|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:11355 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | C/03/354185/KG ZA 26-280 | | Rechtsgebied | : | Goederenrecht | | Indicatie | : | In deze zaak draait het om de vraag of de Provincie in strijd handelt met de regels uit de Didam-arresten door een voorgenomen verkoop van ruim dertig percelen aan GEC. De Provincie en GEC stellen dat GEC als enige serieuze gegadigde kan worden aangemerkt en dat de Provincie daarom geen openbare selectieprocedure hoeft te organiseren. Eiseres is het daar niet mee eens en zij vordert een verbod om de percelen aan GEC te verkopen en dat de Provincie alsnog een openbare selectieprocedure organiseert. De voorzieningenrechter is van oordeel dat GEC de enige serieuze gegadigde is en wijst de vorderingen van eiseres af. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | glastuinbouw | | | glastuinbouwbedrijf | | | subsidies | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/354185 / KG ZA 26-280
Vonnis in kort geding van 19 oktober 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
gevestigd te [plaats] , gemeente Horst aan de Maas,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. R. Ligtvoet,
tegen
PROVINCIE LIMBURG,
zetelend te Maastricht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Provincie,
advocaten: mr. S. Elvertsen en mr. N. Boulhrir,
en
GRONDEXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ CALIFORNIË B.V.,
gevestigd te Horst aan de Maas,
tussenkomende partij,hierna te noemen: GEC,
advocaten: mr. J.W.M. Hagelaars en mr. W. van Leeuwen.
1Inleiding
In deze zaak draait het om de vraag of de Provincie in strijd handelt met de regels uit de Didam-arresten door een voorgenomen verkoop van ruim dertig percelen aan GEC. De Provincie en GEC stellen dat GEC als enige serieuze gegadigde kan worden aangemerkt en dat de Provincie daarom geen openbare selectieprocedure hoeft te organiseren. [eisende partij] is het daar niet mee eens en zij vordert een verbod om de percelen aan GEC te verkopen en dat de Provincie alsnog een openbare selectieprocedure organiseert.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beslissing van de voorzieningenrechter op het incident tot tussenkomst door GEC van 9 september 2026, welke beslissing door de voorzieningenrechter is herhaald en bevestigd tijdens de mondelinge behandeling van 5 oktober 2026,
- de conclusie van antwoord met producties 2 tot en met 12 van GEC
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7 van de Provincie- de mondelinge behandeling van 5 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. - de pleitnota van [eisende partij]
3De feiten
In het kort: de publiekrechtelijke plannen en de rol van GEC daarin.
3.1.
Het gebied Californië, gelegen in Noord-Limburg, is een van de tien te ontwikkelen glastuinbouwconcentraties in Nederland, waarbij oog is voor duurzaamheid (bedrijfseconomisch en op het gebied van milieu). Californië maakt deel uit van een grotere gebiedsontwikkeling, te weten de “Klavertje 4”-ontwikkeling. Om alles te kunnen realiseren is in 2009 een Masterplan Gebiedsontwikkeling Klavertje 4 / Greenport Venlo opgesteld in opdracht van diverse publieke en private rechtspersonen en zijn de plannen verder uitgewerkt in de (intergemeentelijke) Structuurvisie Klavertje 4-gebied, die in overleg met onder andere de Provincie door de gemeenteraden van Horst aan de Maas, Peel en Maas en Venlo is vastgesteld op 11 september 2012. Het inmiddels onherroepelijk vastgestelde Provinciale Inpassingsplan en de gemeentelijke Bestemmingsplannen maken de realisatie van het plan Californië mogelijk.
3.2.
GEC heeft haar bestaan te danken aan deze (planologische) plannen. In de (intergemeentelijke) Structuurvisie Klavertje 4-gebied, die in overleg met onder andere de Provincie door de gemeenteraden van Horst aan de Maas, Peel en Maas en Venlo is vastgesteld op 11 september 2012 staat hierover:
"
Een ontwikkelbedrijf als centraal uitvoeringsorgaan
De gemeenten Horst aan de Maas, Peel en Maas, Venlo en de Provincie Limburg staan gezamenlijk aan de lat om de beoogde ruimtelijk-economische structuurversterking te realiseren. De fysieke verankering van deze ambitie vindt plaats in het Klavertje 4-gebied door het accommoderen van nieuwe bedrijvigheid en het realiseren van een internationaal wervend, duurzaam, innovatief en marktgeoriënteerd vestigingsmilieu. Zoals afgesproken in het Strategisch Businessplan, hebben de drie gemeenten en de Provincie gezamenlijk een ontwikkelbedrijf opgericht, waarvan zij aandeelhouder zijn. De NV/CV Werklandschapsontwikkelingsmaatschappij Klavertje 4 (vanaf nu ontwikkelbedrijf) heeft de opgave om het Masterplan (2009) voor de gebiedsontwikkeling in het Klavertje 4-gebied te realiseren. Het ontwikkelbedrijf hanteert een overkoepelende business case voor het gehele Klavertje 4-gebied. Hierdoor is verevening tussen kosten en baten gebiedsbreed mogelijk.
3.3.
De betrokken overheden hebben B.V. Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo opgericht
(hierna: het Ontwikkelbedrijf). Dit ontwikkelbedrijf was verantwoordelijk voor de
realisering van het "Klavertje 4" gebied. Voor het gebied California heeft dit geleid tot de oprichting van GEC. In het (onherroepelijk vastgestelde) Bestemmingsplan Californië 2 staat hierover voor zover relevant:
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Om de ontwikkeling van het hoogwaardige agrofood- en glastuinbouwgebied mogelijk te maken, is de Grondexploitatiemaatschappij Californië BV opgericht. (…) Het doel van dit bedrijf is de aan- en verkoop van grond in de projectvestiging Californië. (…) De grondexploitatiemaatschappij is een onafhankelijke juridische entiteit die tot doel heeft de realisatie van het gebied. De grondexploitatiemaatschappij Californië BV is verantwoordelijk voor de organisatie en de financiële afwikkeling van de realisatie van het bestemmingsplan van Californië 2. Deze maatschappij zal dus zelfstandig zorg moeten dragen voor de acquisitie van bedrijven, de optimalisatie van het plan, het aanvragen van subsidies et cetera. Zij is dus volledig verantwoordelijk voor de financieel economische haalbaarheid. Daartoe is een grondexploitatie opgesteld waaruit blijkt dat het plan financieel-economisch haalbaar is.
3.4.
De Provincie, het ministerie van Economische Zaken, Limburgse Land- en Tuinbouwbond, Stichting Versterking Tuinbouwcluster Greenport Venlo, gemeente Venray, gemeente Horst aan de Maas en gemeente Venlo zijn (in)direct aandeelhouders van GEC. GEC is dus een publiek-private samenwerking waarbinnen Californië wordt ontwikkeld conform de doelstellingen uit de Structuurvisie en het Masterplan Gebiedsontwikkeling Klavertje 4/Greenport Venlo. Californië I is inmiddels gerealiseerd.
3.5.
De onderhavige percelen liggen in het gebied Californië II, maar betreffen niet alle percelen binnen Californië II. Om Californië II te kunnen realiseren moeten nog meerdere gronden worden verworven van andere overheden en derden, waartoe inmiddels ook reeds een onteigeningsbeschikking in voorbereiding is. Ook was een aantal percelen binnen Californië II al eigendom van GEC.
De (private) plannen van [eisende partij]
3.6.
[eisende partij] is onderdeel van een bredere groep bedrijven van [persoon 1] en [persoon 2] met de naam “ [bedrijf] ”. Dit is een internationaal opererende onderneming in aardbeienteelt. Gelet op de omvang van de onderneming, de hoofdvestiging in [plaats] alwaar zich belangrijke bedrijfsvoorzieningen bevinden, de voorziene uitbreiding van de productiecapaciteit en werknemershuisvesting heeft [eisende partij] behoefte aan extra ontwikkellocaties die zij kan inrichten met glastuinbouw, huisvesting voor werknemers, koel- en vries faciliteiten, verwerkingsruimten, opslagvoorzieningen voor machines en materieel. Dat is de reden waarom zij op zoek is naar grond om haar bedrijf uit te breiden.
De aanleiding van deze procedure
3.7.
De Provincie heeft op 24 juni 2026 in het Provinciaal Blad kennisgegeven van een voornemen tot verkoop aan GEC van 34 percelen grond van in totaal bijna 63 hectare groot binnen het gebied Californië II (hierna de kennisgeving).
3.8.
Voormelde kennisgeving luidt - voor zover relevant - als volgt:
“Gedeputeerde Staten van Limburg maken bekend dat de Provincie Limburg voornemens is om 20 dagen na de datum van deze publicatie of daarna te verkopen en te leveren aan Grondexploitatiemaatschappij Californië B. V. (gevestigd te Horst aan de Maas) de volgende percelen:
(…)
Grondexploitatiemaatschappij Californië B.V. (hierna: Californië B.V.) en de Provincie Limburg zijn op 9 december 2011 de "Overeenkomst inzake de verwerving van gronden ten behoeve van de realisatie van Californië II (Klaver 12), onderdeel van gebiedsontwikkeling Klavertje4/Greenport Venlo" (hierna: overeenkomst) aangegaan. In deze overeenkomst is vastgelegd welke gronden tegen welke voorwaarden door (het voormalig Grondbedrijf van) de Provincie Limburg worden aangekocht en tegen welke eveneens gelijkwaardige voorwaarden de Provincie Limburg deze gronden verstrekt aan Californië B.V. In het kader van deze overeenkomst heeft de Provincie Limburg bovengenoemde percelen op verzoek van Californië B.V in de loop van de tijd verworven of gaat deze op korte termijn van Californië B.V. aankopen. Zodra Californië B.V. een koper heeft gevonden en de gronden wenst af te nemen, zal de Provincie Limburg de gronden (al dan niet in delen) aan Californië B.V. leveren. Op deze manier kan een integrale gebiedsontwikkeling worden gerealiseerd. Californië B.V. maakt de gronden bouwrijp, hiertoe hebben zij reeds investeringen gedaan.
De Provincie Limburg meent dat vaststaat dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria Californië B.V. als enige serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop van de bovengenoemde percelen. Bovengenoemde gronden maken onderdeel uit van de afspraken uit de overeenkomst.
De Provincie heeft bovengenoemde percelen enkel aangekocht (of gaat deze enkel aankopen) op verzoek van en op basis van afspraken met Californië B.V. (conform de overeenkomst) met als doel om de grond(terug) te verkopen aan Californië B.V. ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Californië II. De Provincie Limburg ziet geen gronden om de gemaakte afspraken niet na te komen zodra Californië de levering inroept. Ingeval van niet nakoming zouden de belangen van de Provincie Limburg en de belangen van Californië B.V. bovendien worden geschaad.
De Provincie Limburg is voornemens 20 dagen na de datum van deze publicatie (of later) over te gaan tot het verkopen en leveren van gronden aan Californië B.V. Andere partijen die op basis van bovenstaande criteria menen als serieuze gegadigde in aanmerking te komen, dienen binnen 20 dagen na datum van deze publicatie een kort geding procedure aanhangig te maken bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg op straffe van verval van recht. Dit betreft een vervaltermijn. Na deze termijn kan niet meer in rechte worden opgekomen tegen het verkopen en leveren van de gronden aan Californië
B.V. Vooruitlopend daarop wordt u verzocht de Provincie Limburg over het kort geding te informeren door het versturen van een e-mail aan (…) onder vermelding van: 'Kortgeding procedure gronden Horst aan de Maas'.”
3.9.
[eisende partij] wil ook in aanmerking komen om de percelen van de Provincie te kopen, reden waarom zij zich tot de Provincie heeft gewend. Tussen partijen, waaronder ook de tussenkomende partij GEC, is gecorrespondeerd. De Provincie en GEC hebben aan [eisende partij] nader toegelicht waarom volgens hen alleen GEC als serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de verwerving van de percelen. Partijen zijn buiten rechte echter niet tot een oplossing van hun geschil gekomen.
4Het geschil
4.1.
[eisende partij] vordert samengevat:
I de Provincie te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen tot vervreemding en levering van de percelen die zijn genoemd in de kennisgeving in het Provinciaal Blad van de provincie Limburg van 24 juni 2026 met nummer 10623 aan GEC;
II. de Provincie te gebieden om, voor zover zij nog tot verkoop of een andere wijze van
vervreemding van de percelen die zijn genoemd in de kennisgeving in het Provinciaal Blad van de provincie Limburg van 24 juni 2026 met nummer 10623 wil overgaan, een (openbare) selectieprocedure te organiseren zoals bedoeld in het Didam-arrest van de Hoge Raad;
III. de Provincie te veroordelen tot betaling van een dwangsom indien zij met de nakoming van het onder I en II genoemde in gebreke blijft,
IV. de proceskosten, waaronder de nakosten en rente.
4.2.
De Provincie en GEC voeren verweer tegen de vorderingen van [eisende partij] .
4.3.
GEC vordert als tussenkomende partij na vermindering van eis samengevat:
I de vorderingen van [eisende partij] af te wijzen,
II. de Provincie te gebieden om uitvoering te geven aan het door haar
gepubliceerde voornemen van 24 juni 2026 — met uitzondering van de percelen
kadastraal bekend als gemeente Horst, [perceel 1] en [perceel 2] — door
de in de publicatie opgenomen gronden te verkopen en te leveren aan GEC
III de proceskosten, waaronder de nakosten en rente.
4.4.
[eisende partij] en de Provincie voeren verweer tegen de vorderingen van GEC.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Het (spoedeisend) belang
5.1.
Het gaat hier om in kort geding (door [eisende partij] en GEC) gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] en GEC daarbij een (spoedeisend) belang hebben.
5.2.
Gelet op de aard van de vorderingen (het tegenhouden van een voorgenomen verkoop) is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eisende partij] een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dat wordt door geen van partijen betwist.
5.3.
GEC heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen (spoedeisend) belang bij haar vorderingen. De vordering tot afwijzen van de vorderingen van [eisende partij] jegens de Provincie is geen zelfstandige vordering maar een verweer in de (hoofd)procedure tussen [eisende partij] en de Provincie, zodat de voorzieningenrechter deze niet als vordering aanmerkt en ook niet als zodanig zal beoordelen. Het onder II door GEC gevorderde gebod is gericht aan de Provincie, terwijl tussen GEC en de Provincie niet in geschil is dat laatstgenoemde voornemens is om de in de kennisgeving genoemde gronden aan GEC te verkopen en te leveren. Gelet daarop dient de vordering van GEC wegens een gebrek aan belang te worden afgewezen.
Het juridisch kader
5.4.
In deze zaak gaat het om de vraag of de Provincie, gelet op de Didam-arresten, ten aanzien van de (voorgenomen) verkoop van gronden aan GEC kon volstaan met de kennisgeving van 24 juni 2026 of dat zij aan [eisende partij] als potentiële gegadigde de gelegenheid (had) moet(en) bieden om middels een openbare selectieprocedure mee te dingen naar de verwerving van de percelen.
De Didam-regels
5.5.
In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat op grond van artikel 3:14 BW een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot die regels behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een overheidslichaam moet bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten, zoals de verkoop van een aan hem toebehorende onroerende zaak, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Op dit punt verschilt de positie van een overheidslichaam van die van een private partij.
5.6.
De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeit dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn.
5.7.
Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen, aldus de Hoge Raad.
5.8.
Ten slotte heeft de Hoge Raad een uitzondering op de hiervoor omschreven hoofdregel geformuleerd. De door middel van een selectieprocedure beoogde mededingingsruimte hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat dat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt.
5.9.
Kernvraag in deze procedure is - kort gezegd - of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de Provincie GEC als enige serieuze gegadigde mocht aanmerken en dus geen openbare selectieprocedure hoefde te organiseren.
Het standpunt van [eisende partij]
5.10.
Volgens [eisende partij] zijn de percelen die de Provincie aan GEC wil verkopen geschikt als nieuwe ontwikkellocatie voor [eisende partij] . [eisende partij] meent dat de Provincie GEC niet als enige serieuze gegadigde heeft mogen aanmerken. Volgens [eisende partij] bevat de kennisgeving geen objectieve, toetsbare en redelijke criteria en maakt de kennisgeving niet duidelijk waarom GEC op grond van dergelijke criteria de enige serieuze gegadigde zou zijn.
5.11.
Hoewel de Provincie verwijst naar een met GEC gesloten overeenkomst in 2011 stelt [eisende partij] dat overheden zich ook in 2011 moesten houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Dat betekent dat het hen ook destijds in beginsel niet vrijstond om onroerende zaken één op één te verkopen zonder daarvoor een openbare selectieprocedure te houden. De Didam-regels bestaan om een-tweetjes te voorkomen. De kennisgeving voldoet niet aan de Didam-vereisten. Weliswaar is de overeenkomst uit 2011 genoemd als reden dat GEC de enige serieuze kandidaat is en stelt de Provincie dat zij deze afspraken moet nakomen, maar [eisende partij] stelt dat dit geen objectieve toetsbare en redelijke criteria zijn. Daarnaast wijst [eisende partij] erop dat de inhoud van de overeenkomst haar niet bekend was ten tijde van het opstellen van de dagvaarding. Dat het niet nakomen van een overeenkomst gevolgen heeft waarbij de Provincie en GEC in hun belangen worden geschaad is volgens [eisende partij] geen valide argument om de Didam-regels aan de kant te mogen schuiven.
Het standpunt van de Provincie
5.12.
[eisende partij] kon in 2011 niet en in 2026 niet worden aangemerkt als (potentiële) gegadigde voor de gronden (in tegenstelling tot GEC), zodat [eisende partij] zich om die reden niet kan beroepen op eventuele schending van Didamregels. In 2011 waren redelijkerwijs ook geen andere gegadigden te verwachten, zodat op de Provincie geen verplichting rustte tot het bieden van mededingingsruimte.
5.13.
Op 9 december 2011 is met GEC een “overeenkomst inzake de verwerving van gronden ten behoeve van de realisatie van Californië II (klaver 12), onderdeel van klavertje 4/greenport Venlo” aangegaan. In deze overeenkomst staan de voorwaarden vermeld waaronder de percelen door (het voormalig grondbedrijf van) de provincie worden aangekocht en tegen welke (gelijkwaardige) voorwaarden de Provincie de percelen (al dan niet in delen) (door)verkoopt aan GEC. De bedoeling is dat GEC daarna de percelen op haar beurt weer (door)verkoopt aan derden, om zo een “integrale gebiedsontwikkeling” te realiseren. GEC maakt de percelen bouwrijp en heeft reeds diverse investeringen gedaan.
Gelet hierop is de Provincie op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde. Niet nakoming betekent dat zowel Provincie als GEC in hun belangen worden geschaad.
Het standpunt van GEC
5.14.
In 2011 heeft de Provincie – hoewel de Didam-arresten toen nog niet waren gewezen – aan haar Didam-verplichtingen voldaan. [eisende partij] bestond toen nog niet en kan dus alleen om die reden al niet worden aangemerkt als gegadigde voor die overeenkomst. GEC was toentertijd de enige serieuze gegadigde, zodat de overeenkomst rechtmatig is. Zelfs in de hypothetische situatie dat de overeenkomst in strijd met de Didam-regels is gesloten, dan verzet het Didam-arrest zich tegen het door [eisende partij] gevorderde verbod.
Indien de situatie in 2026 als toetsmoment heeft te gelden, dan leidt dat wederom tot de conclusie dat de Provincie terecht tot de conclusie komt dat GEC de enige serieuze gegadigde is. De Provincie heeft daar de volgende vijf objectieve, toetsbare en redelijke criteria voor vastgesteld en benoemd in de kennisgeving van 24 juni 2026:
de gronden zijn op basis van een tussen partijen gesloten overeenkomst op verzoek van GEC verworven;
met het uitgeven van de gronden aan GEC wordt een integrale gebiedsontwikkeling gerealiseerd;
GEC maakt de gronden bouwrijp,
GEC heeft reeds aanzienlijke investeringen gedaan;
niet-nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst schaadt de
belangen van de Provincie en GEC.
5.15.
Naar aanleiding van de in 2011 gesloten overeenkomst heeft GEC onder andere voor haar rekening en risico bestemmingsplannen (met de bijbehorende onderzoeken) laten opstellen, die uiteindelijk door de gemeenteraad van Horst aan de Maas zijn vastgesteld, een natuurvergunning en watervergunningen aangevraagd, afspraken gemaakt met buurtbewoners over de realisering van het project en grondaankopen in het gebied gedaan. Californië l is inmiddels in het geheel door GEC uitgegeven aan glastuinbouwbedrijven. Ook voor Californië 2 heeft GEC al een definitieve overeenkomst gesloten met een glastuinbouwbedrijf (Vereijken Projects B.V., hierna Vereijken) dat zich ter plaatse zal vestigen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
5.16.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in deze zaak niet gaat over de overeenkomst die GEC met Vereijken heeft gesloten. Het gaat enkel over de rechtsverhoudingen tussen de partijen in deze zaak. Dat is ook de reden dat de voorzieningenrechter voorbij gaat aan de opmerking van [eisende partij] tijdens de zitting dat zij dezelfde positie heeft als Vereijken en dat voor haar niet duidelijk is waarom Vereijken de gronden binnen Californië II wel kan kopen en [eisende partij] niet. Het gaat hier immers om een voorgenomen verkoop in de verhouding tussen de provincie en GEC, dat wil zeggen: om een transactie waarin GEC fungeert als kopende partij en niet - zoals bij Vereijken - als verkopende partij.
5.17.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Provincie en GEC voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de bodemrechter zal oordelen dat GEC in redelijkheid als de enige serieuze gegadigde mocht worden aangemerkt, reden waarom de Provincie dus geen openbare selectieprocedure hoeft te organiseren. Dat heeft de Provincie, zij het summier, ook uitgelegd in de kennisgeving. Uit de kennisgeving volgt dat er in 2011 tussen de Provincie en GEC een overeenkomst is gesloten die betrekking heeft op het verwerven van gronden ten behoeve van het plan Californië II dat onderdeel is van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4/Greenport Venlo. De gronden waar het nu om gaat zijn conform de afspraken in die overeenkomst op verzoek van GEC door de Provincie verworven en belangrijk is dat met het uitgeven van de gronden aan GEC een integrale gebiedsontwikkeling wordt gerealiseerd. Daartoe heeft GEC reeds investeringen gedaan en de verplichting op zich genomen de gronden bouwrijp te maken. Een verbod zou ertoe leiden dat de overeenkomst uit 2011 niet kan worden nagekomen en de belangen van de Provincie en GEC worden geschaad.
5.18.
Zoals voorafgaand aan en tijdens de zitting toegelicht – en niet door [eisende partij] weersproken – is GEC opgericht om een publiek belang te dienen, namelijk het realiseren van Californië II. Planologisch is de ontwikkeling van Californië mede dankzij het bestaan van GEC mogelijk gemaakt. De afspraken die de Provincie en GEC hebben gemaakt over aankoop en levering van de gronden binnen het gebied Californië II hebben tot doel de financiering voor GEC van de aankoop van de gronden en daarmee het ontwikkelen van de gronden mogelijk te maken. Feitelijk is het grotendeels een financieringsovereenkomst om het realiseren van een publiek doel (het plan Californië II) mogelijk te maken. Indien de gronden binnen het gebied Californië II aan andere gegadigden dan GEC zouden worden uitgegeven, dan wordt daarmee niet alleen de financieringsconstructie van Californië II doorkruist, ook komt daarmee het realiseren van het publieke doel - want de financiering daarvan - in gevaar. Andere gegadigden beschikken namelijk niet over dezelfde grondpositie als GEC en niet over de voor het plan benodigde vergunningen, waarvoor GEC de afgelopen jaren reeds investeringen heeft gedaan. Evenmin rusten op andere gegadigden de uit hoofde van de anterieure overeenkomst op GEC rustende financiële verplichtingen en risico’s (welke GEC draagt teneinde te komen tot een haalbare projectfinanciering). Anders gezegd: GEC is een projectvehikel waarvan het bestaan en het functioneren is gericht op de feitelijke uitvoering en de financiering van de realisatie van Californië II, welk doel en welke verplichting zijn vastgelegd in de anterieure overeenkomst. De aldus vormgegeven specifieke vorm van uitvoering van het plan is een redelijk criterium (in de zin van de Didam-arresten) om de gronden met voorrang aan GEC uit te geven. De positie van [eisende partij] is daarmee niet gelijkwaardig aan die van GEC.
5.19.
Deze redenen zijn objectief, toetsbaar en redelijk en de beslissing is voldoende gemotiveerd in de kennisgeving. Daaraan doet niet af dat de kennisgeving niet een opsomming van een aantal criteria bevat. Dat hoeft ook niet in die zin. Als de Provincie maar goed en toetsbaar uitlegt dat er slechts één serieuze gegadigde is. De ratio van de Didam-regels is immers dat (derde) belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om na te gaan waarom het overheidslichaam van plan is de onroerende zaken aan een bepaald bedrijf te verkopen in plaats van een openbare selectieprocedure te organiseren en om tegen dat voornemen op te kunnen komen als die redenen volgens die derden de toets der kritiek van het Didam-arrest niet kunnen doorstaan. Die gelegenheid is hier wel degelijk geboden. De uitleg in de kennisgeving is voldoende duidelijk en [eisende partij] is ook in staat gebleken haar bezwaren tegen het voornemen van de Provincie in dit kort geding naar voren te brengen.
5.20.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eisende partij] moeten worden afgewezen.
De proceskosten
5.21.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de Provincie betalen. De proceskosten van de Provincie worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.23.
Ook GEC is als tussenkomende partij in het ongelijk gesteld en moet om die reden de proceskosten van [eisende partij] en de Provincie betalen. De proceskosten aan de zijde van [eisende partij] en de Provincie worden begroot op nihil.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
6.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van de Provincie van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
wijst de vorderingen van GEC af,
6.5.
veroordeelt GEC in de proceskosten aan de Provincie en [eisende partij] , begroot op nihil,
6.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.
HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778. Zie ook het 2e Didam-arrest HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661
Inmiddels is gebleken dat percelen met nummers [perceel 1] en [perceel 2] (die onderdeel uitmaken van de opsomming van percelen in de kennisgeving) geen eigendom meer zijn van de Provincie, noch van GEC, maar dat is voor de eindbeslissing in dit vonnis niet relevant.
ECLI:NL:HR:2021:1778, rov. 3.1.3 tot en met 3.1.6.
Gerechtshof Den Haag, 18 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:476 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|