Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:4507 
 
Datum uitspraak:08-10-2026
Datum gepubliceerd:19-10-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 23/1036
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundigenonderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen en soorten op het moment van het aanwijzen aanwezig waren. Wel hadden de habitattypenkaarten eerder al, bij het ontwerpbesluit, ter inzage moeten worden gelegd. Dit gebrek wordt gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld.
Trefwoorden:achtergronddepositie
landbouw
landbouwgrond
melkrundveehouderij
stikstofdepositie
vee
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 23/1036


uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 8 oktober 2026 in de zaak tussen





[eiseres], uit [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. A. de Haan),

en


de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de minister,
(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], gevestigd te [plaats], derde-belanghebbende,
(gemachtigde: mr. V. Wösten).



Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit).


1.1.
Bij het bestreden besluit van 22 november 2022 heeft de minister ter uitvoering van de richtlijn 92/43/EEG (de Habitatrichtlijn) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.



1.2.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.



1.3.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld.



1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met het beroep met het zaaknummer LEE 23/1143 op de zitting van 17 maart 2026. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en ing. D. Bal. Derde-belanghebbende is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.



1.6.
Deze uitspraak wordt gedaan in zaaknummer LEE 23/1036. In zaaknummer LEE 23/1143 wordt apart uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eiseres heeft aangevoerd.


2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


Feiten

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.



4.1.
Eiseres exploiteert een melkrundveehouderij op twee locaties in [plaats]. De melkrundveehouderij is - voor zover relevant voor de beoordeling van het beroep - gelegen binnen een zone van 25 kilometer van de Natura 2000-gebieden “Mantingerzand”, “Dwingelderveld” en “Holtingerveld”.



4.2.
De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met
19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen.



4.3.
Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.


Juridisch kader

5. Uit de Habitatrichtlijn (Hrl) volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen.



5.1.
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister van LNV ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister van LNV bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen.


Overgangsrecht

6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.



6.1.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


Het geschil

7. Tussen partijen is in geschil of de minister de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden “Mantingerzand”, “Dwingelderveld” en “Holtingerveld” heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.


Niet ter inzage leggen van de habitattypenkaarten met het ontwerpbesluit

8. Eiseres kan zich niet vinden in de procedure die is gevolgd bij het wijzigingsbesluit. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen kaarten beschikbaar heeft gesteld, waar de extra habitattypen en leefgebieden van soorten precies staan ingetekend.



8.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat in het wijzigingsbesluit is vermeld wat de gebruikte bronnen zijn, zoals met name de habitatkaarten. Die kaarten zijn van de provincies, Rijkswaterstaat en Defensie. Slechts een deel van deze bronhouders publiceert hun kaarten op internet; anderen stellen die op aanvraag ter beschikking. Omdat de minister weliswaar gebruik heeft gemaakt van de kaarten maar zelf geen bronhouder is, is ervoor gekozen om niet zelfstandig alle kaarten bij de terinzagelegging op internet te publiceren. In plaats daarvan is ervoor gekozen om bij de bekendmaking (in advertenties in alle regionale bladen) te wijzen op de mogelijkheid tot het opvragen van (achtergrond)documenten bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar is door meerdere personen inderdaad gebruik van gemaakt. Deze personen hebben de kaarten met de locaties van de toegevoegde habitattypen ontvangen. De minister acht van belang dat uit de tekst van het (ontwerp)besluit voldoende blijkt voor welke habitattypen en soorten instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd aan het betrokken natuurgebied. Een verbeelding in de vorm van een habitattypekaart voegt hieraan volgens de minister niets toe. De minister voert aan dat het toevoegen van een instandhoudingsdoelstelling namelijk geldt voor het gehele gebied en niet voor een specifieke locatie. Het doet er vanuit het oogpunt van eisers in het kader van het wijzigingsbesluit dan ook niet toe waar het habitattype zich exact bevindt. Op basis van de motivering van het (ontwerp)besluit hadden eisers volgens de minister een zienswijze kunnen indienen of beroep kunnen instellen, en daarbij de relevante stukken op kunnen vragen. Zowel bij de terinzagelegging van het ontwerp als van het vaststellingsbesluit is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door diverse personen. Deze personen hebben de opgevraagde stukken ontvangen en gebruikt in de verdere procedure. Gelet daarop is de minister van mening dat alle voor de beoordeling van het (ontwerp)besluit noodzakelijke stukken ter inzage hebben gelegen. In het kader van de beroepsprocedures heeft de minister alsnog afbeeldingen (in pdf-formaat) van de habitattypenkaarten gepubliceerd.



8.2.
Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Dit artikel is een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht: een bestuursorgaan moet uit eigen beweging informatie verstrekken. Doel van de terinzagelegging is onder andere dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het besluit. Dan kunnen zij de gegevens en de aannames waarop het besluit is gebaseerd, controleren en de keuzes in het besluit beoordelen en afwegen of zij daartegen willen opkomen. De aan het besluit ten grondslag liggende gegevens moeten daarom volledig, tijdig en uit eigen beweging op een passende wijze openbaar worden gemaakt.



8.3.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Op een habitattypenkaart is te zien waar een bepaald habitattype voorkomt in een Natura 2000-gebied en in welke omvang. Habitattypenkaarten komen tot stand op basis van onderliggend documentatiemateriaal, zoals vegetatiekaarten die zijn vastgesteld door ecologisch deskundigen die hebben onderzocht welke habitattypen op de peildatum in een gebied voorkwamen.



8.4.
Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de in de aanwijzingsbesluiten aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de habitattypen zijn gebaseerd op de (gevalideerde) habitattypenkaarten. De minister stelt zich op het standpunt dat de habitattypenkaarten niet nodig waren om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de habitattypenkaarten naar het oordeel van de rechtbank op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat de kaarten gebruikt zijn voor de correcties en daarmee de basis vormen van het wijzigingsbesluit. Dat maakt ook dat de habitattypenkaarten redelijkerwijs nodig zijn om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen. Zonder deze kaarten is het voor een belanghebbende moeilijk om te controleren en zo nodig te betwisten of een habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate in het Natura 2000-gebied aanwezig was. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb door de habitattypenkaarten niet uit eigen beweging met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen.



8.5.
Voor het documentatiemateriaal waarop de habitattypenkaarten zijn gebaseerd, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet rechtstreeks aan het wijzigingsbesluit ten grondslag is gelegd. Dit brengt met zich dat het documentatiemateriaal niet valt aan te merken als stukken die op de zaak betrekking hebben. Dit betekent dat de minister dit documentatiemateriaal daarom ook niet uit eigen beweging ter inzage heeft hoeven leggen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister dit documentatiemateriaal op verzoek heeft kunnen verstrekken.



8.6.
Dat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen is een gebrek in de voorbereiding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eiseressen en/of belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in beroep de habitattypenkaarten alsnog beschikbaar heeft gesteld op een openbare website. Eiseressen hebben daarna voldoende tijd gehad om de kaarten te bekijken en daarop te reageren. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen. In het ontwerpbesluit staat dat wijzigingen worden onderbouwd met de habitattypenkaarten, waardoor een ieder op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze kaarten en daarover een zienswijze had kunnen indienen.


Inspraak na Europese registratie

9. Eiseres kan zich niet vinden in de procedure die is gevolgd bij het wijzigingsbesluit. Eiseressen voeren aan dat het indienen van een zienswijze pas mogelijk was nadat de habitattypen en soorten al geregistreerd waren bij de Europese Commissie (EC). Dit is naar de mening van eiseres in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiseres wijst erop dat in 2017 de mogelijk nieuwe habitattypen al zijn doorgegeven aan de EC, terwijl het ontwerpbesluit pas in maart 2018 ter inzage is gelegd. Dit is volgens eiseres niet de juiste volgorde want de minister zou zorg moeten dragen voor een zorgvuldige procedure, waarbij eerst de procedure in Nederland volledig zou moeten zijn doorlopen, voordat mogelijk nieuwe habitattypen bij de EC bekend worden gemaakt.



9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de vermelding van alle in een gebied aanwezige habitattypen en soorten in het Standard Data Form (SDF) een verplichting is die volgt uit het Uitvoeringsbesluit. Dat SDF moet volgens de minister actueel worden gehouden. Uiteraard moet de informatie wel juist zijn en goed onderbouwd. Eind 2017, korte tijd voor het publiceren van het ontwerpbesluit, was voldoende duidelijk welke habitattypen en soorten toegevoegd en verwijderd moesten worden en dat is dus ook verwerkt in de SDF’s van de betrokken gebieden. Naar de mening van de minister is er in dit geval geen sprake van het volgen van een onjuiste procedure.



9.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het juist is dat eiseres voor het eerst een zienswijze kon indienen na registratie van de habitattypen en soorten bij de EC. Dat hoort bij het ‘getrapte stelsel’ van de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden, waarbij de gebieden eerst op Europees niveau worden aangemeld en vastgesteld en pas daarna op nationaal niveau worden aangewezen. Verder is het niet verboden om later nog andere habitattypen en soorten toe te voegen dan de typen en soorten die eerst waren aangemeld bij de EC op basis van actuele ecologische gegevens. Die wijzigingen moet de lidstaat dan doorgeven aan de EC via het SDF.



9.3.
In dit geval heeft de minister de wijzigingen - onverplicht - eerst verwerkt in het SDF en korte tijd daarna het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Op die manier hebben eiseres en anderen wel inspraak kunnen geven op de wijzigingen. Door die inspraak zijn het ontwerpbesluit en het SDF op sommige punten ook daadwerkelijk aangepast. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen of onvoldoende inspraakmogelijkheden heeft gehad.


Is een nauwkeuriger besluit nodig?

10. Eiseres betoogt dat bij afwezigheid van bij het wijzigingsbesluit behorende kaartmateriaal met specifieke aanduiding van de toegevoegde typen en soorten niet exact te duiden is welke gevolgen zij precies zal ondervinden. In (de publicatie van) het besluit had volgens eiseres op zijn minst de digitale link naar onderliggende rapporten en kaarten opgenomen moeten worden op basis waarvan is geconstateerd dat de nieuwe habitattypen en soorten ten tijde van het aanwijzen van de Natura 2000-gebieden al aanwezig waren. Als alternatief hadden deze op een plek digitaal verzameld kunnen worden. Dat is echter niet gebeurd.



10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden was om nauwkeurige kaarten te maken waarop precies te zien is waar de toegevoegde typen en soorten zich bevinden. Het aanwijzen van habitattypen en soorten geldt namelijk voor alle typen en soorten die in het Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare oppervlakte of populatie voorkomen. Als op één plek in een Natura 2000-gebied een bepaald habitattype voorkomt, dan wordt dat type met de aanwijzing beschermd in het hele gebied. Overigens is het wijzigingsbesluit voor de habitattypen gebaseerd op habitattypenkaarten, waaruit volgt waar welk type is aangetroffen, en is dat voor soorten, nu die naar hun aard niet op één vaste plek voorkomen, niet mogelijk. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.


Is de aanwezigheid van habitattypen ten tijde van aanwijzing deugdelijk gemotiveerd?

11. Eiseres wijst erop dat voor het Natura 2000-gebied “Mantingerzand” twee nieuwe habitattypen zijn toegevoegd. Voor het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” zijn drie nieuwe habitattypen toegevoegd en voor “Dwingelderveld” twee nieuwe habitattypen. Eiseres voert aan dat het haar bevreemdt dat vele jaren na de aanwijzing van die gebieden geconstateerd kan worden dat met terugwerkende kracht er extra habitattypen zijn gevonden. Eiseres voert aan dat zij er vanuit mag gaan dat binnen een Natura 2000-gebied later niet extra habitattypen aangewezen kunnen worden. Bovendien blijkt uit een WUR-rapport uit 2014 dat de gegevens zijn afgeleid aan de hand van de meest recente habitatkaarten. Dit betekent volgens eiseres dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat deze habitattypen in 2003 of 2004 al aanwezig waren. Verder staat in dit rapport vermeld dat er regelmatig veranderingen in gebieden optreden, bijvoorbeeld doordat maatregelen worden uitgevoerd of doordat de begrenzingen worden aangepast. Ook uit deze zinsnede valt volgens eiseres af te leiden dat er na aanwijzing van de Natura 2000-gebieden veranderingen op kunnen treden waardoor nieuwe habitattypen kunnen ontstaan, die nu blijkbaar (deels) in dit wijzigingsbesluit worden opgenomen. Nu de minister in het wijzigingsbesluit habitattypen aan Natura 2000-gebieden heeft toegevoegd op basis van kaarten die niet dateren van vlak voor de aanwijzingsdata van de Natura 2000-gebieden, zijn de habitattypen naar de mening van eiseres onterecht opgenomen in het wijzigingsbesluit.



11.1.
De rechtbank is van oordeel dat het wijzigingsbesluit voldoende is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk gemaakt dat de habitattypen (in meer dan verwaarloosbare mate) aanwezig waren in het gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken. Het is weliswaar voorstelbaar dat het lastig is om te controleren of een habitattypenkaart klopt, omdat dit betekent dat jaren na de vaststelling van de aanwijzingsbesluiten moet worden gecontroleerd of een habitattype ten tijde van de aanwijzing al aanwezig was, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit niet mogelijk is. Wat betreft de stelling over de beschikbaarheid van de achtergronddocumenten en habitattypenkaarten, verwijst de rechtbank naar rechtsoverwegingen 8.4 en 8.5. De rechtbank volgt eiseres evenmin in het betoog dat de habitattypenkaarten de situatie ten tijde van de aanwijzing niet zouden weergeven. De stelling dat gebruik is gemaakt van informatie en veldonderzoek van na de datum van de aanwijzingsbesluiten, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor de verwijzing door eiseres naar het WUR-rapport. Dat onderzoek was niet gericht op het vaststellen of de op dat moment aangetroffen typen en soorten ten tijde van het aanwijsbesluit al aanwezig waren. De minister heeft in het wijzigingsbesluit en op de zitting bovendien nog toegelicht dat habitattypen alleen zijn toegevoegd als aan de hand van waarnemingen kon worden geconcludeerd dat deze ook al ten tijde van het aanwijzingsbesluit aanwezig waren. Het betoog slaagt niet. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de minister dit niet zo had mogen doen.


In meer dan verwaarloosbare mate aanwezig?

12. Eiseres voert aan dat bij een aantal Natura 2000-gebieden nieuwe habitattypen zijn opgenomen terwijl het om verwaarloosbare oppervlakten gaat. Bovendien is onvoldoende rekening gehouden met de bestaande kwaliteit van de zogenaamd nieuwe habitattypen. Eiseres wijst voor het Natura 2000-gebied “Mantingerzand” in het bijzonder op de habitattypen H3130 (zwakgebufferde vennen) en H91D0 (hoogveenbossen). In het wijzigingsbesluit is vermeld dat de relatieve bijdrage van deze habitattypen in dit gebied de aanduiding ‘C’ hebben gekregen. Dit betekent dat deze habitattypen in het Natura 2000-gebied “Mantingerzand” minder dan 2% van de landelijke oppervlakte omvatten. Bovendien komen deze habitattypen in plukjes voor en niet in een aansluitend gebied. Het gaat volgens eiseres om dermate kleine oppervlakten per plukje dat behoud van deze nieuw aangewezen habitattypen gedoemd is te mislukken. Voor het habitattype H3130 geldt bovendien dat de plek waar deze zou voorkomen, rond het tijdstip van de aanwijzing van Mantingerzand als Natura 2000-gebied in gebruik was als landbouwgrond. Dit betekent volgens eiseres dat het habitattype H3130 niet al vóór aanwijzing van Mantingerzand aanwezig was. Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” vindt eiseres de aanwijzing van het habitattype H3110 (zeer zwakgebufferde vennen) discutabel. Eiseres vraagt zich af waarom dit habitattype niet is opgenomen in de Aerius-calculator als H3110, maar vermeld staat als “habitattype onbekend”. Eiseres wijst erop dat in het wijzigingsbesluit bij de onderbouwing van de wijzigingen is aangegeven dat “bij afronding van de habitattypenkaart is gebleken dat een deel van wat tot H3130 was gerekend, vanwege de afwijkende vegetatie tot H3110 behoort”. Naar de mening van eiseres blijkt onvoldoende uit het wijzigingsbesluit op welk moment dit dan is vastgesteld en of dat ten tijde van de aanwijzing van het gebied ook zo was.



12.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden “Mantingerzand”, “Dwingelderveld” en “Holtingerveld”. Het gaat onder meer om de habitattypen H3130 Zwakgebufferde vennen en H91D0 Hoogveenbossen in het Natura 2000-gebied “Mantingerzand”. Het gaat verder om het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied en H91D0 in het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” en de habitattypen H3130, H5310 en H9120 in het Natura 2000-gebied “Holtingerveld”. De omvang en locatie van deze habitattypen zijn weergegeven op de habitattypenkaarten van de betreffende Natura 2000-gebieden.



12.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat artikel 6, eerste lid, van de Hrl verplicht tot het daadwerkelijk treffen van instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn voor het behoud of het herstel van de gunstige staat van instandhouding van de soorten en de habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Het zijn (positieve) maatregelen waarmee uitvoering wordt gegeven aan de instandhoudingsdoelen die voor elke soort of habitattype in het aanwijzingsbesluit zijn opgenomen. Deze instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau omschrijven de gewenste staat van instandhouding van de soorten en habitattypen in het gebied, teneinde de bijdrage van het gebied aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitattypen op landelijk niveau te bereiken. De instandhoudingsdoelstellingen zien onder meer op de omvang van een populatie, de oppervlakte en/of kwaliteit van een habitattype en leefgebied en zijn uitgedrukt als behoud-, verbeter- of uitbreidingsdoel.



12.3.
De rechtbank stelt voorop dat de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken.



12.4.
De minister heeft voor de Natura 2000-gebieden “Holtingerzand” en “Mantingerveld” twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: één overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en één typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen. Voor het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” heeft de minister drie kaarten met luchtfoto’s (T0-habitatkaarten) overgelegd waarin is aangegeven waar zich de nieuw aan te wijzen habitattypen bevonden op het peilmoment (T0). Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²; 1 are) aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²; 10 are).



12.5.
De rechtbank ziet in het betoog van eiseres geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de habitattypenkaarten van de betreffende Natura 2000-gebieden niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiseres heeft namelijk niet aangegeven welke habitattypenkaarten en welke luchtfoto’s gebreken bevatten en waarom die kaarten en luchtfoto’s gebrekkig zouden zijn. Hiervoor is al geoordeeld dat de verwijzing naar het WUR-rapport daarvoor onvoldoende is nu daaruit blijkt dat dat onderzoek niet was gericht op het vaststellen of de op dat moment aangetroffen typen en soorten ten tijde van het aanwijsbesluit al aanwezig waren. Dit rapport ligt bovendien ook niet ten grondslag aan het wijzigingsbesluit.



12.6.
De rechtbank overweegt over wat eiseres heeft aangevoerd voor het Natura 2000-gebied “Mantingerzand” het volgende. De rechtbank volgt eiseres niet dat de oppervlakten van de habitattypen H3130 en H91D0 in dit gebied dusdanig gering zijn dat deze niet hadden mogen worden aangewezen. De minister heeft erop gewezen dat het gaat om oppervlakten van respectievelijk 853 en 341 are. Dat is meer dan wat de minister als ondergrens hanteert (1 are voor de meeste habitattypen en 10 hectare voor bossen). De rechtbank acht het aanhouden van die minimale oppervlakten niet onredelijk. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank bovendien onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de door haar genoemde “plukjes” kleiner zijn dan de gehanteerde ondergrens. Voor zover eiseres aanvoert dat het gebied dat is aangewezen voor H3130 in 2004 nog landbouwgrond was, stelt de rechtbank vast dat de minister dat niet bestrijdt. De minister heeft echter ook gemotiveerd uiteengezet dat het gaat om de situatie in 2013, dat de habitatkaart de aanwezigheid van dit habitattype onderbouwt en dat uit luchtfoto’s ook blijkt dat er op de betreffende locatie natuurontwikkeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet in wat eiseres daartegenover heeft gesteld geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op deze locatie het habitattype niet aanwezig was op het peilmoment.



12.7.
Voor wat betreft het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” voert eiseres aan de aanwijzing van het habitattype H3110 (zeer zwak gebufferde vennen) discutabel te vinden. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door de minister overgelegde kaarten met luchtfoto’s blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 4 juli 2013) meer dan één are (100 m²) van het habitattype Zeer zwakgebufferde vennen (H3110) aanwezig was. De verwijzing naar AERIUS-Calculator maakt dat niet anders.



12.8.
Voor wat betreft het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” voert eiseres aan de aanwijzing van het habitattype H3110 (zeer zwakgebufferde vennen) discutabel te vinden. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde kaarten met luchtfoto’s (T0-habittkaart) blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 4 juli 2013) meer dan één are (100 m²) van dit habitattype aanwezig was. De verwijzing door eiseres naar de AERIUS-Calculator maakt dat niet anders. De minister heeft in het verweer aangegeven dat de T0-habitatkaart inmiddels is opgenomen in AERIUS. Dat dit eerder niet het geval was, betekent niet dat het habitattype ten tijde van het aanwijsbesluit niet aanwezig was. De minister heeft in het verweerschrift bovendien een toelichting gegeven op hoe de definitieve T0-habitatkaart tot stand is gekomen. Ook is toegelicht hoe in 2019 tot de conclusie is gekomen dat het habitattype H3110 bestendig aanwezig was op de peildatum en dat die conclusie ook aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die toelichting te twijfelen. De rechtbank ziet in de algemeen geformuleerde twijfel van eiseres geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de minister zich niet op de T0-habitatkaarten mocht baseren bij de door eiseres bestreden besluitvorming.



12.9.
Wat eiseres overigens heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten van de betreffende Natura 2000-gebieden mocht afgaan. Deze grond van eiseres slaagt niet.


Belangenafweging

13. Eiseres betoogt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de sociale en economische gevolgen van dit wijzigingsbesluit voor het bedrijf van eiseres. Eiseres voert aan dat als gevolg van het wijzigingsbesluit voor de Natura 2000-gebieden “Mantingerzand”, “Holtingerveld” en “Dwingelderveld” een lagere KDW zal gaan gelden. Het verlagen van de KDW betekent dat de achtergronddepositie in 2035 voor de betreffende Natura 2000-gebieden beneden de nieuwe KDW moet zitten. Dit betekent volgens eiseres voor de gebieden “Mantingerzand” en “Holtingerveld” dat er een stikstofdepositie van 143 mol/hectare/jaar extra aan achtergronddepositie moet worden teruggebracht. Het wijzigingsbesluit leidt er volgens eiseres in de praktijk toe dat zij minder vee zal moeten gaan houden. Ook zal een lagere KDW volgens eiseres gevolgen hebben voor het bemesten van landbouwgrond. Een lagere KDW zal er in de visie van eiseres toe leiden dat er minder mest uitgereden wordt. Een lagere bemesting zal weer leiden tot een lagere opbrengst, waardoor er meer ruwvoer aangekocht moet worden. Dit alles leidt er volgens eiseres toe dat de inkomsten van haar bedrijf en de waarde daarvan zullen dalen. Hiermee heeft de minister onvoldoende rekening gehouden.


Belangenafweging habitattypen en soorten

14. Zoals hiervoor is overwogen, was de minister naar het oordeel van de rechtbank verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank bij het toevoegen van habitattypen en soorten geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. Deze grond van eiseres slaagt niet.


Belangenafweging bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen

15. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen.De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met sociaal, economische en agrarische belangen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen heeft toegelicht dat hij wel rekening heeft gehouden met deze belangen, nu in de meeste gevallen is gekozen voor de laagst mogelijke doelstelling (‘behoud’) en niet voor de voor eiseres ingrijpendere uitbreidings- of verbeterdoelstelling.



15.1.
Voor zover eiseres verwijst naar de toevoeging van stikstofgevoelige habitattypen met een verbeterdoelstelling in de Natura 2000-gebieden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele keuze voor een verbeterdoelstelling onvoldoende is voor het oordeel dat de minister geen rekening heeft gehouden met de door eiseres genoemde belangen. De rechtbank acht van belang dat uit het wijzigingsbesluit voor deze habitattypen volgt dat voor de verbeterdoelstelling is aangesloten bij de landelijke doelstelling. Verder heeft de minister toegelicht dat het wijzigingsbesluit in beginsel geen gevolgen heeft voor het bestaande legale gebruik in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden omdat dat gebruik mag worden voortgezet. Ook heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010, toegelicht dat hij niet op bedrijfsniveau inzichtelijk hoeft te maken welke gevolgen een (gewijzigde) aanwijzing heeft buiten het aangewezen gebied. Dat is door eiseres niet gemotiveerd bestreden. Het betoog van eiseres slaagt niet.




Conclusie en gevolgen
16. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk en het wijzigingsbesluit blijft in stand.


16.1.
Vanwege het in overweging 8.4. geconstateerde gebrek moet de minister wel het griffierecht en de proceskosten van eiseres betalen. De proceskosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten voor eiseres worden begroot op € 934,- (beroepschriften één punt; waarde per punt € 934,-; gewicht van de zaak: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.





Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzitter, mr. S. Ketelaars-Mast en mr. M.S. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.






griffier voorzitter


Afschrift verzonden op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

















Bijlage


Habitatrichtlijn

Artikel 1
(…),
e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
- de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
- de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i.
(…),
i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.
(…).

Artikel 2
1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 3
1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones.
2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.

Artikel 4
1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten , die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn . Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn . Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.
(…),
4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging

Artikel 6
1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.


Wet natuurbescherming

Artikel 1.5
1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast.
2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie.
(…)
5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden.

Artikel 1.8
1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten.

Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”.
2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.
3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:
a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of
b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.


Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.


Artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl).


De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.


Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 11 juli 2011 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden (2011/484/EU).


Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7770, r.o. 2.27.3 volgt bijvoorbeeld ook dat in de Europese fase, in de aanmeldingsfase geen rechtsbescherming open staat, maar dat die rechtsbescherming tegen de vaststelling wel verzekerd is via de beroepsmogelijkheden voor de nationale rechter.


Uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119.


Uitspraken van de Afdeling van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1891 en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.


Artikel 4 van de Habitatrichtlijn en zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32670, 24; en zie ook de uitspraken van de Afdeling van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239, r.o. 8.2 en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.


Uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7903.


WUR-rapport van augustus 2014, edepot.wur.nl/314180.


Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:864 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.


Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:1603.


Vergelijk het arrest van 17 april 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), ECLI:EU:C:2018:255 (Oerbos Bialowieska).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:864,
r.o. 5.2.


1 hectare (ha) = 10.000 m².


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2961, r.o. 6.3.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 16 -16.4.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, r.o. 6.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:164, r.o. 5.2.


ECLI:NL:RVS:2010:BN8553.
Link naar deze uitspraak