Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:6102 
 
Datum uitspraak:22-09-2026
Datum gepubliceerd:12-10-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.342.796/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Overhangende takken (artikel 5:44 BW). Onrechtmatige daad door zonder voorafgaande aanmaning overhangende takken te laten snoeien. Omvang van de schade. Eindarrest.
Trefwoorden:paarden
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.342.796/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 296915


arrest van 22 september 2026


in de zaak van




1 [appellant1]
die woont in [woonplaats1]

2. [appellant2]

die woont in [woonplaats2]
hierna samen: [appellanten]
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor

tegen



[geïntimeerde]


die woont in [woonplaats3]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. B.M.B. Gruppen





1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
Het hof heeft op 25 november 2025 tussen partijen een tussenarrest gewezen waarin onder meer een mondelinge behandeling ter plaatse is bepaald. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de akte na tussenarrest van [appellanten] (met producties 7 t/m 9);


de antwoordakte na tussenarrest van [geïntimeerde] (met productie 19);


de akte overlegging producties tevens akte aanvulling eis, van [appellanten] (met producties 10 t/m 14);


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter plaatse van 21 augustus 2026.





1.2.
Vervolgens heeft het hof een datum voor de uitspraak bepaald.





2De verdere beoordeling


De stand van zaken



2.1.
In het arrest van 25 november 2025 heeft het hof vastgesteld dat [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld heeft door zonder voorafgaande aanmaning als bedoeld in artikel 5:44 lid 1 BW op 30 januari 2021 zes bomen van [appellanten] te laten snoeien. Verder is vastgesteld dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor eventuele schade die [appellanten] als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijden of geleden hebben (zie rov. 4.10 tussenarrest). Dat betekent dat de door [appellanten] gevorderde verklaring voor recht in zoverre in elk geval toewijsbaar is.



2.2.
In het tussenarrest is nog niet beslist over de overige vorderingen tegen [geïntimeerde] . Het gaat dan in de eerste plaats om de vordering tot verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld heeft en aansprakelijk is vanwege ‘ondeskundige snoei’ en het ‘ontoelaatbaar veel van de bomen wegnemen’. Ook is nog niet beslist over de vorderingen tot schadevergoeding. Het hof zal in dit arrest over die vorderingen beslissen.


De gevorderde verklaring voor recht




2.3.

[appellanten] vorderen een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld heeft en aansprakelijk is vanwege ‘ondeskundige snoei’ en het ‘ontoelaatbaar veel van de bomen wegnemen’. Het hof zal dit onderdeel van de vordering toewijzen. Naar het oordeel van het hof is namelijk voldoende komen vast te staan dat de snoei die op 30 januari 2021 plaatsvond, ondeskundig is uitgevoerd en ook aanzienlijk verder ging dan de snoei die destijds van [appellanten] gevergd had kunnen worden. Het hof zal dit hieronder toelichten.



2.4.
Het hof stelt voorop dat de zes bomen van [appellanten] waar het in deze procedure om gaat, pal naast de erfgrens staan. De takken van de bomen hingen ver over boven het perceel van [geïntimeerde] . Het hof gaat er dan ook van uit dat als [geïntimeerde] destijds van [appellanten] verlangd had dat de overhangende takken gesnoeid werden, [appellanten] die takken in elk geval in enige mate hadden moeten inkorten, althans zijtakken van die overhangende takken hadden moeten wegnemen (vgl. artikel 5:44 lid 1 BW).



2.5.
Terecht wijzen [appellanten] erop dat de verplichting om de overhangende takken te snoeien, hier niet kon inhouden dat die takken volledig verwijderd moesten worden. [appellanten] hebben toegelicht dat de takken waar het om gaat ‘gesteltakken’ zijn, dat die takken zeer oud waren (ca. 150 jaar bij de eiken; decennia bij de beuk), dat uit de positie van de bomen blijkt dat die takken (in elk geval wat betreft de eiken) altijd boven het weiland hebben gehangen, en dat volledige verwijdering van die takken de vitaliteit van de bomen fors aantast. Volgens [appellanten] had destijds alleen gevergd kunnen worden zijtakken weg te nemen of in te korten; daarvan hadden de bomen op relatief korte termijn goed kunnen herstellen. [appellanten] hebben dit alles nader onderbouwd, onder meer door overlegging van rapporten van ing. J.B. Sijtsma (hierna: Sijtsma).



2.6.
Sijtsma gaat in zijn rapport van 18 december 2025 – naar aanleiding van vragen die het hof in het tussenarrest aan partijen had voorgelegd – uitvoerig in op de vraag welke mate van snoei begin 2021 van [appellanten] gevergd had kunnen worden. Sijtsma schrijft onder meer (rapport van 18 december 2025; productie 7 in hoger beroep):

“Hypothetisch scenario
Om een verschil en schade vast te kunnen stellen tussen de uitgevoerde snoei en een snoei door [appellanten] na een voorafgaande aanmaning, wordt een naar redelijkheid te verlangen snoeibeeld omschreven. Dit snoeibeeld is gebaseerd op boomtechnisch verantwoorde snoei, gangbaar in de boomverzorging, rekening houdend met de boomsoort en leeftijd.
Boven wegen is de wettelijke vrije doorrijhoogte 4,5 m. Dit betekent dat bomen langs wegen in de jonge fase opgesnoeid worden. Er wordt gestreefd naar een takvrije stam van 4, 6 of 8 meter, afhankelijk van de soort. Tijdens deze snoei worden de takken tot op de stam weggesnoeid, alle takken tot aan de gewenste opkroonhoogte bevinden zich in de tijdelijke kroon. De takken boven de gewenste opkroonhoogte vormen de blijvende kroon. Na deze begeleidingssnoei (doorgaans tot een leeftijd van 30 tot 40 jaar bij eik en beuk) bereiken de bomen hun eindbeeld. De begeleidingssnoeifase gaat over in de onderhoudsfase. In deze fase blijven de onderste takken behouden, dit worden de gesteltakken genoemd. In de onderhoudsfase beperkt de snoei zich tot het verwijderen van dode takken, afhangende lage zijtakken en overige probleemtakken. De gesteltakken worden steeds dikker en groter en blijven ongemoeid.
In onderhavige situatie wordt duidelijk dat de gesteltakken niet laag waren aangehecht. Alle wonden bevinden zich hoger dan 4 meter tot zelfs ca. 10 meter boven de grond. Vastgesteld kan worden dat de bomen in het verleden tot minimaal 4 meter hoogte waren opgekroond. Ook is (met jaarringen) vastgesteld dat de afgezaagde takken van de eiken ca. 150 jaar oud waren. Met andere woorden, de takken hebben 1,5 eeuw aan de bomen mogen zitten en dikker mogen groeien. Er was schijnbaar geen noodzaak om de takken weg te zagen; de bomen waren voldoende hoog opgekroond.
Uit bovenstaande is op te maken dat een snoei door [appellanten] niet geresulteerd zou hebben in het afzetten van de hele gesteltakken. Een redelijke snoei zou hebben geleid tot het wegnemen van laaghangende en naar beneden groeiende zijtakken van de gesteltakken en het wegnemen van dode takken. De snoei zou naar verwachting hebben geleid tot een kroonreductie van maximaal 20% en snoeiwonden tot maximaal 10 cm doorsnede. Een dergelijke reguliere onderhoudssnoei leidt niet tot een terugval in conditie en snoeiwonden zijn binnen 5 jaar overgroeid.


Conclusies

Bij een redelijke snoei (hypothetisch scenario) is er geen blijvende schade te verwachten. De snoeiwonden herstellen binnen enkele jaren, er treedt geen afname in conditie op en de levensverwachting wordt niet aangetast.
Door de uitgevoerde snoei is bij drie bomen (eiken 1, 2 en 4) de conditie verminderd (redelijk). Bij eiken 3 en 6 is de conditie sterk verminderd (matig). Beuk nr. 5 is geheel afgestorven door de snoei.
Door de uitgevoerde snoei zijn gesteltakken van ca. 150 oud van de eiken gezaagd. Hierdoor zijn zeer grote snoeiwonden aan de stammen ontstaan en is ca. l/3de deel tot ca. de helft van kroonvolume verloren gegaan. Deze mate van snoei is, zeker voor oude bomen, moeilijk tot zeer moeilijk te herstellen. Daarbij speelt ook mee dat snoeiwonden tot in de stam zijn ingescheurd door ondeskundige snoei.
(…)”



2.7.
Het hof stelt vast dat de stellingen van [appellanten] over de omvang van de snoei en het ingrijpende karakter ervan, door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd weersproken zijn. [geïntimeerde] meent echter dat die snoei destijds van [appellanten] gevergd had kon worden. Volgens [geïntimeerde] was namelijk sprake van hinder vanwege afvallende takken, bladeren en eikels; dit leverde volgens [geïntimeerde] een gezondheidsrisico op voor de paarden die destijds in het weiland stonden. Ook was volgens [geïntimeerde] sprake van onder meer laaghangende takken die de afrastering en het schrikdraad raakten en beschadigden. Het hof is echter van oordeel dat de belangen van [appellanten] bij het voorkomen van blijvende schade aan de bomen, zwaarder moesten wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij snoei van de overhangende takken en bij het voorkomen van die hinder. Daarbij is van belang dat [geïntimeerde] die ondervonden hinder had kunnen beperken door de afrastering van zijn paardenweide op enige afstand van de bomenrij te plaatsen. Dat laatste is ook de oplossing die [geïntimeerde] voor andere zijde van zijn weiland – de zijde die grenst aan de bomenrij met bomen van [geïntimeerde] zélf – gekozen heeft. In die situatie had verder volstaan kunnen worden met het inkorten en opsnoeien van de gesteltakken van de bomen van [appellanten] Een maatregel als het verplaatsen van de afrastering had in de gegeven omstandigheden in redelijkheid ook van [geïntimeerde] verlangd kunnen worden. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat destijds, in januari 2021, niet van [appellanten] gevergd had kunnen worden de gesteltakken volledig te verwijderen. [appellanten] hebben voldoende aangetoond dat juist het volledig verwijderen van de gesteltakken, de schade aan de bomen veroorzaakt heeft. Een en ander geldt ook voor de beuk. Deze boom was blijkens de overgelegde rapporten in 2021 circa 75 jaar oud. Zijn gesteltakken moeten, voor zover die overhingen boven het weiland, daar ook al geruime tijd aanwezig zijn geweest. Een eventuele vordering van [geïntimeerde] tot volledige verwijdering van de gesteltakken was dus afgestuit op misbruik van recht (artikel 3:13 BW).



2.8.

[appellanten] hebben verder voldoende aangetoond dat de snoei die op 30 januari 2021 plaatsvond, ondeskundig is uitgevoerd en dat [appellanten] door de ondeskundige snoeiwijze ook schade hebben geleden. [appellanten] wijzen er in dat verband onder meer op dat er bij de snoei een of meer gesteltakken zijn uitgescheurd en dat dit de vitaliteit van de boom schaadt en het herstel bemoeilijkt. Uitscheuren van takken wordt bij een deskundig uitgevoerde snoei voorkomen, aldus [appellanten] Zij hebben dit ook nader onderbouwd met onder meer de overgelegde rapporten van Sijtsma. Het hof stelt vast dat een en ander door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd weersproken is.



2.9.
Het hof zal daarom, zoals gevorderd, voor recht verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] (i) door met voorbijgaan aan het aanmaningsvereiste van artikel 5:44 BW de bomen te doen snoeien, en (ii) door schade aan de bomen toe te brengen door ondeskundige snoei en door ontoelaatbaar veel van de bomen weg te nemen. Verder zal voor recht worden verklaard dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellanten] als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijden en geleden hebben.


De schadevorderingen



De beuk




2.10.

[appellanten] vorderen vergoeding van de schade die zij lijden door snoei van de beuk (in de rapporten van Sijtsma aangeduid als boom nr. 5). Vast staat dat de beuk bij de snoei van 30 januari 2021 rondom is gesnoeid en dat de beuk daarbij geheel of vrijwel geheel ‘op stam is gezet’. Volgens [appellanten] is de beuk als gevolg van de snoei afgestorven. Daarbij wijzen zij erop dat Sijtsma de beuk kort na de snoei van 30 januari 2021 – namelijk op 22 februari 2021 – geïnspecteerd heeft en dat de beuk toen nog leefde (of leek te leven). Volgens Sijtsma had de beuk vóór de snoei nog een levensverwachting van 45 jaar. Bij zijn inspectie van 30 augustus 2021 heeft Sijtsma echter geconstateerd dat de beuk dood was. Sijtsma komt tot de conclusie dat het afsterven van de beuk een direct gevolg is van de rigoureuze snoei (zie ook de rapporten van Sijtsma van 19 maart 2021 en 3 september 2021; overgelegd als producties 2 en 6 bij de inleidende dagvaarding). Volgens [appellanten] dient de schade wegens snoei van de beuk vastgesteld te worden op € 16.889, althans op € 7.079.



2.11.

[geïntimeerde] heeft de schade en de omvang van de schade betwist. Volgens [geïntimeerde] verkeerde de beuk ten tijde van de snoei al in zeer slechte staat. Bovendien zou de beuk al een parasiet hebben gehad, de dikrandtonderzwam. Vanwege de aanwezigheid van die zwam was de beuk vóór de snoei al ten dode opgeschreven, aldus [geïntimeerde] .



2.12.
Het hof is van oordeel dat [appellanten] voldoende hebben aangetoond dat de beuk als gevolg van de snoei van 30 januari 2021 is afgestorven. Sijtsma heeft na zijn inspectie van 22 februari 2021 gemeld en toegelicht dat de conditie van de beuk ‘goed/normaal’ was en dat de boom voorafgaand aan de snoei van 30 januari 2021 nog een levensverwachting had van 45 jaar (zie rapport Sijtsma van 19 maart 2021, p. 6; productie 2 bij dagvaarding). Gezien het gemotiveerde en onderbouwde betoog van [appellanten] op dat punt, heeft [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht dat de beuk ten tijde van de snoei al in slechte staat verkeerde. Dat de beuk tussen (onder meer) forse eiken stond en zo belemmerd werd in onder meer groei, betekent – anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent – ook niet dat de boom in slechte staat verkeerde. Een beuk wordt, zoals [appellanten] ook opmerken, juist ook wel aangeplant samen met (of bij) eiken. Een beuk is een schaduwminnende soort, waarbij deze beuk, gezien leeftijd en stamdikte, door Sijtsma als normaal gegroeid is aangeduid. Dat de beuk in zo’n geval overschaduwd wordt door de eiken, betekent dus niet dat de beuk niet in goede staat verkeert of dat de beuk haar waarde verloren heeft.



2.13.

[geïntimeerde] wijst erop dat Sijtsma bij zijn inspectie van december 2025 geconstateerd heeft dat de dode beuk een parasiet in de vorm van dikrandtonderzwam bevat (zie rapport Sijtsma van 18 december 2025; productie 7 van [appellanten] in hoger beroep). Volgens [geïntimeerde] was die parasiet kennelijk ten tijde van de snoei van 30 januari 2021 al aanwezig. Hij verwijst in dat verband naar het rapport van de door hem ingeschakelde deskundige H.J. Brouwer (hierna: Brouwer). Brouwer vermeldt dat vruchtlichamen van een dikrandtondelzwam pas verschijnen 5 tot 10 jaar na een eerste aantasting (zie rapport Brouwer van 30 januari 2026; productie 19 van [geïntimeerde] ). Naar het oordeel van het hof is er echter onvoldoende grond om te veronderstellen dat de zwam vóór de snoei al aanwezig was en dat de boom om die reden feitelijk al verloren was. Dat de genoemde zwam pas na 5 tot 10 jaar verschijnt, is door [appellanten] weersproken. [appellanten] wijzen daarbij op het door hen overgelegde rapport van partijdeskundige (mycoloog) dr. P.J. Keizer (hierna: Keizer). Volgens Keizer is er alle reden om aan te nemen dat de beuk als gevolg van de snoei van 30 januari 2021 is afgestorven en dat de beuk daarná door schimmels (zoals de genoemde zwam) begroeid is geraakt (zie rapport van Keizer van 14 juli 2026; productie 11 van [appellanten] in hoger beroep). Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] de genoemde minimumperiode van 5 jaar niet nader heeft toegelicht of onderbouwd. Ook in het door Brouwer bij zijn rapport als bijlage gevoegde ‘artikel uit Nature’, leest het hof niet dat de zwam pas na 5 tot 10 jaar verschijnt. Gelet op dat alles hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat de beuk voorafgaand aan de snoei van 30 januari 2021 in elk geval in redelijk goede staat verkeerde en dat de beuk als gevolg van het ‘op stam zetten’ gestorven is.



2.14.
Volgens [appellanten] bedroeg de waarde van de beuk per januari 2021 € 7.079. Dit laatste is door [geïntimeerde] verder niet voldoende gemotiveerd weersproken. De door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige Brouwer gaat in zijn rapport van 16 mei 2023 ook – met enkele voorbehouden – uit van een schadebedrag van € 7.079 (zie rapport van Brouwer van 16 mei 2023; productie 5 van [geïntimeerde] ). Voor toewijzing van € 16.889 – het bedrag dat volgens [appellanten] gemoeid is met plaatsing van een vervangende beuk – ziet het hof geen grond. [geïntimeerde] wijst er terecht op dat vervanging van de beuk vanwege de plaats tussen andere bomen, redelijkerwijs niet aan de orde kan zijn. Het hof is van oordeel dat [appellanten] in redelijkheid ook geen aanspraak kunnen maken op plaatsing van een vervangende beuk of op vergoeding van de kosten daarvan. Het gaat om een volgroeide beuk van ca. 75 jaar oud en met een geschatte verdere levensduur van 45 jaar. De beuk stond relatief dicht bij de erfgrens, tussen andere bomen; die andere bomen zullen, naar verondersteld mag worden, de ontstane ruimte benutten en vullen. De kosten van vervanging van de beuk corresponderen onder die omstandigheden niet met schade die [appellanten] als gevolg van de snoei van de beuk geleden hebben.



2.15.
Wat betreft de beuk zal het hof [geïntimeerde] daarom veroordelen tot betaling van een schadebedrag van € 7.079. De gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (21 maart 2023) zal ook worden toegewezen. Voor zover [appellanten] bedoeld hebben verdere schadevergoeding te vorderen ter zake van deze beuk, is deze vordering onvoldoende toegelicht en onderbouwd, en zal deze worden afgewezen.


De vijf zomereiken




2.16.

[appellanten] hebben ook voldoende aangetoond dat zij schade lijden door de onrechtmatige snoei van de vijf zomereiken (de bomen die in de rapporten van Sijtsma zijn aangeduid met nrs. 1 t/m 4 en 6). [appellanten] hebben € 719,95 aan kosten gemaakt voor verzorging van uitscheurwonden. Verder heeft in december 2025 een extra inspectie plaatsgevonden. De kosten van die inspectie bedragen, zo volgt uit de overgelegde factuur van 9 januari 2026, € 510 exclusief btw (€ 617,10 inclusief btw). Dit betekent dat er voor de vijf eiken in elk geval recht bestaat op vergoeding van € 1.337,05 (€ 719,95 + € 617,10), dit te vermeerderen met wettelijke rente. De rente zal, zoals gevorderd, worden toegewezen over € 719,95 vanaf de datum van dagvaarding (21 maart 2023) en over € 617,10 vanaf 21 augustus 2026.



2.17.

[appellanten] vorderen ook betaling van € 23.591 als vergoeding voor toekomstige extra onderhouds- en beheerkosten. Ter onderbouwing van dit bedrag verwijzen [appellanten] onder meer naar de rapporten van Sijtsma en de daarin opgenomen schadebegroting. [geïntimeerde] betwist de schade. [geïntimeerde] wijst erop dat de schadebegroting van Sijtsma gebaseerd is op het ‘Rekenmodel Herstelkosten’ uit 2022, een richtlijn van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). Volgens [geïntimeerde] is die wijze van schadebegroting omstreden en is de toepassing van die methode hier in elk geval onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar. Daarbij verwijst [geïntimeerde] naar het door hem overgelegde rapport van Brouwer (rapport Brouwer van 30 januari 2026; overgelegd als productie 19). Brouwer vermeldt onder meer dat er vooralsnog onvoldoende grond is om aan te nemen dat er voor de eiken nog extra kosten gemaakt moeten worden. Als in dit opzicht al sprake zou zijn van schade, dan dient deze schade volgens Brouwer begroot te worden op niet meer dan € 3.567,84.



2.18.
Het hof acht de door partijen en hun deskundigen verstrekte gegevens onvoldoende om te komen tot begroting van (eventuele) extra onderhouds- en beheerkosten. Ook voor een schatting van die kosten – en daarmee van de schade – zijn die gegevens onvoldoende. Het door [appellanten] gevorderde schadebedrag van € 23.591 is gebaseerd op toepassing van een rekenmodel van de NVTB. [geïntimeerde] wijst er terecht op dit een abstracte methode voor berekening van schade is en dat het rekenmodel niet openbaar is. Het hof stelt vast dat als het al zo is dat [appellanten] – zoals zij menen – de nodige gegevens met de kort voor de zitting van 21 augustus 2026 toegezonden productie 10 (bijlage 1), alsnog in het geding hebben gebracht, dit in elk geval dusdanig laat is dat [geïntimeerde] niet afdoende gelegenheid heeft gehad om de schadebegroting te controleren en daarop in deze procedure te reageren. Dit betekent dat reeds om die reden niet van de juistheid van die begroting kan worden uitgegaan. Een abstracte – in wezen een modelmatige wijze van – schadeberekening/begroting acht het hof tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017 ook niet aangewezen omdat zo concreet als mogelijk moeten worden beoordeeld welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. Dat gaat om feitelijk gemaakte kosten waarvan op dit moment onvoldoende zeker is dat, wanneer én tot welke omvang die gemaakt zullen worden.



2.19.
Het hof ziet ook geen basis om uit te gaan van de door Brouwer genoemde methode van schadeberekening. Brouwer gaat uit van de ‘Leidraad bij Boomschade’ van H. de Bakker. Bij die methode wordt de omvang van de schade bepaald aan de hand van – kort gezegd – de waarde van de boom en het percentage van de boomkroon dat verwijderd is. Die – overigens ook abstracte – methode volstaat hier niet. [appellanten] vorderen namelijk vergoeding van extra onderhouds- en beheerkosten die zij voor de vijf eiken moeten maken. Het hof is van oordeel dat [appellanten] in beginsel ook recht hebben op hebben op vergoeding van dergelijke extra kosten. Niet valt in te zien dat een berekening op basis van de waarde van de boom en het percentage van de boomkroon dat verwijderd is, leidt tot een reële begroting of inschatting van die extra kosten.



2.20.
Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering tot vergoeding van onderhouds- en herstelkosten toewijzen tot het bedrag van de tot dusver gemaakte extra kosten van € 1.337,05, te vermeerderen met wettelijke rente. Wat betreft de vordering tot betaling van € 23.591 (met rente) voor nog te maken extra onderhouds- en beheerkosten, zal het hof [geïntimeerde] veroordelen tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat. De mogelijkheid van zulke schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , is namelijk wel voldoende aannemelijk geworden.


Verdere schade (verminderde belevingswaarde; risico vervroegde uitval)




2.21.

[appellanten] vorderen ook vergoeding van: (a) schade in de vorm van ‘verminderde belevingswaarde’ en (b) schade vanwege het (eventuele) alsnog verloren gaan van de vijf eiken. Volgens [appellanten] valt die tweede post naar zijn aard nog niet begroten, en dit zou deels ook gelden voor de eerste post (namelijk voor de situatie dat de bomen alsnog verloren zouden gaan). Zij vorderen daarom veroordeling tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat.



2.22.
De vordering tot vergoeding van schade vanwege de ‘verminderde belevingswaarde’ ziet, naar het hof begrijpt, op de aantasting van de ‘esthetiek’ van de bomen. Volgens [appellanten] is door de snoei het uiterlijk van de bomen aangetast. Het hof stelt vast dat [appellanten] echter onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke schade het betreft en wat de omvang zou zijn van de schade (in elk geval voor het deel dat de schade volgens [appellanten] al is ingetreden). Ook is onvoldoende duidelijk wat de juridische grondslag is van de schadevordering. Op de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026 hebben [appellanten] het standpunt ingenomen dat het gaat om vermogensschade (vgl. artikelen 6:95, 6:96 BW). Wat de vermogensschade zou inhouden, is echter onvoldoende duidelijk geworden.



2.23.
Het hof merkt daarbij op dat duidelijk is dat de zes bomen door de snoei van 30 januari 2021 beschadigd zijn. [geïntimeerde] wijst er echter terecht op dat de bomen deel zijn van een bomenrij en dat de zes bomen dicht op andere, vergelijkbare bomen staan. Verder heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat bij diverse andere bomen in de bomenrij sprake is van vergelijkbare ontsieringen, door afgebroken takken en eerdere snoeihandelingen waarbij forse takken tot dicht bij de stam zijn weggenomen. Het hof stelt – met [geïntimeerde] – vast dat niet blijkt dat het aanzicht van de bomenrij als geheel, als gevolg van de snoei van 30 januari 2021 is aangetast. Dat bij een eventueel voortijdig afsterven van een of meer van de eiken alsnog een relevante ontsiering optreedt, valt ook niet in te zien, in elk geval niet zonder nadere toelichting, welke ontbreekt. [geïntimeerde] heeft terecht opgemerkt dat de vijf eiken dicht op de andere bomen staan en dat bomen elkaar beïnvloeden in de groei en bladvorming. De ruimte die zou ontstaan na het vroegtijdig afsterven van een eik, zal kennelijk dan ook benut en gevuld worden door de naastgelegen bomen. Verder neemt het hof in aanmerking dat [appellanten] hebben verklaard dat bomen die afgestorven zijn, in het kader van ecologisch beheer niet (of niet in alle gevallen) verwijderd worden. Als [appellanten] ervoor kiezen om de boomresten na het afsterven van de boom te laten staan, dan is de eventuele ontsiering die dat oplevert in dit verband te beschouwen als een gevolg van de eigen keuze van [appellanten] Zo’n ontsiering is dan geen ‘schade’ die ontstaan is door de snoei van 30 januari 2021. Het hof dan ook tot de slotsom dat de vordering tot vergoeding van schade ‘in de vorm van verminderde belevingswaarde’ als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen.



2.24.
De vordering tot vergoeding van schade wegens eventueel vervroegd afsterven van de vijf eiken zal worden toegewezen. De extra kosten die [appellanten] eventueel moeten maken vanwege het voortijdig afsterven van de bomen dienen vergoed moeten worden. Dat geldt ook voor eventuele andere extra schade als gevolg van voortijdig afsterven van de vijf eiken. De mogelijkheid van deze schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] is voldoende aannemelijk geworden. Het hof zal [geïntimeerde] daarom, zoals gevorderd, veroordelen tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat. Het hof merkt hierbij nog op dat in die procedure [appellanten] aannemelijk hebben te maken dat daadwerkelijk sprake is geweest van vervroegd afsterven die in een voldoende oorzakelijk verband staat met de onrechtmatige snoeihandelingen van 21 januari 2021 en dat zij door het afsterven meer kosten hebben moeten maken dan het geval zou zijn geweest indien de bomen niet vroegtijdig zouden zijn afgestorven en zij het onderhoud voor deze bomen nog zouden hebben gehad.


De conclusie




2.25.
De conclusie is dat de grieven van [appellanten] slagen en dat de vordering van [appellanten] tegen [geïntimeerde] alsnog gedeeltelijk wordt toegewezen. Het hof zal voor recht verklaren dat – kort gezegd – [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld heeft en dat hij aansprakelijk is voor de schade die daardoor ontstaan is. Verder zal het hof [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van € 7.079 aan schadevergoeding voor de beuk, dit te vermeerderen met rente. De vordering tot vergoeding van reeds gemaakte extra onderhouds- en beheerkosten wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.337,05, ook te vermeerderen met rente. De vordering tot betaling van € 23.591 (met rente) wegens verdere extra kosten voor de vijf eiken, wordt in zoverre toegewezen dat het hof [geïntimeerde] zal veroordelen tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Ook voor eventuele schade als gevolg van vervroegd afsterven van de vijf eiken zal verwezen worden naar de schadestaatprocedure.



2.26.
Het hof zal [geïntimeerde] verder, zoals gevorderd, veroordelen tot betaling van de kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Het gaat daarbij om redelijke kosten die niet beschouwd kunnen worden als onderdeel van de proceskosten. Naar het oordeel van het hof zijn dit de kosten voor het rapport van Sijtsma van 19 maart 2021 (inventarisatie kort na de snoei) en voor het rapport van Sijtsma van 3 september 2021 (met onder meer schadetaxatie beuk). De te vergoeden kosten voor deze rapporten bedragen € 816,75 en € 453,75 (totaal € 1.270,50), met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding (21 maart 2023). Voor de overige werkzaamheden van de partijdeskundigen van [appellanten] geldt dat dit naar het oordeel van het hof verrichtingen zijn waarvoor de in de artikel 237 e.v. Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Dit geldt dus ook voor zover [appellanten] daarvan bij akte van 21 augustus 2026 nog afzonderlijk vergoeding hebben gevorderd. De kosten van verdere taxaties komen dus niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Daarbij tekent het hof aan dat die taxaties (mede) gebaseerd zijn op methodes die, in elk geval tot dusver, in deze zaak niet voldoende toegankelijk en controleerbaar zijn geweest.



2.27.
Omdat [geïntimeerde] de partij is die in belangrijke mate in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van de proceskosten. Het gaat daarbij zowel om de kosten van de procedure in eerste aanleg als om de kosten van het hoger beroep. Ook de kosten van het voorlopig getuigenverhoor moeten vergoed worden. De kosten worden begroot zoals hierna wordt vermeld. De verplichting tot vergoeding van de proceskosten omvat ook de verplichting tot betaling van nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak.



2.28.
Het hof zal, zoals [appellanten] vorderen, bepalen dat de proceskosten die [appellanten] na het vonnis van de rechtbank aan [geïntimeerde] en [naam1] voldaan heeft, terugbetaald moeten worden (met rente). [geïntimeerde] is voor dat bedrag in elk geval aansprakelijk. Het hof zal [geïntimeerde] daarom veroordelen tot terugbetaling van € 4.952, te vermeerderen, zoals onweersproken gesteld, met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2024.



2.29.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).





3De beslissing

Het hof:


3.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 januari 2024, voor zover gewezen in het geding tussen [appellanten] en [geïntimeerde] , en beslist:



3.2.
verklaart voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] :


i) door met voorbijgaan aan het door art. 5:44 BW gestelde aanmaningsvereiste ertoe over te gaan de bomen van [appellanten] te (doen) snoeien; en


ii) door schade aan de bomen van [appellanten] toe te brengen door ondeskundige snoei en door ontoelaatbaar veel van de bomen weg te nemen;


en dat [geïntimeerde] jegens [appellanten] aansprakelijk is voor de ten gevolge van dat onrechtmatig handelen door hen geleden en te lijden schade;



3.3.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 7.079 (schade beuk), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2023 tot aan de dag van betaling;



3.4.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 1.337,05 (kosten behandeling en extra inspectie), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 719,95 vanaf 21 maart 2023 en over € 617,10 vanaf 21 augustus 2026, telkens tot aan de dag van betaling;



3.5.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 1.270,50 (kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2023 tot aan de dag van betaling;



3.6.
veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van verdere schade die [appellanten] lijden door de onrechtmatige daad genoemd onder 3.2., voor zover dit betreft:


i) verdere extra onderhouds- en herstelkosten voor de vijf zomereiken; en


ii) schade vanwege het eventueel alsnog vervroegd afsterven van de vijf zomereiken;


welke schade dient te worden opgemaakt bij staat;



3.7.
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellanten] van het op basis van het vonnis van 3 januari 2024 door hen voldane bedrag van € 4.952, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2024 tot aan de dag van terugbetaling;



3.8.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] tot aan de uitspraak van de rechtbank:


€ 1.301,00 aan griffierecht;


€ 130,75 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding;


€ 1.196,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II ad € 598);



en tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep:


€ 798 en € 349 aan griffierecht;


€ 137,47 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding;


€ 3.870 aan salaris advocaat (maximum van 3 punten x tarief II ad € 1.290; kosten voorlopig getuigenverhoor inbegrepen));


€ 205 aan overige kosten (getuigentaxe van € 170 en € 35);



en bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;



3.9.
verklaart de bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



3.10.
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, H. de Hek en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.








ECLI:NL:GHARL:2025:7497.


De dikrandtonderzwam (Ganoderma adspersum) is een necrotrofe parasiet die loofbomen aantast.


Volgens [appellanten] betreft het overigens geen artikel uit ‘Nature’ maar uit ‘Nature Today’, geen wetenschappelijk tijdschrift maar een blad voor liefhebbers van paddenstoelen.


ECLI:NL:HR:2017:3145.


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Link naar deze uitspraak