|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:13919 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 25/3971 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 heeft het college het bezwaar van Van Boven met betrekking tot de youngtimers gegrond verklaard en de afwijzing van het handhavingsverzoek voor het overige in stand gelaten. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek gedeeltelijk heeft kunnen afwijzen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bestuursdwang | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/4026 en 25/3971
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaken tussen
Caravanstalling [naam caravanstalling], uit Zuidoostbeemster, eiseres in de zaak HAA 25/4026, hierna Caravanstalling [naam caravanstalling]
(gemachtigde: mr. J.J. de Boer),
[eiser 1] en [eiser 2], uit Zuidoostbeemster, eisers in de zaak HAA 25/3971, hierna (in enkelvoud) [eiser 1 en eiser 2]
(gemachtigde: mr. B. Benard),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend
(gemachtigden: R.G. van der Eijk en I. Reklitis).
[eiser 1 en eiser 2] en Caravanstalling [naam caravanstalling] hebben over en weer als derde-partijen in elkaars zaken deelgenomen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden. [eiser 1 en eiser 2] is het hier niet mee eens. Caravanstalling [naam caravanstalling] is het deels niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren daartoe afzonderlijk een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek gedeeltelijk heeft kunnen afwijzen. [eiser 1 en eiser 2] en Caravanstalling [naam caravanstalling] krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat het toetsingskader. In de zaak HAA 25/4026 volgt eerst een beoordeling van het (proces)belang van [eiser 1 en eiser 2] , die in deze zaak optreedt als derde-partij. De beoordeling van de beroepsgrond door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vraag: is ten aanzien van de youngtimers sprake van een overtreding? In de zaak HAA 25/3971 volgt de beoordeling door de rechtbank vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: heeft het college een onvolledig besluit genomen? En, heeft het college handhavend optreden achterwege kunnen laten? Ook bespreekt de rechtbank de overige beroepsgronden van eisers. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 heeft het college gedeeltelijk besloten om het bezwaar van [eiser 1 en eiser 2] gegrond te verklaren en het besluit tot afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden gedeeltelijk in stand te laten.
2.1.
[eiser 1 en eiser 2] en Caravanstalling [naam caravanstalling] hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. [eiser 1 en eiser 2] en Caravanstalling [naam caravanstalling] hebben ook over en weer als derde-partijen in elkaars zaken schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1 en eiser 2] , de gemachtigde van [eiser 1 en eiser 2] , [naam 1] en [naam 2] ten behoeve van Caravanstalling [naam caravanstalling] , vergezeld door [naam 3] , de gemachtigde van Caravanstalling [naam caravanstalling] en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 13 augustus 2024 heeft [eiser 1 en eiser 2] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de illegale situatie op het perceel [adres 1] in Zuidoostbeemster (het perceel). Daarbij ging het aanvankelijk onder meer om een op het perceel staande foodtruck, maar [eiser 1 en eiser 2] heeft dit verzoek op meerdere punten aangevuld, waaronder de toevoeging van de stalling van youngtimers en de uitbreiding van het handhavingsverzoek naar [adres 2] .
3.1.
Op 20 november 2024 heeft het college kenbaar gemaakt voornemens te zijn het verzoek om handhaving af te wijzen. [eiser 1 en eiser 2] heeft hiertegen een zienswijze ingebracht.
3.2.
Bij besluit van 21 januari 2025 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen, omdat er geen overtredingen zijn vastgesteld en het daarom niet bevoegd is handhavend op te treden. [eiser 1 en eiser 2] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.3.
Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 heeft het college het bezwaar van [eiser 1 en eiser 2] met betrekking tot de youngtimers gegrond verklaard en de afwijzing van het handhavingsverzoek voor het overige in stand gelaten.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft het college ook een beslissing genomen met betrekking tot het weiden van schapen en het stallen van boottrailers zonder boot. [eiser 1 en eiser 2] heeft hiertegen geen beroepsgrond gericht. In het vervolg van deze uitspraak bespreekt de rechtbank de voorgaande twee besliscomponenten daarom niet.
3.5.
Caravanstalling [naam caravanstalling] heeft enkel een beroepsgrond gericht tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de youngtimers. Het overige beoordeelt de rechtbank in de zaak HAA 25/4026 daarom niet. Dat overige deel komt echter wel in HAA 25/3971 aan de orde.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Ow hebben alle gemeenten van rechtswege een omgevingsplan met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het omgevingsplan van de gemeente Purmerend bestond ten tijde van het bestreden besluit nog uit een tijdelijk deel waarin, onder meer, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beemster 2012 - Repartie partiële herziening 2021’ (hierna: het reparatieplan) is opgenomen.
4.1.
[eiser 1 en eiser 2] heeft op 13 augustus 2024 het verzoek om handhaving gedaan. Dit betekent dat de Ow van toepassing is.
HAA 25/4026
(Proces)belang [eiser 1 en eiser 2]
5. Caravanstalling [naam caravanstalling] betoogt dat [eiser 1 en eiser 2] als derde-partij geen enkel belang heeft bij deze procedure en daarmee dus geen procesbelang. Ten eerste is het onmogelijk dat [eiser 1 en eiser 2] enige vorm van overlast ervaart van de stalling van youngtimers. Ten tweede geldt dat indien het verbod op stalling van youngtimers wordt gehandhaafd, deze plaatsen in de stalling zullen worden vervangen door grotere objecten. Dit zou betekenen dat [eiser 1 en eiser 2] uiteindelijk slechter af zou zijn. Tot slot stelt Caravanstalling [naam caravanstalling] dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder uitspraak heeft gedaan en heeft vastgesteld dat ter plaatse voor [eiser 1 en eiser 2] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd. [eiser 1 en eiser 2] heeft dus geen enkel belang bij het verbieden van de stalling van youngtimers in de caravanstalling.
5.1.
De rechtbank volgt Caravanstalling [naam caravanstalling] niet. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem feitelijke betekenis heeft. [eiser 1 en eiser 2] is de verzoeker om handhaving en daarom ook belanghebbende. Met het handhavingsverzoek heeft hij – onder meer – willen bewerkstelligen dat er een eind komt aan de stalling van youngtimers op het perceel van Caravanstalling [naam caravanstalling] . Met het als derde-partij deelnemen aan deze procedure beoogt [eiser 1 en eiser 2] (onder meer) instandhouding van het bestreden besluit voor zover daarbij is geoordeeld dat de stalling van youngtimers niet in overeenstemming is met de vigerende bestemming. In zoverre kan [eiser 1 en eiser 2] daarom een belang bij de uitkomst van deze procedure niet worden ontzegd. Deze beroepsgrond treft geen doel.
Is ten aanzien van de youngtimers sprake van een overtreding?
6. Caravanstalling [naam caravanstalling] betoogt – kort en zakelijk samengevat – dat youngtimers onder de definitie van caravanstelling vallen en de stalling hiervan dus is toegestaan. Zoals de Afdeling heeft uiteengezet, bevat de definitie een niet-limitatieve opsomming waaruit kan worden afgeleid dat naast caravans, ook andere vergelijkbare objecten mogen worden opgeslagen. Hieruit volgt vanzelfsprekend dat dit een breed scala aan objecten kan zijn. Oldtimers worden ook toegestaan. Ook een youngtimer is een voertuig dat voor recreatie of in ieder geval voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt en mogen niet op de openbare weg gestald worden. Verder stelt Caravanstalling [naam caravanstalling] dat het vanuit het perspectief van het algemeen belang volstrekt logisch is dat youngtimers die recreatief gebruikt worden, zijn toegestaan in de caravanstalling. De stalling is een positieve ontwikkeling, omdat de voertuigen op deze manier geen openbare parkeerplaatsen permanent bezetten. Het alternatief zal zorgen voor een grote ergernis bij bewoners die een parkeerplek zoeken in een stad waar de parkeerdruk hoog is. Het is daarnaast ook geen mooi aanzicht. De stalling lost een ruimtelijk probleem op, conform de bedoeling van de Algemene plaatselijke verordening Purmerend 2021 (APV).
Het wettelijk toetsingskader
6.1.
Op grond van artikel 1.4 van het reparatieplan volgt dat onder caravanstalling wordt verstaan: een opslagplaats voor recreatieobjecten die niet langdurig vrij op de openbare weg geplaatst mogen worden; onder recreatieobjecten worden begrepen caravans en andere kampeer- en vervoersmiddelen, zoals campers, boten, vouwwagens en oldtimers.
6.2.
Op grond van artikel 5:6, eerste lid, van de APV volgt dat het verboden is een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper of dergelijk voertuig dat voor recreatie of anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt op de weg te plaatsen of te hebben langer dan (a) drie achtereenvolgende dagen in de periode van 1 november tot 1 maart; (b) acht achtereenvolgende dagen in de periode van 1 maart tot 1 november.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Vast staat dat het reparatieplan geen definitie kent van de begrippen oldtimers of youngtimers. Voor dit onderscheid biedt het reparatieplan dan ook geen houvast. Het college is daarom bij haar besluitvorming aangesloten bij wat de APV bepaalt ten aanzien van het parkeren op de openbare weg. Met in achtneming daarvan heeft het college zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van youngtimers niet wordt voldaan aan de in artikel 1.4 van het reparatieplan vervatte voorwaarde waaronder gebruik kan worden gemaakt van de caravanstalling. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Anders dan Caravanstalling [naam caravanstalling] betoogt mogen youngtimers namelijk wel gewoon langdurig op de openbare weg staan. Het belangrijkste verschil tussen een oldtimer en een youngtimer is de leeftijd van de auto. Naar algemene maatstaven wordt in Nederland een auto als een oldtimer gezien als de auto minimaal 40 jaar oud is, terwijl een youngtimer in beginsel tussen de 15 en 40 jaar oud is. Dit onderscheid heeft gevolgen voor bijvoorbeeld de APK-regelgeving en voor de verzekering. Oldtimers hoeven in veel gevallen niet door de reguliere APK-keuring en zijn vrijgesteld van de wegenbelasting. Het gevolg daarvan is dat er veel minder lang op de openbare weg mag worden geparkeerd. Oldtimers worden in zijn algemeenheid daarom ook uitsluitend recreatief gebruikt. Youngtimers zijn dus veel jonger en eigenaren betalen het normale reguliere belastingtarief. Bijzondere plaatselijke regels daargelaten waarvan in het onderhavige geval geen sprake is, mogen youngtimers onbeperkt op de openbare weg staan geparkeerd. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat youngtimers niet onder de in artikel 1.4 van het reparatieplan bedoelde recreatieobjecten vallen.
6.4.
Het betoog van Caravanstalling [naam caravanstalling] dat stalling van youngtimers in de caravanstalling het algemeen belang dient, maakt het oordeel onder 6.3 niet anders. Caravanstalling [naam caravanstalling] kan in beginsel niet opkomen voor een algemeen belang. Het verlichten van de parkeerdruk in de woonwijken en het aanzicht van de gemeente zijn geen zaken waar Caravanstalling [naam caravanstalling] zich in deze procedure op zou kunnen beroepen.
HAA 25/3971
Heeft het college een onvolledig besluit genomen?
7. [eiser 1 en eiser 2] betoogt dat het bestreden besluit onvolledig is. In het bestreden besluit stelt het college dat tegen de youngtimers handhavend zal worden opgetreden, maar laat vervolgens na om een daadwerkelijk handhavingsbesluit te nemen. Dit is niet toegestaan. De bezwaarfase wordt gezien als verlengde besluitvorming. Het college kan niet volstaan met de aankondiging dat er gehandhaafd zal gaan worden. Die mededeling vormt geen besluit op het handhavingsverzoek. Zonder daadwerkelijke handhaving is er namelijk geen rechtsgevolg.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat er in het kader van de youngtimers nog geen handhavingsbesluit is genomen door het college. De vraag is of dat in het onderhavige geval in strijd moet worden geacht met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge dit artikel herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. Hoofdregel is dat herroeping van het bestreden besluit en het zo nodig nemen van een nieuw besluit gelijktijdig geschiedt. Een gesplitste besluitvorming waarbij dus eerst het primaire besluit wordt herroepen en pas op een later moment een vervangend besluit wordt genomen is in beginsel in strijd hiermee. Niet kan worden volstaan met het slechts in het vooruitzicht stellen van een handhavingsbesluit. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel immers van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dat een bestuursorgaan, indien bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien zich niet voordoen, gehouden is tot handhavend optreden, laat, zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS: BT6683, en 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS: 2019:2335, onverlet dat het bestuursorgaan, ingeval het in dat kader redelijk te achten beleid voert, bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, zich in beginsel aan dit beleid dient te houden. In het bestreden besluit heeft het college na gegrondverklaring van het bezwaar van [eiser 1 en eiser 2] ten aanzien van de youngtimers overwogen dat dat betekent dat hiertegen handhavend zal worden opgetreden volgens de stappen van het gemeentelijke handhavingsbeleid. Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat op dat moment nog geen concrete stappen hierin waren gezet, omdat – zoals ook in het verweerschrift is gesteld – in de regel eerst de uitkomst van een rechterlijke beroepsprocedure nog wordt afgewacht. Nu het op dit onderdeel om een overtreding gaat welke voor [eiser 1 en eiser 2] in het geheel van de bedrijfsactiviteiten niet of nauwelijks overlast voortvloeit (het gaat om een drietal youngtimers welke binnen in de stalling staan en slechts een aantal keren per jaar worden opgehaald) acht de rechtbank dit laatste in dit concrete geval redelijk en aanvaardbaar. Deze beroepsgrond slaagt, gelet op het vorenstaande, daarom niet.
Heeft het college handhavend optreden achterwege kunnen laten?
8. [eiser 1 en eiser 2] betoogt dat het college in strijd heeft gehandeld met het reparatieplan, omdat auto’s op het perceel worden geparkeerd, omlijnde parkeervakken op het perceel of op het perceel van [adres 2] worden gebruikt, en een landbouwwerktuig in de caravanstalling is geplaatst. Dit is allemaal niet toegestaan op grond van het reparatieplan. Ten eerste stelt [eiser 1 en eiser 2] dat het college een onjuiste verwijzing maakt naar artikel 3.4.1. van het reparatieplan. Dit moet artikel 2.4.1. van het reparatieplan zijn. Uit dat artikel volgt onder meer dat het is toegestaan om de gronden buiten de aanduiding ‘caravanstalling’ te gebruiken voor het ophalen en terugbrengen van de caravans en andere kampeer- en vervoersmiddelen. Dit is een uitzondering op het verbod uit dat artikel. De uitzondering hierop volgt dan weer uit bijlage 1 bij dit reparatieplan. Autoparkeerterreinen en parkeergarages zijn namelijk niet toegestaan. Het perceel wordt echter gebruikt als autoparkeerterrein. Vast staat namelijk dat campereigenaren die korter dan 14 dagen weggaan, hun auto op dit perceel parkeren. De planregels laten parkeren eenvoudigweg niet toe. Het tijdelijk parkeren is geen onderdeel van de stalling van de caravans/kampeermiddelen, maar een gevolg daarvan. Ten tweede stelt [eiser 1 en eiser 2] dat dit ook geldt voor de omlijnde parkeervakken. Het parkeren van auto’s is niet toegestaan, ongeacht de reden voor het parkeren. Het reparatieplan maakt hier geen onderscheid in. Tot slot stelt [eiser 1 en eiser 2] dat het landbouwwerktuig geen caravan of ander kampeermiddel is. Het is namelijk eigendom van een agrariër in de buurt. Het stallen daarvan is in strijd met het reparatieplan. Dat het gebruik van het landbouwwerktuig wordt gedeeld en niet voor andere percelen wordt gebruikt doet daar niet aan af. Daar is overigens ook geen bewijs voor aangeleverd. Ook dat het om één werktuig gaat is niet relevant. Het argument over de omvang van het werktuig in verhouding tot de omvang van de caravanstalling is niet sterk. Dat impliceert namelijk dat het college mogelijk wel zou handhaven bij de stalling van een groter aantal landbouwwerktuigen, en dat houdt in dat de beginselplicht tot handhaving door het college aan zijn laars wordt gelapt.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de vraag of sprake is van een overtreding van voorschriften uit het reparatieplan. In het vervolg van deze uitspraak zal de rechtbank langs die meetlat de door [eiser 1 en eiser 2] genoemde onderdelen – de vermeende overtredingen – leggen. Deze zien op het tijdelijk stallen van auto’s, het parkeren in de omlijnde vakken, en het stallen van het landbouwwerktuig. De omvang van het perceel, of de ‘opstapeling’ van alle genoemde onderdelen zoals [eiser 1 en eiser 2] het op zitting heeft genoemd, is reeds aan de orde geweest bij de vaststelling van het reparatieplan. Dit plan is onherroepelijk. De rechtbank laat dit aspect daarom buiten verdere bespreking.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de relevante planregel artikel 3.4.1. van het reparatieplan is. Daaruit volgt dat, voor zover hier relevant, tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming, in ieder geval wordt gerekend: het opslaan of opgeslagen hebben, in enigerlei vorm, van stoffen en materialen voor statische opslag, voor zover deze opslag meer ruimte inneemt dan 1.000 m2, alsmede het aanwezig of opgeslagen hebben van één of meer aan hun gebruik onttrokken, gerede dan wel onklare machines, voer-, vaar- en vliegtuigen dan wel onderdelen daarvan; uitgezonderd zijn caravanstallingen ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling' en het daarbij behorende gebruik van de gronden buiten de aanduiding 'caravanstelling' voor het ophalen en terugbrengen van de caravans en andere kampeer- en vervoersmiddelen.Het door [eiser 1 en eiser 2] genoemde artikel 2.4.1. van het reparatieplan ziet op de bestemming ‘Agrarisch’, terwijl op het perceel de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw’ rust.
8.2.1.
Ten eerste overweegt de rechtbank in het kader van het tijdelijk stallen van de auto’s dat het college de grenzen van redelijke wetsuitleg niet te buiten is gegaan. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat vanwege de rechtszekerheid een planregel letterlijk moet worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels, dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Indien deze plantoelichting geen aanwijzingen bevat hoe een begrip moet worden uitgelegd, dan komt betekenis toe aan de uitleg die het college aan dat begrip heeft gegeven. Het college mag daarbij aansluiten bij het algemeen spraakgebruik, maar is daar niet aan gehouden. In het onderhavige geval gaat het niet om een begrip, maar om een zinsnede van een planregel, namelijk ‘het daarbij behorende gebruik van de gronden buiten de aanduiding 'caravanstelling' voor het ophalen en terugbrengen van de caravans en andere kampeer- en vervoersmiddelen’. Volgens het college valt het tijdelijk stallen van de auto’s, zoals in deze zaak aan de orde is, onder voornoemde zinsnede, omdat het parkeren plaatsvindt door auto’s in het kader van het ophalen en terugbrengen van caravans of andere kampeer- en vervoersmiddelen. Het stallen van de camper in de caravanstalling is de verleende dienst. Het tijdelijk stallen van de auto in of bij de stalling is daar volgens het college onderdeel van. De rechtbank kan deze uitleg volgen althans acht deze uitleg niet onbegrijpelijk. Met betrekking tot het tijdelijk stallen van de auto’s is de rechtbank daarom van oordeel dat artikel 3.4.1. van het reparatieplan niet is overtreden.
8.2.2.
Verder overweegt de rechtbank in het kader van de omlijnde parkeervakken dat deze met de omgevingsvergunning van 20 juli 2012 zijn vergund. Daar mag in principe geparkeerd worden. Voor zover het familie en vrienden betreft is dat ook toegestaan. Niet is gebleken dat op dit punt de omgevingsvergunning van 20 juli 2012 niet wordt nageleefd. Naar het oordeel van de rechtbank is in zoverre ook geen sprake van een overtreding.
8.2.3.
Ten aanzien van de stalling van het landbouwwerktuig heeft het college zich op het standpunt gesteld dat handhavend optreden daartegen onevenredig is. De rechtbank kan de redenering van het college volgen. Het betreft immers één werktuig, dat incidenteel wordt gebruikt en inpandig wordt gestald. Het landbouwwerktuig wordt voor (gedeeld) persoonlijk gebruik ingezet, aldus het college. Op zitting heeft [naam 2] uitgelegd dat het landbouwwerktuig vier keer per jaar wordt gebruikt om het land bij te houden. Daarbij merkt de rechtbank op dat gezien het landbouwwerktuig incidenteel wordt gebruikt het nauwelijks bijdraagt aan de reden waarom het handhavingsverzoek is gedaan. Het is niet aannemelijk dat eisers overlast ervaren van het landbouwwerktuig. De rechtbank is daarom van oordeel dat op dit punt weliswaar sprake is van een overtreding, maar wegens de beperkte omvang van die overtreding het college aannemelijk heeft gemaakt dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot het te dienen doel.
Overige beroepsgronden
9. [eiser 1 en eiser 2] betoogt dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat het naar aanleiding van het fotomateriaal dat door hem is overgelegd nader onderzoek had moeten doen naar de gestelde overtredingen. Dit onderzoek is niet uitgevoerd. De rechtbank laat dit verder buiten bespreking omdat het voor de juridische kwalificaties zoals in deze uitspraak aan de orde is, op zichzelf geen toegevoegde waarde meer heeft.
9.1.
Tenslotte heeft [eiser 1 en eiser 2] gesteld dat het college er alles aan doet om de overtredingen van het bestemmingsplan (de rechtbank leest: reparatieplan) door de vingers te blijven zien, hetgeen voor hem onaanvaardbaar is. De rechtbank vat dit betoog zo op dat [eiser 1 en eiser 2] van mening is dat het college in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. De strekking van dit artikel is dat de overheid de nodige objectiviteit moet betrachten en zich niet door vooringenomenheid moet laten leiden, maar dat betekent niet dat een bestuursorgaan – zoals in het onderhavige geval is gebeurd – niet bepaalde beleidskeuzes zou mogen maken. Dat [eiser 1 en eiser 2] zich met de besluitvorming van het college niet kan verenigen en daarover zeer ontstemd is, betekent daarom niet dat het college vooringenomen heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn ongegrond. [eiser 1 en eiser 2] en Caravanstalling [naam caravanstalling] krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3971 en 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4430.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4430, r.o. 3.1. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|