en Kamerstukken II 2018/2019, 35133, 3, p. 280.


Kamerstukken II 2018/2019, 35133, 3, p. 280 en 281 en [naam 2], ‘Commentaar op art. 16.111 Ow’, in [namen] (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024.


Kamerstukken II 2018/2019, 35133, 3, p. 281 en [naam 2], ‘Commentaar op art. 16.112 Ow’, in [namen] (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2024.
Link naar deze uitspraak