|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:4504 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26-2096 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Woo-procedure over het aanbieden van levende dieren aan destructiebedrijf. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2096
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 op verzoek om voorlopige voorziening in de zaak
[naam] B.V., verzoekster
(gemachtigde: J. Nieboer),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister
(gemachtigde: mr. P.E. van der Werf).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Animal Rights (Woo-verzoekster)
(gemachtigde: T.J. van Alten).
Inleiding
1.1.
De minister heeft met het primaire besluit van 23 juni 2026 besloten op het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 8 januari 2026 van Woo-verzoekster. Verzoekster vraagt, bij wijze van voorlopige voorziening, om het besluit van 23 juni 2026 te schorsen totdat op haar bezwaar is beslist.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De andere partijen waren met kennisgeving afwezig.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.1.
De documenten waarop het bestreden besluit ziet, gaan over het aanbieden van twee levende kippen door verzoekster bij destructiebedrijf Rendac.
2.2.
Verzoekster stelt dat haar adres en bedrijfsnaam verwijderd moeten worden uit de documenten. Het gaat om een woonadres waar het gezin van verzoekster, althans een bestuurder van verzoekster, woont. Dat wil verzoekster graag privé houden.
2.3.
De voorzieningenrechter begrijpt dit betoog aldus dat verzoekster zich beroept op de bescherming van haar persoonlijke levenssfeer, althans die van haar bestuurder en zijn gezin. Het gaat dan om de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
2.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weegt in dit geval het belang van openbaarmaking zwaarder dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In een uitspraak van 12 juli 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet opweegt tegen het belang van openbaarmaking van de bedrijfsnamen. Openbaarmaking van bedrijfsnamen mag niet afhankelijk zijn van de omstandigheid of een bedrijf ervoor kiest zijn eigen familienaam daarvoor te gebruiken. Het is, zo overweegt de Afdeling, een vrije keuze om de familienaam als bedrijfsnaam te gebruiken.
2.5.
Gelet op deze rechtspraak en het uitgangspunt van openbaarheid, oordeelt de voorzieningenrechter dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding is om openbaarmaking van informatie op grond van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo achterwege te laten. Het bezwaar van verzoekster zal naar verwachting ongegrond worden verklaard.
2.6.
Voorts heeft verzoekster zelf de betreffende documenten zonder verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan de voorzieningenrechter gezonden. Die stukken zijn doorgezonden aan Woo-verzoekster, die dus inmiddels over de volgens verzoekster geheim te houden stukken beschikt.
2.7.
Gezien het voorgaande is er geen reden de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026 door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een kopie van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
ECLI:NL:RVS:2023:2679. Zie voor een gelijkluidend oordeel over nagenoeg gelijkluidende Woo-besluiten de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 2 december 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:6393, en van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3620. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|