Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:155 
 
Datum uitspraak:14-04-2026
Datum gepubliceerd:14-04-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/47
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Boete. Feitelijk leidinggeven. Niet aangetoond dat de beboete persoon feitelijk leiding heeft gegeven aan de overtreding in een bepaalde periode.
Trefwoorden:landbouw
meststoffenwet
pluimvee
stallen
veehouderij
Wetreferenties:Meststoffenwet
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/47

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 op het hoger beroep van:

[naam] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2023, 23/2693, in het geding tussen


[naam] en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)




Procesverloop in hoger beroep


[naam] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:8300).

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.


[naam] heeft nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 3 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] , zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.



Grondslag van het geschil


1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.



1.2
Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben een controle verricht naar de verantwoordingsplicht door bedrijven die actief zijn op de bedrijfslocatie [adres] te [woonplaats] , waar pluimvee wordt gehouden. Op deze locatie bevinden zich acht stallen en één mestloods. De acht stallen stonden tot en met 27 maart 2017 geregistreerd op naam van het eenmansbedrijf van [naam] . Daarna stonden twee stallen geregistreerd op naam van één B.V. en zes stallen op naam van een andere B.V. Vanaf 30 december 2017 stonden alle stallen op naam van de laatste B.V. [naam] was (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van de B.V.’s. [naam] heeft tegenover de toezichthouders aangegeven dat de verschillende bedrijven als één onderneming worden gevoerd. In de mestloods en bij afvoer vindt vermenging van mest plaats, waardoor de mest niet per bedrijf is toe te schrijven. De toezichthouders hebben daarom de verantwoording van de verschillende bedrijven gezamenlijk bekeken. De toezichthouders hebben hun bevindingen opgenomen in een rapport van bevindingen.



1.3
Met zijn besluit van 15 september 2022 (boetebesluit) heeft de minister aan [naam] een boete opgelegd van € 22.712,- wegens het feitelijk leidinggeven aan overtreding in 2017 van de in artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw) opgenomen verantwoordingsplicht, omdat 2.292 kg fosfaat niet is verantwoord.



1.3
Bij zijn besluit van 22 maart 2023 (beslissing op bezwaar), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het boetebesluit gehandhaafd.




Uitspraak van de rechtbank


2.1
De rechtbank heeft het beroep van [naam] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.



2.2
De rechtbank is van oordeel dat [naam] terecht als feitelijk leidinggevende is aangemerkt. In dit geval heeft [naam] ter zitting erkend dat hij als eigenaar van de eenmanszaak geheel verantwoordelijk is voor de gang van zaken binnen die eenmanszaak. Hij is echter van mening dat dat anders ligt bij de vennootschappen waarvan hij (100%) eigenaar en bestuurder is. Niet staat ter discussie dat hij als eigenaar en bestuurder beschikkingsmacht had over het bijhouden van de mestboekhouding. Hij was bevoegd hier toezicht op te houden en instructies te geven. Ter zitting is gebleken dat het voor de bedrijfsvoering niet uitmaakte om welk bedrijf het precies ging. Personeel was bij beide vennootschappen in dienst en tot en met 27 maart 2017 (ook) bij de eenmanszaak. Er is een bedrijfsleider aangesteld. De bedrijfsleider loste op de locatie waar de kippen worden gehouden alles zelf op, soms in overleg met de adviseur die feitelijk als financieel manager fungeerde. Aan haar legde de bedrijfsleider in eerste instantie verantwoording af. Als er problemen zijn waarmee [naam] iets moest, moest de bedrijfsleider dat zelf aangeven. [naam] heeft daarmee de kans aanvaard dat er fouten werden gemaakt in de mestboekhouding, terwijl hij wist of moest weten dat dit een essentieel onderdeel van de normale bedrijfsvoering van een (pluim)veehouderij is. [naam] was, toen hij nog een eenmanszaak had, voor de hele gang van zaken binnen de eenmanszaak verantwoordelijk. Hij wist dus dat het voeren van een mestboekhouding van belang was. Dat eerder geen overtredingen zijn geconstateerd, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af. [naam] is en blijft verantwoordelijk voor bedrijfsprocessen die een normaal en belangrijk onderdeel zijn van de bedrijfsvoering. [naam] kan die verantwoordelijkheid niet van zich afschuiven door volledig op zijn bedrijfsleider te vertrouwen. De conclusie van de minister dat [naam] als feitelijk leidinggevende moet worden aangemerkt wordt ondersteund door wat hij ter zitting over de bedrijfsvoering heeft verklaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat naast het zeggenschapscriterium ook aan het aanvaardingscriterium is voldaan. [naam] is daarom aan te merken als feitelijk leidinggevende.




Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3 [naam] voert aan dat hij ten onrechte als feitelijk leidinggever is aangemerkt. De rechtbank heeft volgens [naam] geen goed beeld van de feitelijke gang van zaken c.q. heeft deze niet goed gewogen. De rechtbank heeft feitelijk leidinggeven aangenomen vanwege een te passieve houding van [naam] . Anders dan de rechtbank aanneemt, heeft [naam] niet alles maar op zijn beloop gelaten. Hij wilde geïnformeerd worden en werd ook op de hoogte gehouden via overleggen en e-mail, rechtstreeks of in de cc. [naam] heeft ter onderbouwing een aantal e-mails overgelegd. [naam] heeft vertrouwd op zijn bedrijfsleider en mocht dat ook, maar hij heeft dat nimmer “volledig” gedaan. In dit verband is van belang dat de bedrijfsleider kundig en uiterst capabel is. Hij is met name van de mestboekhouding uitzonderlijk goed op de hoogte. Waar nodig of gewenst was sprake van afstemming met de bedrijfsadviseur, waardoor in feite sprake was van een dubbel slot op de deur. Bovendien was er aan het einde van ieder kalenderjaar een moment dat de zaken werden nagelopen. Bovendien is van belang dat er niet eerder overtredingen zijn geconstateerd, aldus [naam] .

4 De minister stelt zich op het standpunt dat [naam] wel degelijk kan worden beschouwd als feitelijk leidinggever aan de overtreding. Van een leidinggevende rol van de bedrijfsleider en/of financieel manager blijkt niet uit de verklaring van [naam] van 28 juni 2018 en de mailcontacten tussen de inspecteurs en de medewerkers van [naam] . De overgelegde mailberichten zijn niet allemaal relevant en betreffen verder geen verifieerbare stukken. Uit de berichten blijkt niet van feitelijk leidinggeven door anderen. Ook ondersteunen de berichten niet de stellingen van [naam] dat hij zou hebben vertrouwd op zijn bedrijfsleider en onvoldoende reden had om zich met de zaken te bemoeien of in te grijpen. De ingebrachte mailberichten bevestigen eerder het beeld dat de bedrijfsleider meer een facilitair manager was. Daar komt nog bij dat [naam] pas in bezwaar heeft gesteld dat hij volledig vertrouwde op zijn bedrijfsleider. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat [naam] goed op de hoogte is van gang van zaken op zijn bedrijven. Overigens zijn er volgens de minister in het verleden wel rapporten van bevindingen opgemaakt, maar hebben die vanwege de verjaringstermijn niet geleid tot een boete.


5.1
In geschil is of [naam] kan worden aangemerkt als overtreder in de periode dat het bedrijf op naam stond van de B.V.’s. [naam] bestrijdt niet dat hij de overtreding heeft begaan in de periode dat het bedrijf werd gevoerd als eenmanszaak.



5.2
Volgens de jurisprudentie (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, en de uitspraak van het College van 6 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:366) kan van feitelijke leidinggeven aan verboden gedragingen onder omstandigheden sprake zijn indien de desbetreffende functionaris - hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden - maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. Voor het aannemen van feitelijk leidinggeven aan de gedraging is op zichzelf niet voldoende dat iemand bestuurder is van een rechtspersoon die een overtreding heeft begaan.



5.3
Op de minister rust de bewijslast van het feitelijk leidinggeven aan de overtreding. De minister heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat [naam] als enig (indirect) bestuurder bij uitstek bevoegd en ook redelijkerwijs gehouden was om overtreding van de Msw te voorkomen. De minister heeft aan deze conclusie geen bevindingen uit het onderzoek ten grondslag gelegd. Volgens de minister was onderzoek niet nodig, omdat [naam] niet tijdens de onderzoeksfase naar voren heeft gebracht dat sprake was van een bedrijfsleider die verantwoordelijk was voor de mestboekhouding. Uit het feit dat [naam] dit destijds niet naar voren heeft gebracht kan echter niet worden afgeleid dat hij hiervoor verantwoordelijk was. Dat [naam] enig (indirect) bestuurder is van de betrokken B.V.’s is op zichzelf niet voldoende om dit aan te nemen. De minister had daarom nader onderzoek moeten doen en moeten nagaan hoe de taakverdeling was op het bedrijf, wat er precies was geregeld over het bijhouden van de mestboekhouding en het voldoen aan de verantwoordingsplicht, en wat [naam] in dit verband is aan te rekenen. Dat heeft de minister niet gedaan. Dit betekent dat de minister niet heeft aangetoond dat [naam] feitelijk leiding heeft gegeven aan de overtreding in de periode dat de stallen op naam van de B.V.’s stonden.



5.4
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Het College stelt vast dat de Msw er niet in voorziet wat de hoogte van boete moet zijn in een situatie als deze waarin voor een deel van het jaar niet is aangetoond dat de beboete persoon de overtreding heeft begaan. Omdat de periode waarvoor dit niet is aangetoond in dit geval een aanzienlijk deel (iets meer dan negen maanden) van het jaar 2017 besloeg moet dit naar het oordeel van het College gevolgen hebben voor de opgelegde boete. Omdat voor ongeveer een kwart van het jaar wel vaststaat dat [naam] de overtreding heeft begaan, acht het College in dit geval een boete van € 5.678,-, zijnde een kwart van de opgelegde boete, passend en geboden.

6 Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep van [naam] tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaren, deze beslissing vernietigen, het boetebesluit herroepen, de hoogte van boete vaststellen op € 5.678,-, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar.

7 Het College zal de minister veroordelen in de door [naam] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 5.068,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).






Beslissing

Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond;


vernietigt de beslissing op bezwaar;


herroept het boetebesluit;


stelt de hoogte van de aan [naam] opgelegde boete vast op € 5.678,-;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;


draagt de minister op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 463,- aan [naam] te vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam] tot een bedrag van € 5.068,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.






w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof
Link naar deze uitspraak