Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:4426 
 
Datum uitspraak:08-10-2026
Datum gepubliceerd:12-10-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:26/2860
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Voorlopige voorziening. Last onder dwangsom voor het staken en gestaakt houden van activiteiten in een bedrijfsloods. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op dit moment onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een overtreding. Verlenging begunstigingstermijn met terugwerkende kracht.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
gewassen
omgevingsvergunning
perceel
vee
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2860

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. F.H. Damen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren
(gemachtigden: E. Veenhuizen en M. Tijsma).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de heer [naam] van v.o.f. De Bûterkamp uit [plaats] (verzoeker om handhaving)
(gemachtigde: mr. R.C.M. Kamsma).


Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een last onder dwangsom voor het staken en gestaakt houden van activiteiten in de gerealiseerde bedrijfsloods die in strijd zijn met het omgevingsplan. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.


1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en verlengt de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop

2. Verzoeker heeft een agrarisch grondgebonden bedrijf op het adres [adres] te [plaats]. Daarnaast is hij eigenaar van het bedrijf Silage Safe. Dit bedrijf vervaardigt afdekmateriaal voor ruwvoer voor agrarische bedrijven.


2.1.
Derde-partij heeft een bedrijf op het adres [adres] te [plaats]. Hij heeft op 25 september 2025 een handhavingsverzoek ingediend, waarin onder andere wordt genoemd dat de agrarische loods op het perceel van verzoeker een productieafdeling voor het kuil afdek-systeem van SilageSafe bevat.



2.2.
Op 14 oktober 2025 heeft een controle door een toezichthouder plaatsgevonden op het perceel. Daarbij is – voor zover relevant- geconstateerd dat een klein deel opslag (+/- 12 kisten/korven) aanwezig is ten behoeve van Silage Safe en verder geen activiteiten zijn waargenomen ten behoeve van dit bedrijf.



2.3.
Op 4 december 2025 heeft het college een voornemen tot afwijzing van het handhavingsverzoek aan derde-partij gestuurd.



2.4.
Op 15 december 2025 heeft wederom een controle door een toezichthouder plaatsgevonden, waarbij de bevindingen voor wat betreft de opslag van Silage Safe gelijk waren.



2.5.
Op 24 februari 2026 heeft een nadere controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat diverse spullen voor Silage Safe in de loods waren opgeslagen en ook materiaal voor het vervoer van Silage Safe producten waren opgeslagen.



2.6.
Op 12 maart 2026 heeft een nadere controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Daarbij is wederom opslag van Silage Safe producten geconstateerd. Verder is geconstateerd dat ter plaatse afdekmateriaal werd geproduceerd dat gebruikt wordt voor ruwvoer van vee.



2.7.
Met het besluit van 21 april 2026 heeft het college het handhavingsverzoek toegewezen voor zover dit ziet op het met het omgevingsplan strijdige gebruik van de loods ten behoeve van Silage Safe. Op diezelfde dag heeft het college een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan verzoeker verstuurd. Verzoeker heeft daar met een zienswijze op gereageerd.



2.8.
Op 7 mei 2026 heeft een nadere controle plaatsgevonden. In het controlerapport van 8 mei 2026 worden geen activiteiten van Silage Safe genoemd.



2.9.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van een toezichthouder van 9 juli 2026 volgt dat van de vrijstaande bedrijfsloods van ruim 2400 m2, 200m2 in gebruik is voor Silage Safe. Een zeer beperkt aantal van die vierkante meters was tijdens de controle in gebruik voor opslag. De toezichthouder heeft geconstateerd dat hij de bedrijfsloods geheel heeft bekeken en heeft geconstateerd dat deze gebruikt wordt voor agrarische doeleinden.



2.10.
Uit het controlerapport van 16 juli 2026 blijkt dat tijdens de controle sprake was van opslag van materiaal in de voorste ruimte van de bedrijfsloods, waarvan (onder)delen met de opdruk ‘Silage Safe’. Er zijn geen productiemedewerkers of een productielijn gezien.



2.11.
Met het bestreden besluit van 23 juli 2026 heeft het college een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd. Die last houdt in dat verzoeker uiterlijk op 1 september 2026 alle activiteiten in de gerealiseerde bedrijfsloods op de kadastrale percelen 4717 (BAL00 M 4717) en 4553 (BAL00 M 4553) behorende bij het adres [adres], die in strijd zijn met het geldende omgevingsplan te staken en gestaakt te houden. Indien verzoeker niet aan deze last voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 1.500,- per week of deel van de week dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 15.000,-.



2.12.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.13.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via Teams) met zijn gemachtigde en deskundige A. Krabbenborg, de gemachtigden van het college en de heer [naam] met zijn buurvrouw, mevrouw [naam].




Beoordeling door de voorzieningenrechter


Spoedeisend belang

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen” dat vereist. De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn inmiddels is verstreken en dat verzoeker momenteel van rechtswege dwangsommen verbeurt. Gelet hierop heeft verzoeker een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.


Derde-belanghebbende

4. Verzoeker stelt dat v.o.f. De Bûterkamp ten onrechte als derde-belanghebbende is aangemerkt. Zij heeft geen rechtstreeks betrokken belang bij het besluit van 23 juli 2026.


4.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het college heeft aangegeven dat v.o.f. De Bûterkamp als derde-belanghebbende moet worden aangemerkt. Het handhavingsverzoek is ingediend door [naam] van v.o.f. De Bûterkamp. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan te nemen dat de heer [naam], als directe buur van verzoeker en verzoeker om handhaving, als derde-belanghebbende moet worden aangemerkt.


Is sprake van een overtreding?

5. Verzoeker stelt dat geen sprake is van productiewerkzaamheden ten behoeve van Silage Safe en de opslag van producten voor Silage Safe geen overtreding betreft. Dat op 12 maart 2026 sprake was van productiewerkzaamheden is door de toezichthouder vastgesteld op basis van uitlokking. Een Eritrees, niet Nederlands sprekend persoon op de locatie is uitgedaagd om te demonstreren hoe de aanwezige machine werkt. Dit is niet vastgelegd in het controlerapport. Daarom is ook geen sprake van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden en voldoet het controlerapport niet aan de eisen die daaraan worden gesteld. Bovendien is tijdens de zeven uitgevoerde controles maar éénmaal vastgelegd dat sprake was van productiewerkzaamheden. Dat deze werkzaamheden met regelmaat plaatsvinden, is een aanname van het college. Verder is met die eenmalige vaststelling ook niet bepaald wat de aard, omvang en frequentie van de activiteiten is.


5.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, de regels in de Herziening Bestemmingsplan Buitengebied 2004, geldt ter plaatse de bestemming ‘agrarisch gebied in een besloten landschap’. Volgens de planregels is hier toegestaan “de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering”. Een ‘agrarisch bedrijf’ is volgens de definities in de planregels “een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.”



5.2.
Het is aan het college om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding. In de last onder dwangsom zijn de geconstateerde productiehandelingen van het bedrijf Silage Safe aangemerkt als overtreding van de planregels. Daarvoor verwijst het college enkel naar de constatering in het controlerapport van 12 maart 2026. Met die controle is eenmalig waargenomen dat sprake was van productiewerkzaamheden. Wat de aard, omvang en frequentie van de productiewerkzaamheden was, is tijdens die controle niet vastgelegd. Tijdens de zes andere controles op het perceel in de periode tussen het indienen van het handhavingsverzoek en het opleggen van de last zijn geen productiewerkzaamheden geconstateerd. Ook niet bij de laatste controles van 9 en 15 juli 2026, vlak voor het opleggen van de last onder dwangsom. In het rapport van 9 juli 2026 heeft de toezichthouder zelfs opgemerkt dat naar zijn mening enkel sprake is van activiteiten van een agrarisch bedrijf in de loods omdat de opslag voor Silage Safe dermate beperkt was. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college daarmee onvoldoende onderbouwd dat ten tijde van het opleggen van de last sprake was van productiewerkzaamheden voor het bedrijf Silage Safe in de loods.



5.3.
Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ook de opslag van materialen voor Silage Safe een overtreding betreft. Echter, uit de last onder dwangsom blijkt niet dat dit als overtreding is aangemerkt. In het besluit staat enkel dat de opslag moet worden beëindigd voor zover die enkel verband houdt met de strijdige activiteiten. Onder het kopje ‘wat is in dit geval de overtreding’ worden alleen de productiewerkzaamheden genoemd. Door de brede omschrijving van de last zelf wordt hieruit ook niet duidelijk dat de opslagactiviteiten als overtreding zouden zijn aangemerkt. Bovendien was het college eerder na het enkel constateren van opslagactiviteiten, voornemens het handhavingsverzoek af te wijzen met het voornemen van 4 december 2025.



5.4.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college op dit moment onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een overtreding. Dit is een dusdanig gebrek moet worden betwijfeld of de last onder dwangsom in bezwaar stand kan houden. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, omdat op dit moment niet vaststaat dat sprake is van een overtreding. De mogelijkheid om de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014.

6. Omdat de voorziengingenrechter op grond van het bovenstaande reeds aanleiding ziet om een voorziening te treffen, komt zij niet toe aan bespreking van de overige gronden.

Conclusie en gevolgen


7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de in het besluit van 23 juli 2026 opgenomen begunstigingstermijn met terugwerkende kracht wordt verlengd tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.



7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.


7.1.1.
Verzoeker heeft ook verzocht om vergoeding van deskundigenkosten van mevrouw A. Krabbenborg. Mevrouw Krabbenborg is betrokken bij de aanvraag van een omgevingsvergunning van verzoeker en heeft in dat kader stukken opgesteld. Zij heeft echter geen deskundigenrapportage of andere stukken opgesteld in deze handhavingsprocedure. Ter zitting heeft zij op vragen van de rechtbank aangegeven dat haar rol in deze procedure is om te duiden wat wel of niet een overtreding is. Dat is echter hoofdzakelijk een juridische vraag. Het is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk wat de rol van mevrouw Krabbenborg als deskundige in deze procedure is. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.





Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- treft de voorlopige voorziening dat de in het besluit van 23 juli 2026 opgenomen begunstigingstermijn met terugwerkende kracht wordt verlengd tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.









griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2027.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:244.


ECLI:NL:RVS:2014:3803.
Link naar deze uitspraak