|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:479 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-10-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 26/604 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris terecht een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtredingen ten aanzien van de huisvesting van de dieren. Ook zijn na de hercontrole vijf konijnen en twee katten naar het voorlopig oordeel terecht in bewaring genomen. In het kader van de belangenafweging heeft de voorzieningenrechter welwillend gekeken of (een klein aantal van) de inbeslaggenomen dieren, gelet op de gehechtheid van verzoeker aan de dieren, inmiddels toch naar hem terug zouden kunnen. Echter is niet duidelijk geworden waar de dieren dan zouden verblijven en of de huisvesting inmiddels in positieve zin is aangepast. De voorzieningenrechter verzoekt RVO om uit coulance te bekijken of de twee katten toch niet terug kunnen naar verzoeker, omdat hij daar erg aan is gehecht en de teruggave na de verkoop onomkeerbaar is. De conclusie is wel dat de voorzieningenrechter verwacht dat de last onder bestuursdwang in bezwaar en eventueel daarna in beroep stand zal houden. | | Trefwoorden | : | bestuursdwang | | | landbouw | | | perceel | | Wetreferenties | : | Wet dieren
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 26/604
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] (verzoeker)
(gemachtigde: J. Parmentier)
en
de staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. J.F. van der Stelt en S. Piron)
Procesverloop in beroep
Met het besluit van 12 juni 2026 heeft de staatssecretaris een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoeker wegens overtredingen van de Wet dieren. De last heeft betrekking op de door verzoeker gehouden konijnen, katten en duiven.
De staatssecretaris heeft op 23 juni 2026 op grond van die last bestuursdwang toegepast door vijf konijnen en twee katten in bewaring te nemen.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 12 juni 2026 bezwaar gemaakt en het College verzocht om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De zitting was op 2 september 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde (via een digitale verbinding) en de gemachtigden van de staatssecretaris.
Overwegingen
Inleiding
1.1
Tijdens een controle op 8 juni 2026 hebben twee districtsinspecteurs van de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LID), in samenwerking met een agent van de (dieren)politie, de gezondheid en het welzijn onderzocht van de door verzoeker gehouden dieren. Tijdens dit onderzoek zijn overtredingen van de Wet dieren vastgesteld. Zij hebben hun bevindingen neergelegd in een toezichtsrapport van 8 juni 2026 (rapport I). Tijdens deze inspectie zijn er door de toezichthouders overtredingen geconstateerd ten aanzien van de huisvesting van de dieren. De inspecteurs beschrijven de aangetroffen situatie, voor zover relevant, als volgt:
“(…)Ik zag tenminste één (1) kat die in een bench verbleef die dicht zat. Daarnaast zag ik dat de duiven nog steeds in het zelfde verblijf verbleven als tijdens eerdere controles. Van mijn bevindingen van deze kamer heb ik fotografische opnamen gemaakt door het afgesloten raam. Daarna liep ik naar het schuurtje toe waarin de konijnen gehuisvest waren. Ik zag dat de konijnen nog steeds in de zelfde verblijven zaten als tijdens eerste controles. Ik zag dat ze wel schoon drinkwater hadden. Ik zag ook dat de konijnen geen schuilmogelijkheden hadden. Nadat ik het schuurtje bekeken had zijn wij naar de voorzijde van het perceel gelopen alwaar de duiventil staat waarin momenteel ook katten gehouden werden. De duiventil was opgedeeld in drie (3) ruimtes, een hal met aan beide kanten een verblijf. Aan de linkerzijde van de hal zat één (1) kat. In het verblijf was schoon drinkwater aanwezig en voer. ook lag er een stukje grastapijt, een mandje en een deel van een krappaal. Ook zag ik dat er een kattenbak stond met daarin kranten. Ik zag dat deze kattenbak redelijk schoon was. Daarna bekeek ik het rechtergedeelte van de duiventil. Ik zag dat hierin twee (2) katten verbleven. Ik zag dat er schoon drinkwater en voer aanwezig was. Ook zag ik dat er meerdere krappalen stonden en ik zag twee (2) kattenbakken die beiden redelijk schoon waren. Ik rook, ondanks dat er een raampje open stond en een raam op een kier van ongeveer twee (2) centimeter openstond, wel een ammoniakgeur. Ik schat de gehele duiventil op ongeveer 5 meter bij 1,8 meter (L x B).(…)”
1.2
Bij besluit van 12 juni 2026 heeft de staatssecretaris verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd met de opdracht herstelmaatregelen te nemen om de geconstateerde overtredingen op te heffen en opgeheven te houden. Tijdens de controle zijn blijkens dit besluit de volgende overtredingen vastgesteld.
1.3
Allereerst is geconstateerd dat verzoeker tenminste één van de katten, duiven en konijnen zodanig beperkt in hun bewegingsvrijheid dat de dieren hierdoor onvoldoende ruimte wordt gelaten voor de ethologische en fysiologische behoeften. Dit is een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.6, tweede lid, van het Besluit houders van dieren. Verzoeker moet ervoor zorgen dat zijn dieren voldoende bewegingsvrijheid hebben. Dit moet hij doen door de navolgende herstelmaatregelen te nemen en in stand te houden:
“Maatregel 1.1: Zorg dat u de bewegingsvrijheid van uw katten niet zodanig beperkt dat uw dieren hierdoor niet kunnen voldoen aan hun natuurlijke behoeften.
Maatregel 1.2: Zorg dat u de bewegingsvrijheid van uw konijnen niet zodanig beperkt dat uw dieren hierdoor niet kunnen voldoen aan hun natuurlijke behoeften.
Maatregel 1.3 Zorg dat u de bewegingsvrijheid van uw duiven niet zodanig beperkt dat uw dieren hierdoor niet kunnen voldoen aan hun natuurlijke behoeften.”
1.4
Daarnaast is geconstateerd dat verzoeker de behuizing en inrichting van de verblijven niet zo heeft gemaakt en onderhouden dat de hier gehuisveste dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden. Dit is ook een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.6, tweede lid, Besluit houders van dieren. Verzoeker moet ervoor zorgen dat hij zijn dieren op de juiste wijze huisvest en moet dat doen door de navolgende maatregelen te treffen en in stand te laten:
“Maatregel 2.1: Zorg dat de verblijven van uw konijnen geschikt zijn voor de diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen. Zorg voor een schuilmogelijkheid voor uw konijnen.
Maatregel 2.2: Zorg dat de verblijven van uw duiven geschikt zijn voor de diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen. Zorg bijvoorbeeld voor een goede bodembedekking zoals een vloerdekkorrel en legschalen en een waterbad.
Maatregel 2.3: Zorg dat de verblijven van uw katten geschikt zijn voor de diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen. Zorg voor een aparte ontlastingsplek.”
Verzoeker moet deze maatregelen nemen voor 22 juni 2026 en deze in stand houden. Als er niet is voldaan aan deze last onder bestuursdwang kunnen de herstelmaatregelen in opdracht van de staatssecretaris worden uitgevoerd of kunnen de dieren worden meegevoerd en opgeslagen. De last ter voorkoming van herhaling is opgelegd voor de duur van twee jaar.
1.5
Tijdens een hercontrole op 23 juni 2026 heeft een districtsinspecteur van de LID, in samenwerking met agenten van de (dieren) politie, vastgesteld dat verzoeker de eerder geconstateerde overtredingen niet heeft beëindigd. De bevindingen van deze controle zijn dezelfde dag vastgelegd in een toezichtsrapport (rapport II). De inspecteurs beschrijven de aangetroffen situatie, voor zover relevant, als volgt:
“Woning
Ik zag door het raam aan de voorkant van de woning in een afgesloten bench een langharige kat zitten. De bewegingsvrijheid van deze kat werd hierdoor beperkt. Nadat ik betrokkene vroeg of hij mij de dieren wilde laten zien in zijn woning en dat wij een machtiging hadden om zijn woning te betreden, liet betrokkene ons toe na het tonen van deze machtiging.
Ik zag in deze ruimte twee benches staan. Ik zag dat de onderste bench open stond en ik zag een rode kat lopen en een aantal zwarte katten, waaronder een aantal kittens welke ik herkende van eerdere controles. Ik zag in de bovenste bench de langharige kat zitten. Ik zag dat deze bench was gesloten. Wel zag ik dat deze kat toegang had tot drinkwater. Betrokkene gaf aan dat deze kat last had van zijn ogen en dat hij deze kat vier keer per dag moest zalven.
Doordat deze kat werd gehouden in een afgesloten bench werd de bewegingsvrijheid van deze kat hierdoor beperkt. (…)
Erf
(…)
Aan de zijkant van de woning ter hoogte van de oprijlaan zag ik een houten konijnenhok met daarin 1 konijn. (…) Bovenop dit konijnenhok stond een plastic bak met aan de bovenzijde tralies. In dit hok zat een klein konijn. Dit konijn had geen enkele mogelijkheid om te kunnen schuilen. Wel had dit konijn een schone huisvesting en ik zag dat er voldoende ruwvoer in de vorm van hooi aanwezig was. Ook zag ik dat dit konijn toegang had tot drinkwater. (…)
Aan de achterzijde van de woning stond een zogenoemde konijnenflat met daarin vier konijnen verdeeld over vier verdiepingen. Elke verdieping had een afmeting van 130 x 55 x 40 cm (LXBXH). Ik zag in de onderste twee hokken in elk hok een groot konijn zitten. Door de afmetingen van deze hokken, hadden deze twee konijnen niet de mogelijkheid om rechtop te kunnen staan. Ook had het konijn in het onderste hok niet de mogelijkheid om te kunnen schuilen. (…)
Ik zag dat deze konijnen wel een schone huisvesting hadden en ik zag dat er voldoende ruwvoer in de vorm van hooi aanwezig was. Ook zag ik dat deze konijnen toegang hadden tot drinkwater. Deze konijnenflat stond in de luwte en ik zag dat de zon op dat moment volop op de zijkant van dit hok scheen. Deze konijnen hadden geen enkele beschutting tegen de zon. Daarnaast werd het die dag meer dan 25 graden en was het onbewolkt. Aannemelijk is dat de temperatuur in dit hok zou oplopen.
Betrokkene gaf later in het gesprek aan dat hij ook wel wist dat het enorm warm zou worden in dit hok en dat hij nog bezig was om schaduw te creëren. Betrokkene gaf aan dat hij een zeil had gekocht en dat hij deze nog voor het hok moest spannen. (…)
Metalen schuurtje
(…)
In dit metalen schuurtje zag ik een zwarte kat in een afgesloten metalen bench zitten. In deze bench stond een kattenbak en een bakje met water en voer. De bewegingsvrijheid van deze kat werd hierdoor beperkt. (…)”
1.6
De staatssecretaris heeft vervolgens de overtredingen zelf beëindigd door bestuursdwang toe te passen. Hij heeft vijf konijnen en twee katten meegevoerd en opgeslagen. In een brief van 26 juli 2026 is aan verzoeker aangegeven dat hij zijn dieren terug kan krijgen als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo moeten de dieren voldoende gezond zijn en de huisvesting in orde zijn. De verblijven waar de dieren gehouden worden moeten geschikt zijn voor de dieren. De konijnen moeten een schuilmogelijkheid hebben, rechtop kunnen staan en voldoende bewegingsvrijheid hebben. Ook de katten moeten voldoende bewegingsvrijheid hebben en een aparte ontlastingsplek. Verder moet verzoeker het bedrag van € 1.043,36 voor de geschatte kosten van het vervoer en de opvang betalen. Verzoeker heeft deze kosten betaald.
1.7
Op 5 augustus 2026 heeft er wederom een hercontrole plaatsgevonden om te bezien of aan de voorwaarden tot teruggave is voldaan. De bevindingen van deze controle zijn vastgelegd in een toezichtsrapport van 17 augustus 2026 (rapport III). De inspecteurs beschrijven de aangetroffen situatie, voor zover relevant, als volgt:
“(…)Ik had inmiddels zoveel konijnenverblijven gezien, deels met konijnen erin en deels op een stapel of weggezet waardoor mij niet duidelijk was waar betrokkene de huisvesting had klaarstaan voor de konijnen die eventueel terug zouden komen. Ik vroeg daarom aan betrokkene om mij de hokken te tonen die hij klaar had staan voor de konijnen die eventueel terug gegeven zouden worden door RVO.
Betrokkene keek om zich heen en wees op op een hok. Vervolgens pakte hij een konijnenhok dat rechtop ergens tegen een tuinhuisje stond en zei dat hij dat hok nog even in orde moest maken, even wat gaas eronder. Betrokkene liep verder en wees op nog 2 hokken die tegen de wand van het chalet aanstonden en wees nog op een ander hok wat ergens in een hoek tegen een schuurtje aanstond en zei dat hij die ook wel even in orde kon maken.
Ik vroeg hem onderwijl of de getoonde hokken uberhaupt groot genoeg waren voor de eventueel terugkerende konijnen omdat ik niet precies wist wat de gewichten/afmetingen van deze konijnen waren waarop betrokkene liet weten dat dit wel zou passen.
Betrokkene heeft de volgende 5 (vijf) hokken aan mij getoond:
Hok 1: Houten hok (kip/konijn) met deels zink op dak.
Ren met 4 open zijden. Nachthok met niet gesloten nachthok (gaasdeur in zijwand). Opening nachthok naar ren zit geheel rechts, tegen gazen zijwand waardoor bij regen dit in nachthok terecht komt/kan komen (afhankelijk vd windrichting). Daarbij tochtstroom van gaasdeur/opening. Op bodem stond een plastic bak met daarin twee grote houtblokken. Onvoldoende bescherming tegen weersomstandigheden en geen gelegenheid tot het maken van 3 tot 4 huppen door de aanwezige
houtblokken. (…)
Hok 2: Wit houten hok, nachthok waar tussenwand naar de ren nagenoeg geheel was weggevreten (houtsplinters/scherpe delen) Betrokkene pakte dit hok tussen
enkele andere lege hokken vandaan en zei erbij ‘moet ik hier nog wel even een bodem inmaken met gaas’. (…)
Hok 3: Grijs houten hok. Bestond uit 2 verdiepingen maar er lag een plaat op de doorgang naar ondergelegen ruimte waardoor er geen toegang naar het ondergelegen gedeelte was. De plaat was niet (goed) sluitend waardoor kier van ongeveer 2 cm was ontstaan bij de rand/wand hetgeen gevaar voor beschadigingen poten konijn geeft. (…)
Hok 4: Klein groen houten konijnenhokje met nachthok (qua afmeting mogelijk geschikt voor lichtgewicht dwergkonijn) (…)
Hok 5: Klein wit houten konijnenhokje die betrokkene achter de metalen schuur tussen andere hokken vandaan pakte en erbij zei ‘en deze kan ik ook wel even klaarmaken’. Ik zal dat de onderzijde van de constructie van dit houten hok niet (meer) goed aan elkaar bevestigd was, de balken los waren en er spijkers uitstaken. (…)
Katten:
Ik vroeg betrokkene mij de huisvesting te tonen die hij klaar had staan voor de voor de 2 katten;
Betrokkene liep ons voor naar een keet verderop op het terrein. Ik zag dat aan de buitenzijde( links van de toegangsdeur) middels zogenaamde voilierepanelen een kleine buitenren was gemaakt. Ik zag dat deze ren ongeveer 1 meter breed en 2 meter lang was en op tegels stond. Ik zag dat deze ren verder geheel leeg was, met leeg bedoel ik geen enkele inrichting. Op de bovenzijde van deze kleine ren was wit zeil vastgeknoopt. Ik zag dat voor de rechterzijde van deze keet deels een laken gespannen was, vermoedelijk tegen de zon.
Deze houten keet was aan de binnenzijde middels een gangetje in het midden verdeeld in twee ruimtes. In het rechterdeel zag ik een zwarte kat zitten. Ik zag dat in deze ruimte o.a twee hogere krabpalen stonden en meerdere verhogingen en schuilgelegenheden aanwezig waren. Ik vroeg naar deze zwarte kat en hoorde betrokkene zeggen dat deze kater eerder weggelopen was maar gelukkig weer terug was gekomen. Ik vroeg hem waar hij de twee katten neer zou gaan zetten die hij eventueel terug zou krijgen waarna hij naar het linkerdeel van de keet verwees.
Ik zag in het linkerdeel van deze keet zeer karig ingericht was en dat er met wat houten balkjes en een plankje, deels bevestigd aan de muur en met 2 poten op de grond, een kleine zitgelegenheid voor max. 1 kat gemaakt was. Daarnaast stond een lager kattenzitje waarvan het pluche deels kapot was. Daarnaast lag een mandje op de grond. Hier tegenover stond een lege kartonnen doos en een kattenbak. Op de vloer lag beton en deels kunstgras. De raampjes in de wand waren iets opengeschoven en daar was een traliepaneeltje voor bevestigd. Onder deze raampjes was op vloerhoogte een kleine doorgang naar buiten gemaakt naar de kleine buitenren van voilierepanelen.
In dit deel van de houten keet was het voor 2 katten niet/onvoldoende mogelijk hun natuurlijke gedrag zoals bijvoorbeeld verkenningsgedrag/patrouilleren te vertonen. (…)
Tevens was er maar 1 comfortabele ligplek aanwezig (op de grond hetgeen niet ideaal is voor een kat). Er waren 2 kleine zitgelegenheden iets van de grond af, verder konden was er alleen maar gelegenheid om op de grond rond te lopen. (…)”
1.8
Op basis van voornoemde bevindingen is besloten niet tot teruggave van de dieren over te gaan. Verzoeker wil nu met zijn verzoek bereiken dat hij zijn dieren wel terugkrijgt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.1
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De overwegingen en het oordeel van de voorzieningenrechter zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
2.2
Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, omdat hij met dit verzoek wil bereiken dat de in bewaring genomen konijnen en katten aan hem worden teruggeven en niet worden verkocht.
2.3
Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk op het verzoek reageert, stelt de voorzieningenrechter allereerst vast dat verzoeker onder bewind staat en woont onder begeleiding bij Stichting [naam 2] . De voorzieningenrechter constateert dat de bewindvoerder tijdens de zitting niet aanwezig was en ook dat de woongebeleider van Stichting [naam 2] waar de dieren zich bevonden er niet was. De voorzieningenrechter stelt dat dit spijtig is, omdat anders wellicht wat meer uitleg gegeven had kunnen worden over de omstandigheden waaronder de dieren worden gehouden. Ook was het heel moeilijk om met verzoeker te communiceren, omdat er niemand aanwezig was om het contact in goede banen te leiden en om in gesprek te gaan met verzoeker. Duidelijk is gebleken dat verzoeker daarbij ondersteuning nodig heeft.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
2.4
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris terecht naar aanleiding van de bevindingen op 8 juni 2026 een last onder bestuursdwang opgelegd en de dieren na de hercontrole van 23 juni 2026 in bewaring genomen. Uit rapport I en wat er tijdens de zitting is besproken blijkt dat tijdens de controle op 8 juni 2026 tenminste één van de katten in een bench verbleef en daardoor zodanig beperkt was in de bewegingsvrijheid dat het dier hierdoor onvoldoende ruimte werd gelaten voor de ethologische en fysiologische behoeften. Ook bleek dat er een aantal konijnen in te kleine hokken en benches zonder schuilmogelijkheden verbleven. De konijnen hadden onvoldoende bewegingsruimte en konden niet tenminste drie huppen maken en op de achterpoten overeind staan.
2.5
Tijdens de hercontrole op 23 juni 2026 is er gekeken of er door verzoeker maatregelen zijn genomen om de overtredingen op te heffen. Dit bleek niet (voldoende) het geval te zijn. Zo verbleven er, zoals blijkt uit rapport II, twee katten in een afgesloten bench en werden een aantal konijnen (nog steeds) gehuisvest in te kleine hokken en benches zonder schuilmogelijkheden. Uit het dossier en uit hetgeen tijdens de zitting is besproken blijkt dat er meerdere controles zijn geweest en er meerdere gesprekken met verzoeker (en ook met zijn begeleider) zijn gevoerd, maar dat dit er niet in heeft geresulteerd dat de verblijven ten tijde van de controles in orde waren. Tijdens de zitting heeft verzoeker ook geen duidelijkheid kunnen geven over de vraag of de huisvesting inmiddels wel in positieve zin is aangepast.
2.6.1
Verzoeker heeft enkel aangevoerd dat hij een aantal bij hem gedumpte konijnen heeft opgevangen, waardoor er minder ruimte was voor zijn eigen dieren. Hij heeft een humanitaire daad verricht door deze dieren niet aan hun lot over te laten.
2.6.2
De voorzieningenrechter overweegt dat ondanks dat verzoeker een goede daad heeft verricht door de gedumpte dieren op te vangen dit niet betekent dat er niet voldaan hoeft te worden aan de wet- en regelgeving. De (tijdelijke) opvang van deze dieren mag niet ten koste gaan van de leefomstandigheden en het dierenwelzijn van de reeds door verzoeker gehouden dieren.
Belangenafweging
2.7
In het kader van de belangenafweging heeft de voorzieningenrechter welwillend gekeken of (een klein aantal van) de inbeslaggenomen dieren, gelet op de gehechtheid van verzoeker aan de dieren, inmiddels toch naar hem terug zouden kunnen. Tijdens de hercontrole op 5 augustus 2026 bleek dat de huisvesting van de dieren verre van op orde was. Zo waren vier van de vijf konijnenhokken niet af en geschikt voor het houden van konijnen. Ook de verblijven voor de katten voldoen niet aan de vereisten die hieraan worden gesteld. Tijdens de zitting is de eventuele teruggave van de dieren ook met verzoeker besproken, maar zoals reeds onder 2.5 is aangegeven is niet duidelijk geworden waar de dieren dan zouden verblijven en of de huisvesting inmiddels in positieve zin is aangepast. Anders dan het gehecht zijn aan de dieren is ook niet gebleken dat verzoeker een (zwaarwegend) belang heeft die het treffen van een voorziening toch nodig maken. Dat maakt dat de voorzieningenrechter gelet op de omstandigheden dan ook onvoldoende aanleiding ziet om het verzoek geheel of gedeeltelijk toe te wijzen.
2.8
Gelet op de gehechtheid van verzoeker aan de in beslaggenomen katten, en dan met name aan één kat (de heilige birmaan), verzoekt de voorzieningenrechter de staatssecretaris echter om uit coulance in overleg met de toezichthouder en woonbegeleider te bezien of teruggave van de twee katten toch niet mogelijk is, omdat teruggave na de verkoop onomkeerbaar is. RVO heeft de dieren om die reden ook in de opvang gehouden in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Wellicht kan worden onderzocht of de huidige huisvesting voor de katten dezelfde is als die in deze procedure ter beoordeling aanleiding is geweest voor deze last of dat er wellicht andere huisvesting voor de katten beschikbaar is.
2.9
De conclusie is wel dat de voorzieningenrechter verwacht dat de last onder bestuursdwang in bezwaar en eventueel daarna in beroep stand zal houden. Ook verder is niet gebleken van zwaarwegende belangen bij verzoeker die het treffen van een voorziening toch nodig maken. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. B.W.N. van den Oever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
w.g. T. Pavićević De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|