|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2024:2999 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-10-2024 | | Datum gepubliceerd | : | 02-11-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.322.162/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Aansprakelijkheidsrecht. Gestelde schade als gevolg van bespuiting met herbiciden. Art. 6:162 BW (onrechtmatige daad), art. 6:175 BW (gevaarlijke stoffen en art. 6:178 onder f BW. Bewijsopdracht dat de spuitwerkzaamheden hebben plaatsgevonden terwijl de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de gespoten herbiciden op het perceel van de eiser terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | belastingrecht | | | gewassen | | | perceel | | | suikerbieten | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.322.162/01
zaaknummer / rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/324954 / HA ZA 22-112
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 oktober 2024
in de zaak van
[appellant 1]
,
gevestigd te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
[appellant 2]
,
wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
[appellant 3]
,
wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
[appellant 4]
,
wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. E.H. Verweij te Apeldoorn,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 3] , gemeente [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Zwennes te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd. Appellanten worden hierna afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] genoemd.
1De zaak in het kort
Op 20 mei 2021 hebben [appellanten] de suikerbieten op hun perceel met herbiciden bespoten. [geïntimeerde] stelt dat deze herbicidebehandeling schade heeft veroorzaakt aan (onder andere) zijn gewassen Penstemon die hij op het naastgelegen perceel kweekt. [geïntimeerde] houdt [appellanten] aansprakelijk voor de gevolgen van de bespuiting en vordert schadevergoeding. [appellanten] betwisten dat zij aansprakelijk zijn.
Het hof komt tot het oordeel dat het benodigde bewijs dat zich een bijzonder gevaar voor personen of zaken zoals bedoeld in artikel 6:175 BW heeft verwezenlijkt, dan wel dat hinder of verontreiniging is toegebracht in een mate of op een wijze die onrechtmatig is, vooralsnog niet geleverd is. [geïntimeerde] wordt toegelaten tot het leveren van bewijs, in het bijzonder van zijn stelling dat de spuitwerkzaamheden in de ochtend van 20 mei 2021 zijn voortzet tot 9:25 uur terwijl de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de door [appellanten] gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt.
2Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 19 januari 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 november 2022 van de rechtbank Noord-Holland dat onder bovenvermeld zaak- en rolnummer is gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellanten] als gedaagden (zie ECLI:NL:RBNHO:2022:10013, hierna ook: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties,
- memorie van antwoord,
- akte na memorie van antwoord van [appellanten] , met producties,
- antwoordakte van [geïntimeerde] .
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 19 juli 2024 laten toelichten. [appellanten] door mr. Verweij voornoemd, en [geïntimeerde] door mr. Zwennes voornoemd en mr. D.L.E. Guljé, advocaat te Amsterdam, allen aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De conclusie van [appellanten] luidt als volgt (waarbij met ‘ [appellant 1] ’ [appellanten] worden bedoeld):
‘ [appellant 1] verzoekt het gerechtshof om [het bestreden vonnis, hof] te vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zonodig onder verbetering en aanvulling van gronden,
[geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellant 1] ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, zijnde € 46.295,74 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betaling tot aan de dag van restitutie;
[geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest.’
De conclusie van [geïntimeerde] luidt als volgt:
‘(…) verzoekt het gerechtshof om [het bestreden vonnis, hof] in stand te houden en uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.’
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3Feiten
De rechtbank heeft in 3.1 tot en met 3.6 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat deze feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat, aangevuld met andere feiten die voor de beoordeling van belang zijn. Een en ander komt neer op het volgende.
3.1.
[appellant 1] exploiteert een akkerbouwbedrijf en verbouwt onder meer suikerbieten. [geïntimeerde] is een kweker van onder meer de snijbloemgewassen Penstemon en Sedum. De percelen van [appellant 1] en [geïntimeerde] grenzen aan elkaar. Het perceel van [appellant 1] ligt ten zuidwesten van het perceel van [geïntimeerde] . Het perceel van [geïntimeerde] ligt dus ten noordoosten van het perceel van [appellant 1] .
3.2.
Op 20 mei 2021 heeft [appellant 3] namens [appellant 1] een combinatie van de herbiciden Betanal, Goltix en Dual Gold (hierna: de herbiciden) op de suikerbieten op het perceel van [appellant 1] gespoten.
3.3.
In artikel 3.83 van het (thans vervallen) Activiteitenbesluit milieubeheer is vermeld, voor zover hier van belang:
‘5 Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde, gemeten op:
a. twee meter boven het grondoppervlak bij neerwaartse bespuiting;
b. of, een meter boven de gemiddelde boomhoogte bij op- of zijwaartse bespuiting; tenzij degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, kan aantonen dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruik van die middelen bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.’
3.4.
Meetgegevens afkomstig van de weerpaal van [appellanten] aan [straat] vermelden met betrekking tot 20 mei 2021, voor zover hier van belang:
‘Date & Time Wind Speed m/s Wind Direction High Wind Speed m/s High Wind Direction
07.45 1.3
NW 2.2 NW
08.00 1.8
NW 3.1 NW
08.15 1.8
NW 3.1 NW
08.30 2.2
NW 4.5 WNW
08.45 2.7
WNW 4.5 WNW
09.00 2.7
WNW 4.0 WNW
09.15 3.1
W 4.5 W
09.30 2.2
W 4.5 W’
3.5.
Meetgegevens afkomstig van het weerstation Berkhout van het KNMI, verkrijgbaar via https://daggegevens.knmi.nl/, die de tijd weergeven in Greenwich Mean Time (GMT) (waarbij 6-9 GMT 8-11 lokale tijd is), vermelden met betrekking tot 20 mei 2021, voor zover hier van belang, omgerekend naar de lokale tijd om 8:00 uur een gemiddelde windsnelheid van 1 meter per seconde en maximale windstoten van 2 meter per seconde, om 9:00 uur een gemiddelde windsnelheid van 2 meter per seconde en maximale windstoten van 4 meter per seconde en om 10:00 uur een gemiddelde windsnelheid van 3 meter per seconde en maximale windstoten van 5 meter per seconde. De windrichting (in graden) was volgens de genoemde meetgegevens van het KNMI gemiddeld over de laatste 10 minuten van het afgelopen uur om 8:00 uur 260, om 9:00 uur 260 en om 10:00 uur 230 (360-noord, 90-oost, 180zuid en 270-west.)
3.6.
Op 29 mei 2021 heeft [geïntimeerde] vastgesteld dat er schade was ontstaan aan (onder meer) de Penstemon. Hij heeft [appellant 3] hier dezelfde dag op aangesproken.
3.7.
[appellanten] hebben de percelen op 31 mei 2021 laten beoordelen door een teeltdeskundige van CAV Agrotheek, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Bij e-mail van 6 juli 2021 heeft hij [appellanten] hierover als volgt bericht.
‘Op de datum van 31 mei ben ik, [naam 1] teeltadviseur Cav Agrotheek, samen met [appellant 3] langs geweest bij kweker dhr [geïntimeerde] . Hij melde schade in zijn siergewassen Sedum en Penstemon. Volgens Dhr [geïntimeerde] was de schade veroorzaakt door de onkruidbestrijding in aangrenzend perceel bieten van [appellant 1] .
Wat gelijk opviel dat er veel wind/stuifschade in perceel bieten was. Vooral aan de kant grenzend aan percelen [geïntimeerde] . Mijn eerste gedachte was dat deze storm ook mogelijk de oorzaak was in de Sedum en Penstemon. Bij beoordeling van percelen [geïntimeerde] zag ik hier wel wat schade van maar wat me bevreemde was het krullen/misvormen van blad.
Ook de lagere bladetages leken hier last van te hebben. Mijn eerste gedacht ging naar groeistofschade, alleen weten we dat de bieten hier super gevoelig voor zijn en het hele bietenperceel dan ook kapot gespoten moest zijn. De onkruidmix die gespoten is heb ik gemeld bij [geïntimeerde] . Heb aangegeven dat onder normale omstandigheden, wat betreft windkracht/windrichting dit niet tot deze schade zou moeten leiden.
Ik heb een collega, [naam 2] sierteeltspecialist Cav agrotheek, gevraagd ook nog even percelen te bekijken. Deze vond de schade ook egaal over perceel en dus ook het verst van aangrenzend bietenperceel! Meestal is overwaai schade in vlammen plaatselijk door perceel waarneembaar en in intensiteit het grootst aan kant van aangrenzend schuld perceel. Dhr [naam 2] merkte ook op dat een onderbladbespuiting ook schade kan geven. (…)’
3.8.
In opdracht van [geïntimeerde] heeft [naam 3] (hierna: [naam 3] ), registerschadetaxateur van Delphy Gewastaxaties B.V. (hierna: Delphy), op 8 juni 2021 de schade aan de gewassen van [geïntimeerde] beoordeeld aan de hand van bladmonsters die op 3 juni 2021 waren genomen door een medewerker van Groen Agro Control (hierna ook: GAC). [appellanten] zijn niet betrokken geweest bij de monsterneming.
3.9.
In opdracht van Achmea Agro Schade (verzekeraar van de zijde van [appellanten] ) heeft de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ), agrarisch registertaxateur van [naam 4] Agrex B.V., op 8 juni 2021 de percelen geïnspecteerd in aanwezigheid van [geïntimeerde] , mw. mr. O. Asscher (advocaat), [naam 3] , [appellant 3] en mw. [appellant 4] .
3.10.
Uit de “Analyselijst Pesticiden” van GAC volgt dat de rapportagegrens van elk van de werkzame stoffen van Betanal, Goltix en Dual Gold 0,01 mg/kg is. De analyserapporten van GAC laten concentraties zien van de genoemde middelen die daaronder blijven. De werkzame stoffen van Betanal zijn Fenmedifam en Ethofumesaat, de werkzame stof van Goltix is Metamitron en die van Dual Gold is Metolachloor-S. Van het Penstemongewas zijn drie analyseresultaten beschikbaar, opgenomen in de analyserapportnummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] (hierna ook: de analyserapporten van GAC). Bij nummer [nummer 1] staat “met schade”, bij nummer [nummer 2] “nog iets van schade” en bij nummer [nummer 3] “minimaal tot nihil schade”. De aangetroffen concentraties zijn per nummer als volgt:
‘ [nummer 1] (“met schade”)
Fenmedifam (Betanal) : 0,001 mg/kg
Ethofumesaat (Betanal) : 0,001 mg/kg
Metamitron (Goltix) : < 0,001 mg/kg
Metolachloor-S (Dual Gold) : 0,002 mg/kg
[nummer 2] (“nog iets van schade”)
Fenmedifam (Betanal) : 0,003 mg/kg
Ethofumesaat (Betanal) : < 0,002 mg/kg
Metamitron (Goltix) : < 0,002 mg/kg
Metolachloor-S (Dual Gold) : < 0,002 mg/kg
[nummer 3] (“minimaal tot nihil schade”)
Fenmedifam (Betanal) : < 0,002 mg/kg
Ethofumesaat (Betanal) : < 0,002 mg/kg
Metamitron (Goltix) : < 0,002 mg/kg
Metolachloor-S (Dual Gold) : < 0,002 mg/kg’
Op de laatste pagina van het rapport van GAC staat:
‘Let op aan het volgende:
Deze 5 stoffen zijn gespyked op 0,002 mg/kg en her-analyse gedaan
* de meetonzekerheid in de concentraties is hoog, omdat de gehaltes zijn erg laag t.o.v. de bepalingsgrens. Dus verschil in de gehaltes tussen de monsters kunnen we niet verklaren.
* wat zeker is, is dat de aanwezigheid van de stoffen is wel bevestigd.’
3.11.
Bij brief van 18 juni 2021 heeft [geïntimeerde] [appellanten] aansprakelijk gesteld voor de schade aan zijn gewassen.
3.12.
[naam 3] heeft in zijn rapport van 20 juli 2021 (hierna ook: het rapport van [naam 3] ) als volgt geconcludeerd:
‘Bevindingen
Tijdens het bedrijfsbezoek bleek er schade te zijn aan de gewassen Penstemon en Sedum. De schade is ontstaan nadat op het naastgelegen perceel door een akkerbouwer een herbicide behandeling heeft plaatsgevonden. Deze bespuiting heeft plaatsgevonden op 20 mei omstreeks 9.15 uur. Op dat moment kwam de wind al behoorlijk opzetten. Door de wind zijn de herbiciden over het perceel van [naam 5] gewaaid. (…)
Penstemon
De schade aan de Penstemon zit over het gehele perceel. De schade bestaat uit bladeren die misvormd zijn. Foto’s van de schade aan de Penstemon zijn toegevoegd als bijlage 3 [het hof begrijpt: bijlage 2].
Causaliteit
Bij opname is vastgesteld dat er schade is ontstaan in de Sedum en de Penstemon. Bij de Sedum is duidelijk zichtbaar dat aan het begin van het perceel op de eerste meters geen schade is ontstaan. Dat is te verklaren doordat het snijbloemenperceel enkele meters verder doorloopt naar voeren dan het bietenperceel. Hierdoor hebben de eerste meters van het perceel geen middel ontvangen bij de bespuiting op het bieten perceel. Daarnaast is in de slootkant tussen de beide percelen zichtbaar dat de brandnetels aan de windzijde hetzelfde schadebeeld hebben. In de slootkant aan de andere zijde (luw zijde) is geen schade zichtbaar. Dit is een indicatie dat de schade is ontstaan vanuit de zijde van het bietenperceel. De foto’s met de gekrulde brandnetelblad zijn toegevoegd als bijlage 4.
(…)
Op de beeldenbank van groenkennisnet.nl is schade vastgelegd van Goltix in tuinbonen, van Betanal in Bieten en van Dual Gold in Weigela. De foto’s zijn toegevoegd als bijlage 7. De beelden komen overeen met de schade in de planten bij [naam 5] . De bladeren vergroeien trekken krom en gaan kroezen.
Uit de weergegevens van het KNMI welke is weergegeven in tabel 1, blijkt dat de windrichting op 20 mei bij het meest nabije weerstation in Berkhout, 220 graden geweest is en dat de windsnelheid toeneemt die ochtend van 10 m/s tot 40 m/s. In het activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen dat boven een windsnelheid van 5 m/s het niet is toegestaan een bespuiting uit te voeren op open veld. Tijdens het tijdstip van toepassen was de windsnelheid al opgelopen tot 30 m/s. De windrichting van 220 graden betekent dat de windrichting zuid-west is geweest. Bij deze windrichting blaast de wind precies vanaf het naastgelegen perceel waarop de herbicide behandeling heeft plaatsgevonden over het perceel van [naam 5] . Een overzichtskaart van de ligging van het perceel van [naam 5] is toegevoegd als bijlage 8.
(…)
Van de planten met schade zijn door een medewerker van Groen Agro Control bladmonsters genomen. Er is op 3 afstanden van het buurperceel een bladmonster genomen. Het betreft een monster direct naast het bieten perceel. Een monster halverwege het perceel en een bladmonster helemaal aan de andere kant van het perceel. Deze bladmonsters zijn in het laboratorium van Groen Agro Control onderzocht op aanwezigheid van herbiciden. Uit alle drie de analyses blijkt dat alle vier de stoffen die door de buurman zijn toegepast in het blad aangetoond kunnen worden. Dat geldt voor de gehele breedte van het perceel. De causaliteit tussen de bespuiting op het naastgelegen perceel en de schade in de Penstemon en Sedum is hiermee aangetoond. De uitslag van de analyse is toegevoegd als bijlage 9. Op de analyse is de afstand tot het bietenperceel vermeld door Groen Agro Control.
Dhr. [appellant 1] is van mening dat de schade is ontstaan als gevolg van de harde wind die de dag na de bespuiting heeft plaatsgevonden. De planten zouden schade hebben opgelopen van zand dat is gaan stuiven. Dhr. [appellant 1] zegt dat de schade aan zijn Bieten perceel daar ook door is veroorzaakt. Deze hypothese kan verworpen worden vanwege het feit dat stuifschade door zand geen groeistofachtige schade geeft zoals op de foto’s in bijlage 2 is te zien. Daarnaast zou schade door een zandstorm direct zichtbaar worden en niet pas enkele dagen later zoals in dit geval is gebeurd. Tot slot ligt er een vergelijkbaar bietenperceel dat 2 dagen eerder is gezaaid recht tegenover het perceel van dhr. [appellant 1] aan de overzijde van de straat. Op dat perceel is geen enkele schade waarneembaar van de zandstorm.
Dhr. [geïntimeerde] heeft aan schade-expert dhr. [naam 6] gevraagd een contra-expertise uit te voeren. Dhr. [naam 6] heeft de schade bekeken en heeft geconcludeerd dat de schade is veroorzaakt door de herbicide bespuiting op het naastgelegen perceel. De verklaring van dhr. [naam 6] is toegevoegd als bijlage 10.
(…)
De geleden schade bedraagt € 55.428,- min de niet gemaakt kosten € 15.101,13 + extra arbeidskosten € 480,- = € 40.806,87.
(…)
Er is tevens schade geleden in de Sedum en de jonge aanplant van Penstemon. De hoogte van de schade is op dit moment nog niet vast te stellen en zal dit najaar plaatsvinden.’
3.13.
De verklaring van [naam 6] (hierna: [naam 6] ), waarnaar in het onder 3.12 aangehaalde rapport wordt verwezen, luidt als volgt:
‘Gelet op de symptomen, de windrichting en windkracht plus het feit dat sporen van gewasbeschermingsmiddelen die zijn gebruikt op het perceel suikerbieten van uw buurman, op uw gewassen zijn teruggevonden en het feit dat de schade minder werd naarmate de planten verder van de suikerbieten afstonden, ben ik van mening dat de schade is ontstaan door overwaaien van spuitvloeistof.’
3.14.
Verder zijn bij het rapport van [naam 3] de bij de herbiciden behorende Veiligheidsinformatiebladen in de zin van Verordening (EG) Nr. 1907/2006 gevoegd (bijlage 1). Als gevarenaanduiding in de zin van Verordening (EG) Nr. 1272/2008 wordt genoemd dat alle drie de herbiciden zeer giftig zijn voor in het water levende organismen (onder meer H400, H410, H411 en H412). Dual Gold en Betanal veroorzaken verder ernstige oogirritatie (onder meer H318 en H319) en Goltix is schadelijk bij inslikken (H302).
3.15.
[naam 4] heeft in zijn rapport van 21 juli 2021 (hierna ook: het rapport van [naam 4] ) over de schadeoorzaak als volgt geconcludeerd:
‘(…) Schadeoorzaak
(…) Het gewas Penstemon is volledig bruin verkleurd ongeacht de locatie op het perceel. Een schadebeeld waarbij alle planten zijn beschadigd komt alleen voor als het gewas als geheel wordt gespoten met het verkeerde middel, overdosering of het verkeerde gewas.
Het schadebeeld van overgewaaide middelen is onregelmatig en naarmate de afstand van de spuitboom toeneemt wordt de gewasschade minder.
De planten langs de rand van het pad tegenover het bietenperceel zijn het meest beschadigd omdat de stofstorm eerst over het pad is gegaan en daarna het gewas heeft bedekt met een fijne stoflaag waarvan het residu nog kan worden gezien op de planten. (…)’
3.16.
[appellanten] heeft aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland de volgende vraag gesteld:
‘Activiteitenbesluit open teelten
Daarin wordt bepaald dat je niet mag spuiten met gewasbeschermingsmiddel met een windsnelheid hoger dan 5 meter per seconde
Wordt gemeten met een gemiddelde snelheid of bij een windstoot?
Hoe wordt dat gemeten?’
[naam 7] , voorlichter, heeft op 16 maart 2022 via de het e-mailadres ‘info@antwoordvoorbedrijven.nl’ de vraag van [appellanten] als volgt beantwoord, voor zover hier van belang
‘Hartelijk dank voor uw bericht (…) Hierin geeft u aan dat u niet mag spuiten met een gewasbeschermingsmiddel bij een windsnelheid hoger dan 5 meter per seconde. (…)
Gemiddelde
Dat wil zeggen dat de gemiddelde windsnelheid lager moet zijn dan ongeveer 3 Bft. (onder de 5 m/s)
Als er windstoten zijn, dan zal dat invloed hebben op het gemiddelde en op het verspreiden van de middelen.
De achterliggende gedachte is natuurlijk van belang. Toepassen van gewasbeschermingsmiddelen moet lokaal plaatsvinden en die middelen mogen niet kunnen verwaaien naar de omgeving. Als dat wel het geval is bent u in overtreding.’
4Eerste aanleg
4.1.
[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg in de weergave van de rechtbank (zie 4.1 van het bestreden vonnis):
‘(…) uitvoerbaar bij voorraad,:
I. een verklaring voor recht dat [appellanten] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig hebben gehandeld, door de gewassen met schadelijke stoffen te bespuiten, terwijl zij wisten of konden weten dat daardoor, gezien de weersomstandigheden, schade kon optreden aan de gewassen van [geïntimeerde] ;
II. een verklaring voor recht dat [appellanten] jegens [geïntimeerde] aansprakelijk zijn voor de schade [die] [geïntimeerde] heeft geleden aan de Penstemon en deze dienen te vergoeden;
III. hoofdelijke veroordeling van [appellanten] , in de zin dat wanneer een betaalt de ander zijn gekweten, tot het betalen van een schadevergoeding ter hoogte van € 40.806,87 voor de schade aan de Penstemon aan [geïntimeerde] , binnen twee weken na wijzen van het vonnis, dan wel een bedrag dat de rechter billijk voorkomt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. hoofdelijke veroordeling van [appellanten] , in de zin dat wanneer een betaalt de ander zijn gekweten, tot het betalen van de kosten van de deskundigen ter hoogte van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
V. een verklaring voor recht dat [appellanten] aansprakelijk is voor de vervolgschade aan de Penstemon en deze dient te vergoeden. De hoogte van de schade dient in een latere schadestaatprocedure te worden vastgesteld;
VI. veroordeling van [appellanten] tot betaling van de kosten van dit geding, daaronder uitdrukkelijk begrepen de na de uitspraak nog vallende kosten.’
4.2.
De beslissing van de rechtbank luidt als volgt:
‘De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat [appellanten] ten opzichte van [geïntimeerde] aansprakelijk zijn voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden aan de Penstemon en deze dient te vergoeden,
6.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 40.806,87 (veertigduizend achthonderdzes euro en zevenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 20 mei 2021 tot de dag van volledige betaling,
6.3.
verklaart voor recht dat [appellanten] aansprakelijk zijn voor de vervolgschade aan de Penstemon, nader op te maken bij staat,
6.4.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 4.272,49,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.’
4.3.
Deze beslissing heeft de rechtbank, samengevat en voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd (de nummers tussen haakjes verwijzen naar de desbetreffende overwegingen van de rechtbank). Bestrijdingsmiddelen zijn (chemische) middelen die als doel hebben levende organismen te weren, te beschadigen of te doden. Dat effect is een essentiële eigenschap van een herbicide. Het bijzondere gevaar van deze essentiële eigenschap is dat niet alleen ongewenste planten (onkruid) tussen gekweekte gewassen worden geweerd, beschadigd of gedood, maar dat ook andere levende organismen, waaronder andere gewassen, kunnen worden geschaad. In zoverre zijn de herbiciden gevaarlijke stoffen in de zin van artikel 6:175 lid 1 BW (5.8). De vraag of dit bijzondere gevaar van ernstige aard zich in deze zaak heeft verwezenlijkt, wordt bevestigend beantwoord. Er staat voldoende vast dat de Penstemon van [geïntimeerde] is aangetast door het gebruik van de herbiciden (5.9). Er kan worden aangenomen dat het bijzondere gevaar van het gebruik van de herbiciden voor gewassen buiten het toepassingsgebied bekend is in de branche waarin [appellanten] en [geïntimeerde] werkzaam zijn zodat ook aan het bekendheidsvereiste is voldaan (5.11). [appellanten] zijn derhalve risicoaansprakelijk voor de door [geïntimeerde] geleden schade (5.12). Bij risicoaansprakelijkheid als hier aan de orde is niet relevant of [appellanten] enig verwijt valt te maken. De rechtbank laat daarom in het midden of [appellanten] (toerekenbaar) onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [geïntimeerde] (5.12). [geïntimeerde] vordert een schadevergoeding ter hoogte van € 40.806,87 voor de schade aan (een deel van) zijn Penstemon. Deze schade is voldoende aannemelijk gemaakt (5.13). Het beroep op eigen schuld faalt (5.14). [appellanten] zijn ook aansprakelijk voor de vervolgschade aan de Penstemon van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft voldoende feitelijke aanknopingspunten gegeven om te kunnen concluderen dat de mogelijkheid van vervolgschade aannemelijk is en daarom is (ook) de verwijzing naar de schadestaat toewijsbaar (5.15). De vordering tot betaling van € 4.000 ter zake van deskundigenkosten wordt afgewezen (5.16).
5. Beoordeling
5.1.
[appellanten] stellen zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:175 lid 1 BW en betwisten eveneens aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Zij hebben in hoger beroep vijf grieven aangevoerd.
5.2.
Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de herbiciden gevaarlijke stoffen zijn in de zin van artikel 6:175 lid 1 BW. Met grief 2 komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zich een bijzonder gevaar van ernstige aard als bedoeld in artikel 6:175 lid 1 BW heeft verwezenlijkt. Grief 3 bestrijdt de juistheid van de overweging van de rechtbank dat uit het rapport van [naam 3] blijkt dat de schade aan de Penstemon van [geïntimeerde] daadwerkelijk is veroorzaakt door de herbiciden die door [appellanten] zijn gebruikt. Grief 4 keert zich tegen het oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de in de Penstemon van [geïntimeerde] aangetroffen herbiciden afkomstig zijn van het perceel van [appellant 1] en niet van andere percelen in de buurt. Grief 5 houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet relevant heeft geacht of [appellanten] enig verwijt valt te maken. Samengevat stellen [appellanten] zich op het standpunt dat de door [geïntimeerde] gestelde schade niet is veroorzaakt door het handelen van [appellanten] De door GAC aangetroffen concentraties, voor zover al representatief, zijn volgens hen zodanig laag dat deze onmogelijk tot gewasschade hebben kunnen leiden. Gezien de windrichting ten tijde van het spuiten is het volgens hen technisch onmogelijk dat het spuitmiddel vanaf het perceel van [appellanten] is overgewaaid naar het perceel van [geïntimeerde] . [appellanten] stellen voorts dat het schadebeeld niet strookt met spuitschade. Daarnaast wijzen zij erop dat er ook andere middelen zijn aangetroffen in de Penstemon van [geïntimeerde] , en zelfs in (veel) hogere concentraties dan de lage concentraties van de middelen waarmee [appellanten] spoten alsook dat gewasbeschermingsmiddelen overal in de natuur voorkomen, ook daar waar niet met dergelijke middelen wordt gewerkt. [appellanten] menen dat het geen spuit-, maar stormschade betreft. Artikel 6:175 BW mist volgens [appellanten] toepassing omdat de herbiciden geen gevaar voor gewassen vormen en er zich geen bijzonder gevaar van ernstige aard voor de gewassen heeft verwezenlijkt. Tot slot wijzen zij aansprakelijkheid ook van de hand omdat zij niet anders hebben gehandeld dan op grond van de omstandigheden van het geval van hen mocht worden gevergd en zij niet verwijtbaar hebben gehandeld.
5.3.
[geïntimeerde] stelt zich daarentegen, kort samengevat, op het standpunt dat de herbiciden die zijn gebruikt door [appellanten] gevaarlijke stoffen zijn in de zin van artikel 6:175 lid 1 BW, dat de schade aan zijn gewassen ook daadwerkelijk is veroorzaakt door de herbiciden die door [appellanten] zijn gebruikt en dat zich hierdoor een bijzonder gevaar van ernstige aard heeft verwezenlijkt. Bovendien bepleit [geïntimeerde] dat [appellanten] verwijtbaar hebben gehandeld jegens [geïntimeerde] .
5.4.
Centraal in dit geschil staat de vraag of [appellanten] op grond van artikel 6:175 BW dan wel artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn voor de door [geïntimeerde] gestelde gewasschade.
Ingevolge artikel 6:175 BW is degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Zoals ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof aan de orde is gekomen, bestaat op grond van artikel 6:178 aanhef en onder f BW geen aansprakelijkheid krachtens artikel 6:175 BW voor hinder, verontreiniging of andere gevolgen, ter zake waarvan aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad zou hebben ontbroken, zo zij door de aangesprokene bewust zouden zijn veroorzaakt. Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW vergt dat komt vast te staan dat de schade is veroorzaakt door een aan [appellanten] toerekenbare onrechtmatige daad (fout).
5.5.
Artikel 2a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden verplicht eenieder op zorgvuldige wijze om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen. De van [appellanten] te vergen zorgvuldigheid houdt onder meer in dat zij alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd teneinde te voorkomen dat gevaar ontstaat voor de gewassen van [geïntimeerde] . Uit het destijds van kracht zijnde artikel 3.83 van het Activiteitenbesluit milieubeheer volgt dat bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde een verbod geldt ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
5.6.
[geïntimeerde] draagt de bewijslast van zijn stelling dat een bijzonder gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW zich heeft verwezenlijkt dat wel dat de schade is ontstaan als gevolg van toerekenbaar onzorgvuldig handelen dan wel een andere fout aan de zijde van [appellanten] Het risico dat onbewezen blijft waardoor de schade aan de gewassen van [geïntimeerde] is ontstaan, rust daarmee in beginsel op [geïntimeerde] .
5.7.
De gevaarzetting die [geïntimeerde] [appellanten] in het kader van beide grondslagen verwijt, ziet op de tijdspanne waarin [appellant 3] in de ochtend van 20 mei 2021 met herbiciden heeft gespoten. Bij de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de door [geïntimeerde] gestelde spuitschade aan zijn gewassen niet later op dezelfde dag, toen het harder ging waaien, of de volgende dag, toen het stormde, kan zijn veroorzaakt. Niet in geschil is dat het door [geïntimeerde] gestelde overwaaien van de herbiciden van het perceel van [appellanten] naar zijn perceel moet zijn gebeurd tijdens of direct na het spuiten in de ochtend van 20 mei 2021. Het verwijt dat [geïntimeerde] [appellanten] maakt, is dat [appellant 3] onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan door in de ochtend van 20 mei 2021 van 8:15 tot 9:25 uur te spuiten ondanks de toenemende wind.
5.8.
[appellanten] betwisten dat de spuitwerkzaamheden op 20 mei 2021 plaatsvonden tussen 8:15 en 9:25 uur. Verder bestrijden zij dat zij gelet op de windrichting en windsnelheid hadden moeten afzien van de spuitwerkzaamheden of deze op enig moment hadden moeten staken. Zij voeren daartoe het volgende aan. De spuitwerkzaamheden waren volgens [appellanten] op 20 mei 2021 om 8:15 uur afgerond. Ter onderbouwing daarvan hebben zij een screenshot van de spuitregistratie in de app op de telefoon van [appellant 3] overgelegd (productie 9 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg), waarin een vinkje staat voor “Uitgevoerde bewerking” en waarin is vermeld: “Algemeen : 8.15”. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant 3] de wijze van registratie in een app op zijn mobiele telefoon toegelicht mede aan de hand van een meer recente registratie op zijn telefoon die hij aan het hof en de wederpartij heeft laten zien. De stelling van [geïntimeerde] dat het zo vroeg nog te nat was om te spuiten, hetgeen de stellingname van [appellanten] ongeloofwaardig zou maken, hebben [appellanten] gemotiveerd betwist. Gelet op de luchtvochtigheid enerzijds en het drogen van de dauw op kleine plantjes door de wind waren de omstandigheden juist gunstig volgens [appellanten] [appellant 3] heeft toegelicht dat de tijd die gemoeid is met het spuiten van het desbetreffende perceel een half uur bedraagt. Het hof heeft vooralsnog geen reden om aan te nemen dat [appellanten] op dit punt onjuiste informatie hebben verschaft. [appellanten] hebben onbetwist gesteld dat hun bedrijf beschikt over de benodigde certificering en voldoet aan de geldende registratienormen. Onder de gegeven omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de spuitwerkzaamheden van [appellanten] van 8:15 tot 9:25 uur hebben plaatsgevonden, op grond van de enkele stelling van [geïntimeerde] dat hij om 9:15 uur heeft geconstateerd dat [appellant 3] bezig was met de spuitwerkzaamheden en dat hij daarvan aantekening heeft gemaakt in zijn agenda. Alles overziend gaat het hof er voorshands vanuit dat de spuitwerkzaamheden die dag hebben plaatsgevonden van 7:45 tot 8:15 uur. Zoals hierna onder 5.14 zal worden overwogen, zal [geïntimeerde] worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [appellant 3] zijn spuitwerkzaamheden in de ochtend van 20 mei 2021 voortzette tot 9:25 uur terwijl de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de door [appellanten] gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt. Daarom zal het hof in het hiernavolgende waar mogelijk ook steeds een ruimere tijdspanne in ogenschouw nemen dan die van 7:45 tot 8:15 uur.
5.9.
Zoals bij de mondelinge behandeling bij het hof aan de orde is gesteld, is tussen partijen niet langer in geschil dat de gemiddelde windsnelheid in de ochtend van 20 mei 2021 in ieder geval tot 10:00 uur niet hoger is geweest dan 3,1 meter per seconde en dat de maximale windstoten tot dat tijdstip geen hogere snelheid hadden dan 5 meter per seconde. Zowel de meetgegevens afkomstig van de weerpaal van [appellanten] aan [straat] als de ook door [naam 3] gebruikte meetgegevens afkomstig van het weerstation Berkhout van het KNMI bevestigen dat de windsnelheid in ieder geval tot dat moment lager was dan de in artikel 3.83 van het toenmalige Activiteitenbesluit milieubeheer genoemde grens van 5 meter per seconde. [naam 3] somt op pagina 5 van zijn rapport de meetgegevens op van het KNMI die onder 3.5 hiervoor zijn weergegeven, maar hij past bij de interpretatie daarvan niet de correctie toe van GMT naar lokale tijd. Hij is er in zijn rapport voorts ten onrechte van uitgegaan dat de windsnelheid tijdens de bespuiting was opgelopen tot 30 meter per seconde. Hij heeft over het hoofd gezien dat bij de interpretatie van de gegevens van het KNMI een factor van 0,1 moet worden toegepast. Het KNMI meet de windsnelheid in tienden van seconden (0,1 m/sec) en niet in hele seconden. Ook is bij de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat partijen het erover eens zijn dat [naam 3] ten onrechte heeft aangenomen dat de wind ten tijde van de spuitwerkzaamheden van [appellant 3] precies vanaf het perceel van [appellanten] over het perceel van [geïntimeerde] heeft geblazen. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat op de door hem overgelegde grafiek met windsnelheden geen windrichtingen waarneembaar zijn. Op de vraag van het hof of dan uit moet worden gegaan van de informatie over de windrichtingen afkomstig van de weerpaal van [appellanten] aan [straat] heeft (de raadsman van) [geïntimeerde] geantwoord dat dit bij gebrek aan beter wel zal moeten. Ingevolge de meetgegevens afkomstig van de weerpaal aan [straat] is de windrichting om 7:45, 8:00, 8:15 en 8:30 uur noordwest geweest, om 8:45 en 9:00 uur westnoordwest en om 9:15 en 9:30 uur west. Dit zou betekenen dat de wind tussen 7:45 en 8:15 uur, de tijdspanne waarin voorshands moet worden aangenomen dat de spuitwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, niet vanaf het perceel van [appellant 1] naar het perceel van [geïntimeerde] heeft gewaaid.
5.10.
In eerste aanleg heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van de partijdeskundige [naam 3] kan dienen ter onderbouwing van de door [geïntimeerde] gestelde causaliteit en schade, maar in hoger beroep zijn de bevindingen van [naam 3] met betrekking tot de windsnelheid en de windrichting gemotiveerd ter discussie gesteld. [naam 3] heeft de weergegevens van het KNMI onjuist geïnterpreteerd en is ervan uitgegaan dat [appellanten] de spuitwerkzaamheden heeft uitgevoerd bij een zeer hoge windsnelheid van 30 meter per seconde en met een windrichting waarbij de wind blaast ‘precies vanaf het naastgelegen perceel waarop de herbicide behandeling heeft plaats gevonden over het perceel van [geïntimeerde] ’. Het voorgaande doet naar het oordeel van het hof af aan de waarde die kan worden gehecht aan het oordeel van [naam 3] over de causaliteit. Dat geldt ook voor de beoordeling van [naam 6] die blijkens zijn onder 3.13 aangehaalde verklaring is uitgegaan van dezelfde windrichting en windkracht als [naam 3] . Beide partijdeskundigen van [geïntimeerde] zien het overwaaien van spuitvloeistof ten tijde van de spuitwerkzaamheden als oorzaak. Dat baseren zij op de windrichting en windkracht waarvan zij zijn uitgegaan. [geïntimeerde] heeft geen alternatieve onderbouwing gegeven van de gestelde causaliteit uitgaande van de daadwerkelijke windrichting en windkracht ten tijde van de spuitwerkzaamheden. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof is de mogelijkheid besproken dat de neergedaalde spuitvloeistof op een later tijdstip bij het toenemen van de windkracht en het draaien van de wind alsnog is overgewaaid, maar door beide partijen is dat uitgesloten. Dat [appellanten] op een anderszins onveilige manier heeft gewerkt en/of de in artikel 3.83 van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde veiligheidsnormen niet voldoende in acht heeft genomen, is onvoldoende toegelicht.
5.11.
Wat betreft de bevindingen over de schade overweegt het hof als volgt. Vast staat dat de door GAC aangetroffen gehaltes in de monsters erg laag zijn en dat de meetonzekerheid hoog is, zoals ook is overwogen in de analyse van GAC. [appellanten] hebben betwist dat dergelijke erg lage concentraties herbiciden (onder de kritieke grens) tot de aangetroffen gewasschade kunnen leiden. Aangenomen kan worden dat het tijdsverloop van invloed is geweest op de aangetroffen concentraties en ook op de opname van de desbetreffende stof door de bladeren in het monster. Het overwaaien van de herbiciden zou in de ochtend van 20 mei 2021 moeten zijn geschied en de monsters zijn op 3 juni 2021 genomen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld noch toegelicht welke invloed het tijdsverloop van zo’n 15 dagen precies op de hoogte van de aangetroffen concentraties zou hebben gehad en is evenmin ingegaan op de onderbouwde stelling van [appellanten] dat onkruidbestrijdingsmiddelen overal in de natuur voorkomen en dat er ook andere bestrijdingsmiddelen in de gewassen van [geïntimeerde] zijn aangetroffen dan die door [appellanten] zijn gebruikt. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de stelling dat zich een bijzonder gevaar van ernstige aard als bedoeld in artikel 6:175 BW heeft verwezenlijkt en van de stelling dat uit de deskundigenrapportage is gebleken dat de schade aan de Penstemon van [geïntimeerde] daadwerkelijk is veroorzaakt door de herbiciden die door [appellanten] zijn gebruikt, had dit wel op de weg van [geïntimeerde] gelegen. Uit het enkele feit dat in de op 3 juni 2021 genomen monsters van de gewassen van [geïntimeerde] de vastgestelde concentraties herbiciden zijn aangetroffen, vloeit nog niet voort dat deze gewassen op 20 mei 2021 door de herbiciden van [appellanten] zijn getroffen in een mate die schadelijk is.
5.12.
[appellanten] hebben ook andere specifieke bezwaren tegen de zienswijze van [geïntimeerde] en de door hem ingeschakelde partijdeskundigen ingebracht. Zij hebben erop gewezen dat het aangetroffen schadepatroon niet overeenkomt met het patroon van spuitschade. Het perceel van [geïntimeerde] liet een gelijkmatig verdeeld schadebeeld zien en ook op 80 meter afstand van het perceel waarop [appellant 3] de spuitwerkzaamheden verrichtte, is schade aan de Penstemon geconstateerd. Daarbij wordt niet alleen verwezen naar de gerapporteerde constateringen van de drie geraadpleegde partijdeskundigen van [appellanten] , te weten de heren [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] , maar ook naar de analyse en rapportage van de door [geïntimeerde] geraadpleegde partijdeskundige [naam 3] . Blijkens het onder 3.7 aangehaalde bericht van [naam 1] constateerden [naam 2] en hijzelf een schade “egaal over het perceel en dus ook het verst van aangrenzend bietenperceel”. Ook [naam 4] getuigt in zijn rapport van een schadebeeld waarbij alle planten beschadigd waren: “Het gewas Penstemon is volledig bruin verkleurd ongeacht de locatie op het perceel.” Het rapport van [naam 3] vermeldt het volgende: “Er is op 3 afstanden van het buurperceel een bladmonster genomen. Het betreft een monster direct naast het bieten perceel. Een monster halverwege het perceel en een bladmonster helemaal aan de andere kant van het perceel. Deze bladmonsters zijn in het laboratorium van Groen Agro Control onderzocht op aanwezigheid van herbiciden. Uit alle drie de analyses blijkt dat alle vier de stoffen die door de buurman zijn toegepast in het blad aangetoond kunnen worden. Dat geldt voor de gehele breedte van het perceel.” [appellanten] betwisten ook de juistheid van de gevolgtrekking die [naam 3] en [geïntimeerde] verbinden aan de schade aan de brandnetels. De overgelegde foto’s die de schade in beeld moeten brengen zijn volgens [appellanten] onduidelijk, nietszeggend en niet verifieerbaar. Ter verklaring van de gestelde afwezigheid van schade aan de gewassen op de eerste paar meters van het perceel van [geïntimeerde] , wijzen [appellanten] op een schuur die maakt dat de desbetreffende enkele meters in de luwte van de wind liggen, met als gevolg dat de storm daar geen schade heeft veroorzaakt.
5.13.
Alles overziend houden de bezwaren van [appellanten] tegen de bevindingen van [naam 3] en [naam 6] naar het oordeel van het hof een gemotiveerde en overtuigende betwisting in van de juistheid van hun zienswijze. Dit betekent dat het hof, anders dan de rechtbank, niet zal uitgaan van de juistheid van de conclusies zoals neergelegd in het rapport van [naam 3] . Dit leidt tot de slotsom dat de vooralsnog vastgestelde feiten en omstandigheden noch de conclusie kunnen dragen dat een gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW zich heeft verwezenlijkt noch dat hinder of verontreiniging is toegebracht in een mate of op een wijze die onrechtmatig is.
5.14.
Zoals hiervoor is overwogen rust de bewijslast in deze zaak op [geïntimeerde] en daarmee ook het bewijsrisico dat de toedracht of oorzaak van de schade niet komt vast te staan. [geïntimeerde] heeft een bewijsaanbod gedaan. Hij zal worden toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat zich een bijzonder gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW heeft verwezenlijkt dan wel dat de gestelde gewasschade op het perceel van [geïntimeerde] is ontstaan als gevolg van een fout aan de zijde van [appellanten] Concreet zal [geïntimeerde] worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [appellant 3] zijn spuitwerkzaamheden in de ochtend van 20 mei 2021 voortzette tot 9:25 uur terwijl de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de door [appellanten] gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt.
5.15.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6Beslissing
Het hof:
laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat [appellant 3] zijn spuitwerkzaamheden in de ochtend van 20 mei 2021 voortzette tot 9:25 uur terwijl de windsnelheid en windrichting ter plaatse zodanig waren dat de door [appellanten] gespoten herbiciden op het perceel van [geïntimeerde] terecht zijn gekomen en daar gewasschade hebben veroorzaakt;
beveelt dat, indien [geïntimeerde] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. A.L.M. Keirse, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en tijdstip;
verwijst de zaak naar de rol van 26 november 2024 voor opgave door beide partijen van hun verhinderdata en die van de door [geïntimeerde] voor te brengen getuigen in de maanden december 2024 tot en met april 2025, evenals voor opgave van de namen van de voor te brengen getuigen;
bepaalt dat indien een partij zich ter gelegenheid van het getuigenverhoor op een stuk wil beroepen dat nu nog geen onderdeel uitmaakt van de processtukken, deze partij dat stuk uiterlijk twee weken voor het plaatsvinden van het getuigenverhoor bij akte in het geding dient te brengen, met afschrift aan de wederpartij(en);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M. Korsten-Krijnen, mr. J.W. Hoekzema en mr. A.L.M. Keirse en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|