Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:10254 
 
Datum uitspraak:09-07-2026
Datum gepubliceerd:26-10-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:AWB - 25 _ 1821
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Douanerecht. Het verzoek van belanghebbende om op grond van artikel 173, derde lid, van het DWU de aangifte ten invoer van het in het vrije verkeer brengen te wijzigen, is terecht afgewezen.
Trefwoorden:biologisch
skal
 
Uitspraak
Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1821

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. E. Polak)

en


de inspecteur van de Douane, verweerder.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het verzoek van belanghebbende om op grond van artikel 173, derde lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) de aangifte te wijzigen, terecht is afgewezen.

Verweerder heeft bij beslissing van 15 augustus 2024 het verzoek van belanghebbende om wijziging van de aangifte ten invoer voor de regeling “in het vrije verkeer brengen” met nummer [# 1] , afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2025 het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 te Haarlem.
Namens belanghebbende zijn verschenen: [naam 1] (Managing Director/Owner), [naam 2] (Procurement Coordinator), [naam 3] (Quality Assurance Coordinator) en [naam 4] (Finance & HR Director), vergezeld door gemachtigde en haar kantoorgenoten mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
Namens verweerder zijn verschenen: mr. [naam 7] en mr. [naam 8] .




Overwegingen



Feiten
1. Belanghebbende is een onderneming die zich met name bezighoudt met de invoer van thee en de verdere verkoop van dat product.

2. Op 24 december 2023 is door de exporteur in Traces een tweetal zendingen van biologische thee aangekondigd onder vermelding van containernummers [# 2] en [# 3] . [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) heeft deze zendingen namens belanghebbende in Traces in behandeling genomen. Er is in Traces een Certificate of Inspection for import of products from Organic production into the European Union aangemaakt met nummer COI. [# 4] (COI-certificaat-86) en een certificaat met nummer COI. [# 5] (COI-certificaat-87). Ter voorbereiding van de invoeraangifte heeft belanghebbende twee kopieën van het COI-certificaat-86 naar [bedrijf] gestuurd met het verzoek de containers in te klaren.

3. [bedrijf] heeft als direct vertegenwoordiger van belanghebbende aangifte ten invoer gedaan met aanvaardingsdatum 5 februari 2024 voor het in het vrije verkeer brengen van goederen met als land van oorsprong Sri Lanka, waarin de goederen als volgt zijn omschreven:
- artikel 1: “Organic green tea”
- artikelen 2 en 4: “Organic tea”
- artikel 3: “Organic mint and lemon tea”
- artikel 5, 7 en 8: “Tea”
- artikel 6: “Green tea”.


[bedrijf] heeft in de invoeraangifte onder 19 07 verwezen naar de containernummers [# 2] en [# 3] en heeft daarbij in vak 12 03 het COI-certificaat-86 en bescheidcode C644 vermeld voor de artikelen 1 tot en met 4. [bedrijf] heeft in de invoeraangifte voor de artikelen 5 tot en met 8 in vak 12 04 de bescheidcode Y929 vermeld (Verklaring biologische producten; Goederen die niet onder Verordening (EU) nr. 2018/848 vallen (biologische producten) met als aanvulling ‘Geen VO 834.2007).

4. Daags na aanvaarding van de aangifte heeft [bedrijf] opgemerkt dat in de aangifte niet is verwezen naar COI-certificaat-87.

5. Tot het dossier behoort een mailwisseling tussen belanghebbende en verweerder in de periode 6 februari 2024 tot en met 20 februari 2024. In het laatste e-mailbericht van 20 februari 2024 heeft verweerder aan belanghebbende – voor zover van belang – het volgende medegedeeld:
“Ik begrijp uw standpunt, echter als de goederen zijn weggevoerd van de locatie die in uw invoeraangifte is genoemd (…), is het wettelijk gezien niet meer toegestaan om de COI te viseren als biologisch. Deze is dan ook afgehandeld als ‘Vrij te geven als niet-biologisch’.

Ik kan uw verzoek dan ook niet honoreren.”

6. Met dagtekening 19 februari 2024 heeft belanghebbende een verzoek gedaan om wijziging van de aangifte met betrekking tot de artikelen 5 tot en met 8 op grond van artikel 173 van het DWU.


Geschil

7. In geschil is of het verzoek van belanghebbende om op grond van artikel 173, derde lid, van het DWU de aangifte te wijzigen, terecht is afgewezen. Meer specifiek is in geschil of de aangifte na het vrijgeven van de goederen gewijzigd kan worden en alsnog bescheidcode C644 in plaats van Y929 vermeld kan worden.

8. De wijziging ziet op de artikelen 5 tot en met 8. Tussen partijen is niet in geschil dat de artikelen 5 tot en met 7 door een herverdeling worden (af)gesplitst in de artikelen 9 tot en met 11. Het aantal goederen blijft ongewijzigd.

9. Belanghebbende voert aan dat de douaneaangifte op grond van artikel 173, derde lid, van het DWU gewijzigd kan worden, zodat de goederen de status biologisch krijgen in plaats van conventioneel. Volgens artikel 201, tweede lid, letter d, van het DWU is een van de verplichtingen “de vervulling van andere formaliteiten voor de invoer van goederen”. Om goederen met de status “biologisch” in het vrije verkeer te mogen brengen, geldt de formele eis dat er een referentie plaatsvindt naar het COI-certificaat en dat de bescheidcode C644 wordt vermeld in de invoeraangifte. Belanghebbende moet de omissie kunnen repareren. De uitleg van artikel 173, derde lid, van het DWU die verweerder voorstaat, is te strikt. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar een artikel getiteld: “Het aangiftesysteem van het DWU: werkelijke fouten vormen niet de ‘werkelijke situatie’ (deel 3)”, naar het arrest Celní jednatelství Zelinka (arrest-Celni) en de Guidance van de EU Customs Expert Group. Volgens belanghebbende is de handelwijze van verweerder in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.
Subsidiair stelt belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

10. Verweerder voert aan dat wijziging van de bescheidcode van Y929 in C644 en het toevoegen van het COI-nummer niet kwalificeert als een verplichting in de zin van artikel 173 van het DWU en verwijst naar uitspraken van deze rechtbank. Verweerder verwijst daarnaast naar het Handboek Douane, onderdeel 12.00.00, punt 10.1.5, waarin staat vermeld: “Dus wijzigen achteraf is niet mogelijk. Hetzelfde geldt voor verplichtingen bij de invoer in de VGEM-wetgeving, bijvoorbeeld een controlecertificaat COI.”. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen omdat de zaken die belanghebbende noemt niet vergelijkbaar zijn, aldus verweerder.


Beoordeling van het geschil

11. Op grond van artikel 173, derde lid, van het DWU kan op verzoek van de aangever, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte, worden toegestaan dat de douaneaangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever aan zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen. Wat partijen verdeeld houdt is hoe ‘het nakomen van verplichtingen inzake van het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling’ dient te worden geïnterpreteerd. De uitleg van artikel 173, derde lid, van het DWU die verweerder voorstaat, is volgens belanghebbende te strikt. Verweerder heeft dit gemotiveerd betwist. De rechtbank zal daarom hierna eerst ingaan op de vraag of artikel 173, derde lid, van het DWU strikt moet worden uitgelegd.

12. In het Zes Zollner-arrest heeft het Hof van Justitie in punt 40 geoordeeld dat op grond van artikel 173, derde lid, van het DWU een aangifte na vrijgave van de goederen uitsluitend kan worden gewijzigd zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen. De rechtbank merkt hierbij op dat het Hof van Justitie in dit arrest niet heeft geoordeeld over douanerechten als de onderhavige, doch over belastingen van andere aard die in het kader van de invoer van goederen worden geheven. Ten aanzien van dergelijke andere belastingen geldt dat de in de aangiften vermelde gegevens in de regel achteraf met voldoende zekerheid kunnen worden geverifieerd, hetgeen bij douaneaangiften niet het geval is, aangezien de douaneautoriteiten de goederen slechts gedurende een korte periode fysiek kunnen controleren. Het beginsel van onherroepelijkheid van een douaneaangifte is daardoor van groot belang voor de doeltreffendheid van douanecontroles.

13. In het Zes Zollner-arrest oordeelde het Hof van Justitie verder in punten 43 en 44, dat het beginsel van de onherroepelijkheid van de aangifte wordt afgezwakt door de mogelijkheid die aangifte te wijzigen, zodat die mogelijkheid een strikt uit te leggen uitzondering op dat beginsel vormt. Een strikte uitleg van artikel 173, derde lid, van het DWU, is volgens het Hof van Justitie in overeenstemming met de wil van de Uniewetgever, die in het vaststellen van deze bepaling is afgeweken van het wetsvoorstel van de Commissie en aan het voorgestelde artikel 173 de voorwaarde heeft toegevoegd dat na vrijgave van de goederen een aangifte slechts kan worden gewijzigd om de aangever in staat te stellen zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling na te komen. De uitleg van het Hof van Justitie van artikel 173, derde lid, van het DWU in het Zes Zollner-arrest, is duidelijk strikter dan zijn uitleg van artikel 78 van het communautair douanewetboek (CDW) zoals die blijkt uit de arresten Pfeifer & Langen GmbH & Co en CEVA Freight Holland B.V.. Gelet hierop acht de rechtbank de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 78 van het CDW niet relevant voor de uitleg van artikel 173, derde lid, van het DWU.

14. De rechtbank is van oordeel dat het arrest-Celni, waar belanghebbende zich op beroept, geen aanleiding geeft voor een andere uitleg van artikel 173 van het DWU dan hiervoor is weergegeven. In arrest-Celni heeft het Hof van Justitie in punten 25 en 26 uitleg gegeven over artikel 116, zevende lid, van het DWU volgens welke de douaneautoriteiten kunnen verklaren dat de oorspronkelijke douaneschuld opnieuw verschuldigd is in een geval waarin zij eerst terugbetaling van die schuld hadden toegestaan op basis van een tariefindeling van de goederen die later onjuist is gebleken. Volgens het Hof van Justitie wordt die uitlegging bevestigd door de rechtspraak betreffende artikel 78 van het CDW welke bepaling stelde dat wanneer uit een herziening van de douaneaangifte of uit een controle achteraf door de douaneautoriteiten bleek dat de rechten waren berekend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, die autoriteiten de nodige maatregelen moesten nemen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikten. Daarnaast wordt die uitlegging bevestigd door de specifieke logica van die bepaling, die erin bestaat de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie door materiële fouten of weglatingen en vergissingen bij de uitlegging van het toepasselijke recht weg te werken. (zie in die zin arresten van 12 juli 2012, Südzucker e.a., C‑608/10, C‑10/11 en C‑23/11, EU:C:2012:444, punt 47, en 10 december 2015, Veloserviss, C‑427/14, EU:C:2015:803, punten 22‑28).
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde uitleg niet van toepassing is op artikel 173 van het DWU, omdat de rechtbank de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 78 van het CDW niet relevant acht voor de uitleg van artikel 173, derde lid, van het DWU, zoals hiervoor is overwogen onder punt 13. Daarnaast ziet arrest-Celni op de uitleg van artikel 116, zevende lid, van het DWU en niet op de uitleg van artikel 173 van het DWU. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat in arrest-Celni een ruimere uitleg is gegeven aan artikel 173 van het DWU dan is gegeven in het Zes Zollner-arrest.

15. De beperkte strekking van artikel 173, derde lid, van het DWU brengt met zich mee dat de stelling van belanghebbende dat uit de Guidance van de EU Customs Expert Group ‘Customs Formalities on Entry and Import into the European Union, rev. 5’ een ruime uitleg van artikel 173, derde lid, van het DWU voortvloeit en in dit document wijzigingsmogelijkheden staan, niet kan slagen. Het betreft daarnaast geen wetgeving.
Ook de stelling van belanghebbende dat de Europese Commissie een ruime mogelijkheid heeft beoogd om douaneaangiften af te stemmen op de werkelijke situatie, gelet op de recente ‘Roadmap to reduce the burden on organic operators and national administrations’ waarin de Commissie aangeeft dat zij het wenselijk acht dat een COI-certificaat ook na uitgifte hiervan kan worden gewijzigd en aangeeft dit via een gedelegeerde verordening te willen vastleggen, kan niet slagen. Het is geen bindend document en er is nog geen gedelegeerde verordening van kracht. Reeds omdat het met zoveel onduidelijkheid is omkleed, geeft dit naar het oordeel van de rechtbank geen reden om af te wijken van de jurisprudentie als genoemd onder punten 13 en 14.

16. Omdat de goederen al waren vrijgegeven op het moment van het doen van het verzoek om wijziging van de aangifte, moet het verzoek van belanghebbende worden getoetst aan artikel 173, derde lid, van het DWU. Het is de vraag of het wijzigen van de aangifte onder “bewijsstuk” (vak 12 03) in de hiervoor beschreven context kan worden aangemerkt als een wijziging van de aangifte die de aangever in staat stelt zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen na te komen.

17. Belanghebbende stelt dat het invullen van de bescheidcode C644 een verplichting is in de zin van artikel 173, derde lid, van het DWU. Verder stelt belanghebbende dat het doel van artikel 173, derde lid, van het DWU is om de invoeraangifte in lijn te brengen met de werkelijke situatie. Er is nu sprake van een omissie zodat niet is voldaan aan de vervulling van alle formaliteiten voor de invoer van biologische goederen in de zin van artikel 201, tweede lid, onder d, van het DWU. Belanghebbende is van mening dat zij in staat moet worden gesteld dit te repareren.

18. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. Er is geen aparte douaneregeling voor het in het vrije verkeer brengen van biologische producten. Bij het in het vrije verkeer brengen van goederen, kan de keuze worden gemaakt om een goed als biologisch in te voeren in plaats van als conventioneel. Die keuze wordt kenbaar gemaakt door vermelding van de bescheidcode C644 in de aangifte, zodat het COI-certificaat gecontroleerd en geviseerd kan worden in Traces vóór vrijgave van de goederen. Het is geen verplichting om biologische producten als biologisch in het vrije verkeer te brengen.

19. Belanghebbende stelt dat de Verordening 834/2007 en de Verordening 1235/2008 voorwaarden bevatten waaraan moet worden voldaan om een goed in het vrije verkeer te mogen brengen als biologisch goed. De rechtbank overweegt dat dit weliswaar verplichtingen zijn, maar deze verplichtingen gelden uitsluitend op het moment dat ervoor wordt gekozen goederen in te voeren als biologische goederen. Ze hangen dan ook samen met de facultatieve mogelijkheid om goederen als biologische goederen in te voeren. Omdat geen sprake is van een aparte douaneregeling “brengen in het vrije verkeer van biologische goederen” vormen de voorwaarden uit de Verordeningen 834/2007 en 1235/2008 geen verplichtingen in de zin van artikel 173, derde lid, in samenhang met artikel 201, tweede lid, van het DWU voor het plaatsen onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen”. Met het alsnog vermelden van de bescheidcode C644 is dan ook geen sprake van het alsnog voldoen aan een verplichting zoals bedoeld in artikel 173, derde lid, in samenhang met artikel 201, tweede lid, van het DWU. Artikel 173, derde lid, van het DWU is evenmin bedoeld om alsnog te voldoen aan de algemene verplichting van artikel 15 van het DWU, zo daarvan in dit geval al sprake is, tot het doen van een volledige aangifte.

20. Belanghebbende voert aan dat de Douane vóór vrijgave van de goederen ervan op de hoogte had kunnen zijn dat de verkeerde code was aangegeven omdat er één COI-certificaat miste. De Douane wordt geacht op basis van artikel 163, eerste en tweede lid, van het DWU kennis te hebben van de informatie die in Traces beschikbaar is. In Traces waren twee COI-certificaten zichtbaar met verwijzing naar twee containernummers ( [# 2] en [# 3] ), terwijl in de aangifte twee containernummers staan vermeld, maar alleen COI-certificaat-86 bij de aangifte is gevoegd (waarin containernummer [# 2] is vermeld).

21. De rechtbank kan belanghebbende niet volgen in dit standpunt. Zoals verweerder ter zitting heeft verklaard gaat de Douane de stukken bij de aangifte eerst controleren, als de aangegeven code daartoe aanleiding geeft. De Douane is daartoe in een eerder stadium niet verplicht. Voor de artikelen 1 tot en met 4 was er aanleiding voor verificatie omdat daarvoor in vak 12 03 bescheidcode C644 is vermeld. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de Douane in dat geval kijkt of de benodigde stukken bij de aangifte zitten en of de stukken voldoen aan de eisen. Vervolgens worden er conclusies aan verbonden. In dit geval is het COI-certificaat-86 conform bevonden. Dit vormde het einde van de verificatie. Voor de artikelen 5 tot en met 8 is in vak 12 04 bescheidcode Y929 vermeld. Indien deze code wordt vermeld, betreft het niet-biologische goederen waarvoor geen controle van enig bescheid nodig is. De goederen worden dan direct vrijgegeven.
De controleplicht van de Douane gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat de Douane ook moet controleren of er in de aangifte een match is tussen het aantal containernummers en het aantal COI-certificaten.

22. Belanghebbende voert aan dat de taak- en rolverdeling van SKAL en de Douane in 2025 is aangepast in die zin dat SKAL de visering van de COI-certificaten als taak van de Douane heeft overgenomen. Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat als een containernummer staat vermeld in het COI-certificaat, SKAL dit aanvaardt als dit overeenkomt met de invoeraangifte. Als de goederen in 2025 zouden zijn ingevoerd, dan zou de fout dat er één COI-certificaat miste, door SKAL zijn opgemerkt, aldus belanghebbende.

23. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt de rechtbank niet tot een ander oordeel brengt. De goederen zijn immers in 2024 ingevoerd, zodat het standpunt reeds daarom niet kan slagen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat SKAL – kort gezegd – de taak heeft om te controleren of de goederen biologisch zijn en daarvoor het COI-certificaat en de goederen controleert. De Douane controleert het COI-certificaat bij het behandelen van de aangifte als daar aanleiding toe is (bij aangeven van bescheidcode C644). Verder overweegt de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat SKAL wel zou hebben opgemerkt dat er een COI-certificaat miste in de aangifte. Met stukken is niet onderbouwd dat de controlebevoegdheid van SKAL zo ver reikt dat SKAL ook controleert of het aantal opgegeven COI-certificaten in de aangifte overeenkomt met de containernummers. Uit de informatie op de website van SKAL waarnaar belanghebbende verwijst, valt dit niet op te maken.

24. Belanghebbende voert aan dat uit de wijze van verpakking van de thee, namelijk als consumentenproduct in aparte theezakjes met daaraan vast een label met daarop vermeld “biologisch” die worden verpakt in doosjes waarop ook “biologisch” staat vermeld, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het product uitsluitend als biologisch product kan worden ingevoerd.

25. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt niet kan slagen. De wijze waarop het product is verpakt, maakt niet dat sprake is van een ander product met een andere goederencode. Omdat belanghebbende bescheidcode Y929 heeft aangegeven en ook geen COI-certificaten heeft bijgevoegd voor de artikelen 5 tot en met 8, kunnen deze artikelen niet alsnog als biologisch worden ingevoerd.
Zou wel sprake zijn van een ander product, dan is wijziging van de aangifte niet mogelijk omdat in artikel 173, eerste lid, van het DWU staat vermeld dat de wijziging niet tot gevolg mag hebben dat de douaneaangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

26. Belanghebbende voert aan dat, nu de biologische thee als niet-biologisch is ingevoerd, het feitelijk onmogelijk is om de verwijzing op de producten naar de biologische status van de goederen te verwijderen. Immers, op zowel het label dat is gehecht aan het theezakje als op het doosje staat “biologisch” vermeld. De enige mogelijkheid die voor belanghebbende overblijft op basis van artikel 29 van de Verordening 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, en de voorschriften van de bevoegde autoriteit, is dat belanghebbende de ruim 1.500 kilogram biologische theezakjes ter waarde van € 125.000 vernietigt. Dit conflicteert met Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen en de EU Green Deal Package. In artikel 4 van voormelde richtlijn is bepaald dat wetgeving slechts mag leiden tot vernietiging als laatste redmiddel. Deze conflicterende regelgeving vereist daarom des te meer dat moet worden toegestaan dat de aangifte kan worden gewijzigd, aldus belanghebbende.

27. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Het feit dat belanghebbende zich genoodzaakt ziet om de goederen te vernietigen, is het gevolg van het feit dat de thee is verpakt als consumentenproduct en is niet het gevolg van conflicterende regelgeving.

28. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep op het doeltreffendheidsbeginsel niet kan slagen omdat de tekst van artikel 173, derde lid, van het DWU en de uitleg daarover in de jurisprudentie (het Zes Zollner-arrest) duidelijk zijn. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover is overwogen onder punten 12 en 13. De rechtbank ziet daarom ook geen reden voor het stellen van prejudiciële vragen over de reikwijdte van artikel 173, derde lid, van het DWU.


29. Belanghebbende doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en voert aan dat in de meerderheid van vergelijkbare gevallen een wijziging van een materiële fout door een menselijke vergissing met betrekking tot een COI-certificaat wel werd toegestaan door de Douane. In de eerste vergelijkbare situatie stond op het COI-certificaat slechts een bill of lading genoemd terwijl er twee bills of lading van toepassing waren. Daarnaast zijn de goederen niet naar de eerst geadresseerde vervoerd, maar direct naar een andere loods. SKAL heeft hierbij achteraf toestemming gegeven om de goederen als biologisch aan te geven. In de tweede vergelijkbare situatie was de aangifte reeds aanvaard en waren de goederen reeds vrijgegeven als niet-biologisch onder bescheidcode Y929. De goederen stonden nog verzegeld in containers. SKAL heeft hierbij aangegeven dat het COI-certificaat achteraf nog is geviseerd en dat de goederen als biologisch vermeld konden worden, ondanks de bescheidcode Y929. Door een dergelijke wijziging in het geval van belanghebbende niet toe te staan, behandelt de douane gelijke gevallen ongelijk.

30. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van gevallen die gelijk zijn aan de casus van belanghebbende. Immers, in het eerste geval is niet duidelijk hoe de goederen zijn aangegeven in de aangifte en of de goederen ten tijde van de mailwisseling al waren vrijgegeven. In het tweede geval lagen de goederen in de opslag zoals op de aangifte is vermeld, was sprake van verzegeling en waren de goederen beschikbaar zodat aannemelijk is dat de controle nog niet onderbroken was, terwijl de goederen van belanghebbende al waren weggevoerd van de locatie die in de invoeraangifte is vermeld, was de verzegeling verbroken en was de controle geëindigd. Dat de goederen, zoals belanghebbende aangeeft, feitelijk nog wel beschikbaar zijn omdat ze in de loods van het bedrijf van belanghebbende liggen opgeslagen, fysiek en administratief afgescheiden van de andere goederen, doet aan het voorgaande niet af.


Slotsom

31. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder het verzoek van belanghebbende om wijziging van een aangifte ten invoer voor het in het vrije verkeer brengen, terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.


Proceskosten

32. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, voorzitter, en mr. S.K.A. Efstratiades en mr. E.M.R. Vennekens, leden in aanwezigheid van E.P. van der Zalm, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.






griffier voorzitter




Een afschrift van de uitspraak is verzonden op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Hof van Justitie 30 april 2025, C-330/24, ECLI:EU:C:2025:296.


Uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:11127, en 7 augustus 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8596.


Hof van Justitie 8 juni 2023 (SC Zes Zollner Electronic SRL), C-640/21, ECLI:EU:C:2023:457.


Hof van Justitie 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:574.


Hof van Justitie 10 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:587.


Vergelijk Rechtbank Noord-Holland 22 november 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:12829.


Vergelijk Rechtbank Noord-Holland 22 november 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:12829.
Link naar deze uitspraak