Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:6569 
 
Datum uitspraak:21-10-2026
Datum gepubliceerd:02-11-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:C/08/345087 / HA ZA 26-57
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Afwijzing vordering tot vergoeding van schade op grond van een belastingschadeclausule na verkoop landbouwgrond omdat de aanspraak is vervallen. Eisers hebben door het aangaan van een minnelijke regeling met de belastingdienst de gedaagde niet de kans gegeven daadwerkelijke inspraak te hebben in de vaststelling van de WEVAB-waarde van de landbouwgrond.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
agrarisch
inkomstenbelasting
koopovereenkomst
landbouwgrond
landbouwvrijstelling
taxatie
vennootschapsbelasting
wettelijke rente
wev
wevab
 
Uitspraak
RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/345087 / HA ZA 26-57


Vonnis van 28 oktober 2026


in de zaak van




1 [eiseres 1] ,
te [vestigingsplaats 1] ,2. [eiser 1],
te [woonplaats 1] ,3. [eiseres 2],
te [woonplaats 2] ,4. [eiser 2],
te [woonplaats 3] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R.F.A. Rorink,

tegen


DE PROVINCIE OVERIJSSEL,
te Zwolle,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Provincie,
advocaat: mr. F. Sepmeijer.





1De zaak en het oordeel in het kort

De Provincie heeft in het kader van de bedrijfsverplaatsing van de kalverhouderij van [eisers] landbouwgrond van hen gekocht. In de koopovereenkomst is een belastingschadeclausule opgenomen waar [eisers] in deze procedure een beroep op doen. De Provincie vindt dat de aanspraak van [eisers] vervallen is omdat niet aan de in de clausule opgenomen voorwaarden is voldaan. Indien wel aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding van belastingschade, vindt de Provincie dat de gevorderde schadevergoeding te hoog is. De rechtbank komt tot het oordeel dat de aanspraak van [eisers] op vergoeding van belastingschade is vervallen en zal de vorderingen van [eisers] daarom afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.




2De procedure


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 21 augustus 2026 met producties van [eisers] ;- de mondelinge behandeling van 3 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


3.1

[eisers] dreven een kalverhouderij in [vestigingsplaats 2] . In verband met de ontwikkelopgave NNN/Natura 2000 heeft de Provincie [eisers] verzocht mee te werken aan de verplaatsing van de kalverhouderij naar [vestigingsplaats 1] .



3.2
Op 13 november 2020 hebben partijen een ‘Overeenkomst inzake bedrijfsverplaatsing’ (hierna: de overeenkomst) gesloten op basis waarvan de Provincie “cultuurgrond en erf, bedrijfsopstallen en woning, met al het toebehoren (inclusief de aan de natuurvergunning voor deze locatie verbonden emissierechten) gelegen aan of nabij de [adres]” van [eisers] heeft gekocht. Vervolgens heeft de Provincie de woning met opstallen, tuin, ondergrond, erf en omliggende cultuurgronden met bos ter grootte van in totaal 11.25.29 ha, terug verkocht aan [eisers] Per saldo heeft de Provincie ruim 25 ha landbouwgrond van [eisers] gekocht. De kalverhouderij is daarna verplaatst naar [vestigingsplaats 1] en [eiser 1] en [eiseres 2] zijn in het woonhuis in [vestigingsplaats 2] blijven wonen.



3.3
Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst hebben partijen de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB-waarde) van de landbouwgronden vastgesteld op € 11,50 per m².



3.4
In de overeenkomst is in artikel 22 een belastingschadeclausule opgenomen die als volgt luidt:


“
Belastingschadeclausule


artikel 22




Indien en voor zover in de koopprijs posten zijn begrepen die fiscaal als inkomen worden beschouwd (inkomensschade) en waarover meer of eerder inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen dan wel vennootschapsbelasting wordt geheven dan geheven zou zijn indien datzelfde inkomen zonder de onderhavige verkoop, anders verdeeld en op andere tijdstippen aan verkoper zou zijn toegevallen, zal het nadelig verschil, de zogenaamde “belastingschade”, door de provincie aan verkoper boven de overeengekomen koopprijs worden vergoed voor in totaal 75 procent van de belastingschade zoals onderstaand nader is omschreven.




De in lid 1 bedoelde vergoeding van 75 procent van de belastingschade betreft uitsluitend het nadelig verschil dat betrekking heeft op de waardering van de cultuurgronden. Het betreft het eventuele waardeverschil tussen de WEV (waarde economisch verkeer) en de WEVAB-waarde (waarde in het economisch verkeer bij duurzaam voortgezet agrarisch gebruik en bestemming) zoals die vastgelegd wordt tussen de fiscus en verkoper eventueel in overleg zoals bepaald in lid 10 van dit artikel.




(…)

6. Partijen komen overeen dat een verzoek tot vergoeding van belastingschade uitsluitend plaatsvindt naar aanleiding van de door de inspecteur der belastingen opgelegde onherroepelijke versie van de aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting. Indien de aanslag uitgaat van een lagere WEVAB van de cultuurgrond dan € 11,50, dan zal verkoper tegen de aanslag bezwaar aantekenen binnen de bezwarentermijn van 6 weken. Verkoper stemt de onderbouwing van het bezwaar tijdig af met Provincie en voert de door Provincie aangedragen argumentatie op bij zijn onderbouwing. Indien door verkoper niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit artikellid, dan vervalt zijn aanspraak op vergoeding van de belastingschade door Provincie. Aantekenen van bezwaar kan achterwege blijven als verkoper daarvoor voor afloop van de bezwarentermijn een schriftelijke bevestiging van Provincie heeft gevraagd en gekregen.”



3.5
Omdat [eisers] onder horizontaal toezicht van de belastingdienst vallen hebben zij in 2022 vooroverleg met de belastingdienst gevoerd over de fiscale verantwoording van de bedrijfsverplaatsing en met name de koop en verkoop van de percelen landbouwgrond. Om tot een uitsplitsing van de totale in de overeenkomst opgenomen koopprijs van € 4.130.000,- te komen, heeft een minnelijke taxatie plaatsgevonden van de door [eisers] aan de Provincie verkochte onroerende zaken, te weten het erf, de opstallen en ondergrond en de landbouwgronden.



3.6
De minnelijke taxatie van de landbouwgronden heeft op 4 april 2022 plaatsgevonden door twee taxateurs: de door de belastingdienst aangedragen taxateur

[naam 1] en de door [eisers] aangedragen taxateur, [naam 2] (hierna: [naam 2] ). De taxateurs hebben de WEVAB-waarde van de landbouwgronden bepaald op € 10,50 per m².



3.7
Op 8 september 2023 hebben [eisers] aangifte inkomstenbelasting over 2021 gedaan. Bij die aangifte hebben zij een waarde van de landbouwgronden van € 11,50 per m² opgegeven. De belastingdienst heeft vervolgens op 22 juli 2024 belastingaanslagen opgelegd waarbij uit is gegaan van de minnelijk vastgestelde WEVAB-waarde van € 10,50 per m². Omdat de landbouwvrijstelling alleen geldt tot de WEVAB-waarde, leidt de gehanteerde waarde van € 10,50 per m² (in plaats van € 11,50 per m²) tot een verhoging van het voor de inkomstenbelasting te verantwoorden resultaat met een bedrag van € 225.000,-. De belastingdienst heeft de vennoten van [eiseres 1] (eisers sub 2 t/m 4) daarom belastingaanslagen van (in totaal) € 137.099,- opgelegd.



3.8

[eisers] hebben op 25 juli 2024 voor alle vennoten afzonderlijk bezwaar tegen de belastingaanslagen gemaakt. De bezwaren zijn op 11 november 2024 afgewezen. [eisers] hebben de Provincie vervolgens bericht dat zij belastingschade hebben geleden en hebben de Provincie op grond van artikel 22 van de overeenkomst verzocht 75% van die schade te vergoeden. De Provincie heeft dat geweigerd en heeft in haar e-mail van 25 april 2024 onder andere geschreven: “Het bevreemdt ons dat er in april 2022 een minnelijke overeenkomst met de Belastingdienst is gesloten met een lagere WEVAB waarde. Wij zijn daar niet in gekend en staan daar volledig buiten.”






4Het geschil


4.1

[eisers] vorderen – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad:
I. De provincie te veroordelen om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 114.130,-, vermeerderd met de wettelijke rente, primair vanaf 5 juni 2025, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
II. De Provincie te veroordelen om aan [eisers] te voldoen de buitengerechtelijke kosten ad € 1.916,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
III. De Provincie te veroordelen in de kosten van de procedure.



4.2
De Provincie voert verweer. De Provincie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


5.1
In deze procedure moet als eerste de vraag worden beantwoord of [eisers] een beroep kunnen doen op artikel 22 van de overeenkomst (de belastingschadeclausule) of dat hun aanspraak is vervallen. Wanneer vast komt te staan dat de Provincie gehouden is belastingschade van [eisers] te vergoeden, moet de vraag beantwoord worden hoe hoog de door [eisers] geleden schade is.


Aanspraak op vergoeding belastingschade is vervallen



5.2
Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 22 op verzoek van [eisers] in de definitieve overeenkomst is opgenomen, omdat de adviseurs van [eisers] een belastingclaim voorzagen wanneer de belastingdienst de WEVAB-waarde op een lager bedrag zou vaststellen dan € 11,50 per m². Partijen verschillen echter van mening over hoe het artikel precies uitgelegd moet worden. Volgens [eisers] geeft artikel 22 alleen de verplichting bezwaar te maken tegen een lagere vaststelling van de WEVAB-waarde en is in artikel 22 niet opgenomen dat zij geen minnelijke regeling met de belastingdienst mochten aangaan. Sterker nog, het feit dat in de overeenkomst staat dat de WEVAB-waarde “vastgelegd wordt tussen de fiscus en de verkoper” duidt er volgens [eisers] op dat partijen de mogelijkheid van een minnelijke vaststelling hebben voorzien. Volgens [eisers] stond het hen daarom vrij de WEVAB-waarde minnelijk vast te stellen op
€ 10,50 per m². De Provincie betwist dat. Volgens de Provincie was de bedoeling van partijen bij artikel 22 dat [eisers] zich maximaal zouden inspannen om belastingschade te voorkomen, althans deze zo laag mogelijk te houden. [eisers] wisten daarom dat zij – gelet op hun verplichtingen – geen voor de Provincie nadelige minnelijke regeling met de belastingdienst mochten aangaan, zonder de Provincie daarin te kennen.



5.3
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of het beroep van [eisers] op artikel 22 van de overeenkomst is vervallen, moet eerst worden vastgesteld wat partijen zijn overeengekomen. Daarbij komt het aan op de uitleg van de overeenkomst. Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst moet niet alleen gekeken worden naar de taalkundige betekenis van een bepaling, maar ook naar wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden (de zogenaamde Haviltex-maatstaf). Het draait daarbij om de gerechtvaardigde verwachtingen die partijen op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs over en weer mochten hebben.



5.4
Uit artikel 22 lid 6 volgt dat [eisers] slechts een verzoek tot vergoeding van de belastingschade kunnen doen op grond van de definitieve vaststelling van de beslastingaanslag en dat zij, voorafgaand aan die definitieve vaststelling, verplicht zijn om bezwaar te maken tegen een lagere vaststelling van de WEVAB-waarde dan € 11,50. De inhoud van dat bezwaar moet tijdig worden afgestemd met de Provincie en de argumentatie van de Provincie moet bij het bezwaar worden gebruikt. Die verplichtingen zijn, zoals de Provincie aanvoert en [eisers] niet hebben weersproken, opgenomen omdat de Provincie geen inzage heeft in de communicatie tussen [eisers] en de belastingdienst en dat zij ook geen invloed kan uitoefenen op de vaststelling van de WEVAB-waarde door de belastingdienst omdat zij daarbij geen partij is. Indien [eisers] de verplichtingen van lid 6 niet nakomen, vervalt hun recht op vergoeding van belastingschade. Niet is opgenomen dat dat recht ook vervalt indien [eisers] de WEVAB-waarde in een minnelijke regeling samen met de belastingdienst op een lager bedrag vaststellen dan € 11,50. Toch oordeelt de rechtbank dat de aanspraak op vergoeding van belastingschade is komen te vervallen als gevolg van deze lagere minnelijke vaststelling. Daarvoor is het volgende redengevend.



5.5
Uit de toelichting van partijen op de bewoordingen van artikel 22 lid 6 leidt de rechtbank af dat artikel 22 zo moet worden uitgelegd dat [eisers] zich moesten inspannen om eventuele belastingschade te voorkomen en dat zij er ook zo veel mogelijk zorg voor moesten dragen dat de Provincie daadwerkelijk inspraak verkreeg in de vaststelling van de WEVAB-waarde door de belastingdienst. Dat betekent dat het [eisers] niet vrij stond de WEVAB-waarde bij minnelijke regeling met de belastingdienst vast te stellen op een lagere waarde, zonder de Provincie daarin te kennen. Door dit te doen hebben [eisers] de Provincie de kans ontnomen om daadwerkelijke inspraak te hebben in de vaststelling van de WEVAB-waarde. Partijen zijn het er immers over eens dat het bezwaar tegen de latere belastingaanslagen op voorhand kansloos was door de minnelijke regeling. Anders dan [eisers] hebben gesteld, blijkt uit de overeenkomst niet dat de mogelijkheid van een dergelijke minnelijke vaststelling van de WEVAB-waarde bij de totstandkoming van de overeenkomst met de Provincie, is voorzien. Ter zitting is namens [eisers] bovendien verklaard dat een eventuele minnelijke vaststelling in dat stadium niet ter sprake is gekomen. Van [eisers] mocht daarom verwacht worden dat zij voorafgaand aan de minnelijke taxatie contact met de Provincie zouden opnemen, zodat standpunten van de Provincie over de waarde van de grond op dat moment al met de deskundigen konden worden gedeeld. Ook hadden [eisers] nadat de grond op een waarde van € 10,50 per m² was vastgesteld, contact op kunnen nemen met de Provincie om tot afstemming te komen over het al dan niet aangaan van die minnelijke regeling, omdat zij op dat moment al wisten dat door het aangaan van die regeling de belastingclaim een feit was.



5.6
Indien [eisers] geen contact met de Provincie konden of wilden opnemen ten tijde van het aangaan van de minnelijke regeling, hadden zij er, zelfs ook nog na de taxatie op € 10,50, voor kunnen en moeten kiezen de minnelijke regeling niet aan te gaan en te wachten op een belastingaanslag waartegen zij, met inachtneming van de argumenten van de Provincie, bezwaar zouden kunnen maken. Gelet op het voorgaande hebben [eisers] door het aangaan van de minnelijke regeling de Provincie de kans op daadwerkelijke inspraak in de vaststelling van de WEVAB-waarde ontnomen, waardoor de rechtbank oordeelt dat hun aanspraak op vergoeding van de belastingschade op grond van artikel 22 lid 6 is vervallen.



5.7
De rechtbank volgt [eisers] niet in hun standpunt dat de Provincie heeft bijgedragen aan het ontstaan van de belastingschade omdat zij haar eigen (interne) taxatierapport niet eerder met [eisers] heeft gedeeld. [eisers] gaan er bij dat standpunt namelijk aan voorbij dat de Provincie voor het verkrijgen van informatie over de vaststelling van de WEVAB-waarde door de belastingdienst, afhankelijk van [eisers] was en het daarom in de eerste plaats aan [eisers] was om tijdig contact met de Provincie op te nemen.



5.8
Gezien het feit dat de aanspraak op de vergoeding van belastingschade is vervallen als gevolg van het vastleggen van de minnelijke regeling zonder afstemming met de Provincie, behoeft het verweer van [eisers] dat zij wél voldoende afstemming met de Provincie hebben gezocht over het te maken bezwaar, geen bespreking meer. Of daarvan al dan niet sprake is geweest doet immers niet meer ter zake omdat het recht op een vergoeding al is vervallen als gevolg van het handelen van [eisers]


Conclusie



5.9
Gelet op het voorgaande is de aanspraak op vergoeding van de belastingschade door [eisers] op grond van artikel 22 lid 6 van de overeenkomst vervallen. Dat betekent dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen.


Proceskosten



5.10

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Provincie worden begroot op:









- griffierecht


€


7.062,00







- salaris advocaat


€


4.102,00


(2 punten × € 2.051,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


11.353,00











5.11
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






6De beslissing

De rechtbank


6.1
wijst de vorderingen van [eisers] af,



6.2
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 11.353,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.(mb)




Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Ermes/Haviltex.
Link naar deze uitspraak