|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:10397 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 26/3394 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Verzoek om voorlopige voorziening lasten onder dwangsom. Verzoek toegewezen. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | ammoniak | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | stalsysteem | | | veehouderij | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: 26/3394
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit [plaats], verzoekster,
(gemachtigde: mr. K.M. Peters en mr. L.W.M. Oor),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, het college.
Procesverloop
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 27 mei 2026, over het opleggen van lasten onder dwangsom aan verzoekster voor verschillende overtredingen. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 26 juni 2026 verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 10 juli 2026 doorgestuurd naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). De rechtbank was van oordeel dat de Afdeling bevoegd was om kennis te nemen van het beroep en verzoek om voorlopige voorziening. De last onder dwangsom was namelijk onder andere opgelegd vanwege strijd met de Wet bodembescherming (Wbb).
De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft op 28 augustus 2026 uitspraak gedaan. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit splitsbaar is. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft zich uitsluitend bevoegd geacht kennis te nemen van het verzoek voor zover dat betrekking heeft op de overtreding van de Wbb. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek voor zover dat betrekking heeft op de overige overtredingen. Die voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit en een last onder dwangsom geschorst, namelijk de last onder dwangsom die is opgelegd vanwege de overtreding van de Wbb. De Afdeling heeft het verzoek en beroep op 31 augustus 2026 teruggestuurd naar de rechtbank, voor zover het betrekking heeft op de overige overtredingen waarvoor lasten onder dwangsom zijn opgelegd.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekster waren haar gemachtigden, [persoon 1] en [persoon 2] aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 3] en [persoon 4].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De feiten
1.1.
Verzoekster exploiteert een vleeskalveren- en akkerbouwbedrijf aan [adres] (hierna: het perceel). De inrichting van verzoekster werd onder oud recht aangemerkt als type C-inrichting: een inrichting die nadelige gevolgen kan veroorzaken voor het milieu en als vergunningplichtig was aangewezen.
1.2.
Op 6 februari 2018 heeft het college aan verzoekster een omgevingsvergunning (hierna: omgevingsvergunning 2018) verleend voor:
- het bouwen van een bouwwerk op het perceel, namelijk stal 2;
- het wijzigen van de inrichting, namelijk het houden van 878 vleeskalveren tot 8 maanden (A4.100) in stal 1 (traditioneel huisvestingssysteem) en het houden van 1.200 vleeskalveren tot 8 maanden in stal 2 (mechanisch geventileerde stal met een chemisch luchtwassysteem met 95% emissiereductie;
- aangehaakt aan de omgevingsvergunning was ook een natuurvergunning verleend op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Op 13 oktober 2017 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: GS) een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
1.3.
Op 20 februari 2023, 22 augustus 2023, 28 augustus 2023 en 31 augustus 2023 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna: OMWB) controles uitgevoerd op het perceel.
1.4.
Het college heeft in een brief van 4 december 2023 aan verzoekster medegedeeld voornemens te zijn lasten onder dwangsom op te leggen aan verzoekster. Verzoekster heeft op 24 december 2023 een zienswijze ingediend.
1.5.
Op 25 maart 2024 en 9 oktober 2024 hebben toezichthouders van de OMWB opnieuw controles uitgevoerd op het perceel.
1.6.
Het college heeft bij besluit van 5 november 2024 (primair besluit I) aan verzoekster lasten onder dwangsom opgelegd, vanwege de volgende overtredingen:
het niet in werking hebben van de inrichting conform de omgevingsvergunning 2018. Dit is volgens het college een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 5.000,- per week dat de overtreding niet is beëindigd en/of beëindigd wordt gehouden, met een maximum van € 50.000,- (hierna: last 1 en overtreding 1);
het in werking hebben van de inrichting in afwijking van de omgevingsvergunning 2018, voor zover die was verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Dit is volgens het college een overtreding van diezelfde bepaling. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 5.000,- per week dat de overtreding niet is beëindigd en/of beëindigd wordt gehouden, met een maximum van € 50.000,- (hierna: last 2 en overtreding 2);
het handelen in strijd met voorschrift 1.1.2 van de omgevingsvergunning 2018, waarin staat dat verzoekster zorg dient te dragen voor een goede staat van onderhoud van het buitenterrein van de inrichting. Dit is volgens het college een overtreding van artikel 2.3, onder b, van de Wabo. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 1.000,- per constatering dat de overtreding niet is beëindigd en/of beëindigd is gehouden, met een maximum van € 5.000,- (hierna: last 3 en overtreding 3);
het niet opvangen van afstromend water, afkomstig van een kuilvoeropslag. Dit is volgens het college een overtreding van artikel 3.48 en 3.65 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 1.000,- per constatering dat de overtreding niet is beëindigd en/of beëindigd is gehouden, met een maximum van € 5.000,- (hierna: last 4 en overtreding 4);
het lozen van afvalwater op een op het terrein gelegen sloot. Dit is volgens het college een overtreding van artikel 2.2, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 5.000,- per constatering dat de overtreding niet is beëindigd en/of beëindigd is gehouden, met een maximum van € 50.000,- (hierna: last 5 en overtreding 5);
het lozen van met veevoer verontreinigd afvalwater op de bodem. Dit is volgens het college een overtreding van artikel 13 van de Wbb. Het college heeft daar o.a. een dwangsom aan verbonden van € 25.000,- per week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 125.000,- (hierna: last 6 en overtreding 6).
1.7.
Verzoekster heeft daar op 15 november 2024 bezwaar tegen gemaakt.
1.8.
Op 16 september 2025 en 8 oktober 2025 hebben toezichthouders van de OMWB opnieuw controles uitgevoerd op het perceel.
1.9.
Bij besluit van 18 december 2025 (primair besluit II) heeft het college primair besluit I gewijzigd.
1.10.
Verzoekster heeft daar op 31 december 2025 bezwaar tegen gemaakt.
1.11.
Op 29 januari 2026 hebben toezichthouders van de OMWB opnieuw een controle uitgevoerd op het perceel.
1.12.
Bij bestreden besluit heeft het college de bezwaarschriften gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
1.13.
Verzoekster heeft daar op 15 juni 2026 beroep tegen ingesteld en heeft de voorzieningenrechter op 26 juni 2026 verzocht om een voorlopige voorziening.
1.14.
Uit een e-mailbericht van het college van 8 september 2026 blijkt dat het college de begunstigingstermijnen heeft verlengd tot uitspraak is gedaan op het volledige verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
2. Het wettelijk kader
2.1.
Het bestreden besluit is onder andere gebaseerd op de Wabo en het Activiteitenbesluit. Die zijn vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024. Uit artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Ow blijkt dat het oude recht van toepassing blijft op een bestuurlijke sanctie die voor de inwerkingtreding van de Ow is opgelegd voor een overtreding van het oude recht die voor de inwerkingtreding van de Ow heeft plaatsgevonden. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat dit op grond van artikel 4.5 van de Invoeringswet Ow ook geldt wanneer de bestuurlijke sanctie ná 1 januari 2024 is opgelegd, maar wanneer al vóór 1 januari 2024 toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft vóór 1 januari 2024 – namelijk op 4 december 2023 – toepassing gegeven aan die bepaling. Op die dag heeft het college per brief aan verzoekster medegedeeld voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen én heeft het college verzoekster in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Gelet daarop is het oude recht op het bestreden besluit van toepassing.
2.2.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. Omvang van het geding en spoedeisend belang
3.1.
De omvang van het geding en de beoordeling van de voorzieningenrechter is beperkt tot de lasten onder dwangsom, voor zover die zien op overtreding 1 en overtreding 2. De voorzieningenrechter licht dat hierna toe.
3.2.
De Afdeling heeft het bestreden besluit en de last onder dwangsom die is opgelegd vanwege overtreding 6 met de uitspraak van 28 augustus 2026 geschorst.
3.3.
Ter zitting heeft het college verklaard dat de lasten onder dwangsom als ingetrokken kunnen worden beschouwd, voor zover opgelegd voor overtreding 3 en overtreding 5. Volgens het college zijn die overtredingen inmiddels beëindigd. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat dit door het college nog op schrift wordt gesteld. Verzoekster heeft op zitting verklaard dat het beroep en het verzoek ook als ingetrokken kan worden beschouwd, voorzover dat betrekking heeft op overtredingen 3 en 5.
3.4.
Daarnaast heeft het college ter zitting de begunstigingstermijn ten aanzien van last 4 verlengd tot de uitspraak in beroep. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de uitspraak in beroep niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen. Gelet op de verlenging van de begunstigingstermijn tot de uitspraak in beroep heeft verzoekster geen spoedeisend belang meer bij een voorlopige voorziening ten aanzien van last 4.
3.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster wél een spoedeisend belang bij haar verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van last 1 en last 2. Aan verzoekster zijn lasten onder dwangsom opgelegd, met een begunstigingstermijn die door het college voor last 1 en last 2 slechts is verlengd tot het moment van de uitspraak van de voorzieningenrechter.
4. De gronden
4.1.
Verzoekster heeft aangevoerd dat het college de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd ten aanzien van overtreding 1. Volgens verzoekster is de geconstateerde overtreding in 2024 beëindigd. Aanvankelijk betrof de last het in stand houden en gebruiken van de oude stal. Die overtreding is in 2024 beëindigd, doordat de oude stal is gesloopt en er is gestart met nieuwbouw van een stal conform de omgevingsvergunning milieu. Ondanks deze gewijzigde situatie, wordt in primair besluit II uitgegaan van het voortduren van deze overtreding. Last 1 wordt in primair besluit II gekoppeld aan het in afwijking van de omgevingsvergunning 2018 realiseren van een nieuwe stal. Het college heeft in dat besluit nieuwe feiten en omstandigheden onder de reeds bestaande last gebracht, zonder inzichtelijk te maken waarom nog steeds sprake is van dezelfde overtreding. Daardoor is de reikwijdte van de eerste last – in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel – opgerekt en is het onduidelijk waarop de last ziet en waar de grenzen van deze last liggen. De tweede overtreding is inmiddels ook beëindigd, omdat verzoekster een omgevingsvergunning heeft gekregen voor het gewijzigd bouwen van de stal. Daarnaast heeft verzoekster een omgevingsvergunning aangevraagd voor een milieuneutrale wijziging en bestond ten aanzien van dat punt concreet zicht op legalisatie op het moment van het bestreden besluit.
4.2.
Verzoekster heeft daarnaast aangevoerd dat het college de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd aan verzoekster ten aanzien van overtreding 2. Verzoekster heeft daarbij vooropgesteld dat niet het college, maar GS bevoegd is om handhavend op te treden tegen deze overtreding. Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom, geen sprake was van overtreding 2. Op dat moment werden geen runderen meer gehouden op de weides. Het houden van dieren in de weides is geen overtreding van de natuurvergunning. Het huisvesten van runderen en de daarmee gepaard gaande emissies wel. Dat van dit laatste sprake zou zijn heeft het college niet onderbouwd.
5. De beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening
5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit en de primaire besluiten I en II schorsen, voor zover het gaat om de opgelegde lasten onder dwangsom vanwege de overtredingen 1 en 2. De voorzieningenrechter zal die besluiten schorsen tot zes weken na de uitspraak in beroep. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. De voorzieningenrechter licht hierna toe hoe hij tot dit oordeel komt.
5.2.
Omdat er rechtsvragen aan de orde zijn die zich niet lenen voor een beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure, heeft de voorzieningenrechter aan de hand van een voorlopig oordeel ten aanzien van overtredingen 1 en 2 en met name een afweging van de betrokken belangen bepaald of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de belangen die zijn gediend bij het toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening op dit moment een zwaarder gewicht moet worden toegekend, dan aan het belang dat is gediend bij het afwijzen van het verzoek. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat het naar zijn voorlopig oordeel van niet zeker is dat de lasten onder dwangsom ten aanzien van overtreding 1 en overtreding 2 in beroep in stand blijven.
5.2.1.
De voorzieningenrechter stelt ten aanzien van last 1 en overtreding 1 vast dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zo duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. In artikel 5:9, onder a, van de Awb, staat daarnaast dat de beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie de overtreding vermeldt. Uit primair besluit I, primair besluit II, het bestreden besluit en het verweerschrift blijkt dat het college last 1 heeft opgelegd, vanwege het handelen in strijd met de omgevingsvergunning 2018. Gelet op de omvang van de omgevingsvergunning 2018 – waar enorm veel gedragingen onder zouden kunnen vallen – is dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen concrete formulering van overtreding 1. De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat het college per besluit een andere gedraging als overtreding 1 lijkt te verwijten aan verzoekster. In primair besluit I wordt verzoekster verweten dat op het perceel dieren werden gehouden in een tweede oude stal, die niet kon worden aangemerkt als het stalsysteem waarvoor in de omgevingsvergunning 2018 toestemming was verleend. In primair besluit II heeft het college geconcludeerd dat overtreding 1 – ondanks het slopen en dus niet meer gebruiken van die oude stal – niet was beëindigd, omdat (de nieuwe) stal 2 op dat moment werd gebouwd in afwijking van de omgevingsvergunning 2018. In het bestreden besluit lijkt het college te concluderen dat overtreding 1 – ondanks het op 27 januari 2026 verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijkend bouwen van het bouwwerk – niet was beëindigd, omdat het stalsysteem in stal 2 afweek van het stalsysteem waarvoor in de omgevingsvergunning 2018 toestemming was verleend. In het verweerschrift lijkt – ondanks het op 9 september 2026 verlenen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het stalsysteem – wederom een andere overtreding aan verzoekster te worden verweten: het huisvesten van dieren in een ander stalsysteem: in de weide. Onder die omstandigheden kan worden getwijfeld of het voor verzoekster voldoende duidelijk en concreet was wat gedaan of nagelaten moest worden om overtreding 1 te beëindigen. Of deze besluitvorming van het college in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, is echter een rechtsvraag die zich niet leent voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure. De meervoudige kamer van de rechtbank zal daar in de beroepsprocedure een oordeel over moeten geven. Ongeacht het antwoord op die vraag bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook twijfel over de vraag of het college in het bestreden besluit heeft kunnen vasthouden aan het opleggen van last 1 voor de op dat moment gestelde overtreding 1: “het gebruiken van stal 2 met een ander stalsysteem dan waarvoor toestemming is verleend in de omgevingsvergunning 2018”. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college – gelet op de hierna genoemde omstandigheden – in het bestreden besluit (26 juni 2026) onvoldoende heeft gemotiveerd dat op dat moment geen sprake was van concreet zicht op legalisatie van de op dat moment door het college aan verzoekster verweten overtreding. Voor concreet zicht op legalisatie is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling vereist dat een vergunningaanvraag strekkende tot legalisatie van de illegale situatie is ingediend die volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu en dat het bevoegd gezag geen beletselen ziet voor verlening van de gevraagde vergunning. Op 13 februari 2023 heeft verzoekster een omgevingsvergunning voor een milieubelastende inrichting aangevraagd en op 17 juni 2023 heeft de OMWB per e-mail aan verzoekster medegedeeld dat verwacht werd dat deze omgevingsvergunning snel zou worden verleend. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd, waarom onder die omstandigheden geen sprake was van concreet zicht op legalisatie.
5.2.2.
De voorzieningenrechter begrijpt uit de besluitvorming dat het college last 2 heeft opgelegd, vanwege het uitvoeren van een activiteit die – gelet op de extra emissies – significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, zonder een daarvoor vereiste natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. De activiteiten die worden uitgevoerd vallen volgens het college niet onder de natuurvergunning die is aangehaakt aan de omgevingsvergunning uit 2018 op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Die natuurvergunning zag uitsluitend op de emissies afkomstig van het huisvesten van de onder 1.2 genoemde dierentallen in de daar genoemde stalsystemen. Volgens het college worden door verzoekster dieren in een ander stalsysteem met andere emissies – namelijk in de buitenlucht – gehuisvest. Of het college dan wel GS op grond van het oude recht bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van die gestelde overtreding, is ook een rechtsvraag die zich niet leent voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure. Ook daar zal de meervoudige kamer van de rechtbank in de beroepsprocedure een oordeel over moeten geven. Ongeacht het antwoord op die vraag is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het college onvoldoende met objectieve en verifieerbare bewijsstukken heeft onderbouwd dat de door hem gestelde overtreding is begaan. De verschillende controlerapporten bevatten, bijvoorbeeld met de aanwezige voederbak en weinig gras, mogelijke aanwijzingen dat de dieren in de buitenlucht – en dus een ander stalsysteem – werden gehuisvest. Uit de controlerapporten blijkt echter niet dat daadwerkelijk is geconstateerd dat de dieren in de buitenlucht werden gehuisvest. In de controlerapporten staat namelijk niet hoeveel dieren zijn aangetroffen in de weide, niet dat de inrichting gedurende meer dan 24 uur is geobserveerd en ook niet dat is geconstateerd dat de stallen vol waren op het moment dat de dieren in de weides werden aangetroffen. De voorzieningenrechter heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat in het inspectierapport van 29 januari 2026 (het laatste rapport voorafgaand aan het bestreden besluit) staat dat er niet is geconstateerd dat er dieren op de percelen rondom het bedrijf aanwezig waren. Het college heeft daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd dat de aangetroffen dieren in de weide gehuisvest werden en dat geen sprake was van het uitsluitend beweiden van de dieren.
5.3.
Het belang van verzoekster bij schorsing van het bestreden besluit is gelegen in het gevrijwaard blijven van dwangsommen. Het college heeft hoge maximale dwangsommen verbonden aan de lasten onder dwangsom. De voorzieningenrechter stelt ook vast dat uit het dossier blijkt dat verzoekster zich gedurende de afgelopen jaren heeft ingezet om de gestelde overtredingen te beëindigen dan wel te legaliseren. Dit wordt ook bevestigd doordat het college last 3 en last 5 op zitting heeft ingetrokken vanwege de beëindiging van die overtredingen. Onder die omstandigheden – en omdat het niet zeker is dat de lasten onder dwangsom in beroep in stand zullen blijven – acht de voorzieningenrechter het belang van verzoekster bij schorsing van de besluiten op dit moment van zwaarder gewicht dan het algemeen (milieu)belang waarvoor de lasten zijn opgelegd.
6. Conclusie
6.1.
De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening daarom toewijzen. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit en de primaire besluiten I en II schorsen, voor zover het gaat om de opgelegde lasten onder dwangsom vanwege de overtredingen 1 en 2. De voorzieningenrechter zal die besluiten schorsen tot zes weken na de uitspraak in beroep.
6.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt het college daarnaast in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de voorzieningenrechter deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit, primair besluit I en primair besluit II tot zes weken na verzending van de uitspraak in beroep;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 26 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 5.9, onder a, van de Awb
De beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie vermeldt de overtreding alsmede het overtreden voorschrift.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten (1°.), het veranderen of veranderen van de werking (2°.) of het in werking hebben (3°.) van een inrichting of mijnbouwwerk.
Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 2.2aa, onder a, van het Bor
Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen: het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.
Wet natuurbescherming (Wnb)
Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Op grond van artikel 8:6 en 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2 van bijlage II bij de Awb (oud recht). Zie ook: ABRvS 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2949, r.o. 2.2.
ABRvS 28 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5030.
Artikel 1.1, derde lid, Wm. Dit artikel verwees naar artikel 2.1, eerste lid, van het Bor in samenhang met bijlage 1 bij het Bor, onderdeel b en c. In onderdeel C, categorie 8.1, onder a, stond o.a. genoemd: ‘inrichtingen voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren’.
Artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wabo, artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht in combinatie met bijlage 1, onderdeel B en C bij het Bor. Meer specifiek stond in onderdeel C, categorie 8.3, onder d, onder andere als vergunningplichtig aangewezen: ‘het houden van meer dan 1.200 vleesrunderen, behorend tot de diercategorieën A4 tot en met A7, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij’.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.10a van het Bor.
ABRvS 3 juli 2024, ECLI:LNL:RVS:2024:2645, r.o. 20.
ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:436, r.o. 6.
Voor de overtreding wordt in primair besluit I verwezen naar het controlerapport van 9 oktober 2024. In het controlerapport worden verschillende overtredingen genoemd, waarvoor afzonderlijke lasten 2 t/m 6 zijn opgelegd. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat last 1 op dat moment werd opgelegd vanwege de hier deze overtreding.
Het college schrijft in het bestreden besluit namelijk: ‘Er is inmiddels wel een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen’. Dat was een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat het college er op dat moment vanuit ging dat dat dit de overtreding was.
ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2523, r.o. 5.1.
In samenhang met artikel 2.2aa van het Bor.
Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de exploitatie van een veehouderij en beweiden moet worden gezien als één project op grond van de Wnb. ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, r.o. 1.8. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|