|
|
|
| ECLI:NL:CG:1998:2 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-06-1998 | | Datum gepubliceerd | : | 04-11-2026 | | Instantie | : | Centrale Grondkamer | | Zaaknummers | : | V 1622 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Centrale Grondkamer, pachtrecht
Artikel 56c van de Pachtwet (oud)
Verkoopwaarde. Waarde op het moment dat de deskundigen/de Centrale Grondkamer hun oordeel daarover geven. | | Trefwoorden | : | grondkamer | | | pachtwet | | | taxatie | | | | Uitspraak | CENTRALE GRONDKAMER
29 juni 1998
Dossiernummer: V 1622
Beschikking
in de zaak van:
[verpachtster],
-hierna te noemen: verpachtster-, gemachtigde: [gemachtigde], [adres], [postcode] te [plaats],
-tegen-
[pachter],
[adres],[postcode][woonplaats],
-hierna te noemen: pachter-,
gemachtigde: mr. J. Gmelich Meijling te Kapelle (Zld).
2
Het geding in eerste aanleg
De grondkamer voor Zeeland heeft bij beschikking van 24 okto-ber 1997, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 14 november 1997, naar aanleiding van een op 23 mei 1997 door de verpachtster bij haar ingediend verzoek, de verkoopwaarde als bedoeld in artikel 56c van de Pachtwet betreffende de percelen bouwland met sloot en weg, gelegen te [plaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Zeeland],
[kadastrale aanduidingen], totaal groot 45.04.70 ha, vastgesteld op f 764.964,70.
Het geding in hoger beroep
Verpachtster is bij een op 8 december 1997 ter griffie ingeko-men beroepschrift in beroep gekomen van voormelde beschikking. De Centrale Grondkamer leest het beroepschrift aldus dat de verpachtster verzoekt die beschikking te vernietigen en de werkelijke waarde als bedoeld in artikel 56c van de Pachtwet van onderhavige percelen bouwland te bepalen met inachtneming
van de door haar dienaangaande aangevoerde grieven. j1
Pachter heeft hiertegen verweer gevoerd bij een op 6 januari 1998 ter griffie ingekomen verweerschrift, waarbij pachter zich op het standpunt stelt dat de door de grondkamer vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde die in de streek aan verpachte gronden wordt toegekend.
De grieven
Verpachtster heeft aangevoerd dat de grondkamer bij de vast-stelling van de waarde geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de gestegen prijzen van pachtvrije gronden in de regio van de afgelopen jaren, terwijl ook de sinds kort gewij-zigde manier van pachtsomberekening, die tot een hoger netto rendement moet leiden, niet in het getaxeerde bedrag tot uitdrukking is gebracht. Voorts neemt verpachtster het stand-punt in dat beleggers (niet agrariërs) bereid zijn voor deze en vergelijkbare gronden aanzienlijk meer te betalen dan het
3
in de beschikking genoemde bedrag.
Het onderzoek
De Centrale Grondkamer heeft ter plaatse een onderzoek doen instellen, waarvan een rapport is opgemaakt dat in afschrift aan deze beschikking is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.
Bij brief van de griffier van 29 april 1998 is een afschrift van dat rapport aan partijen gezonden met kennisgeving dat binnen veertien dagen eventuele bezwaren daartegen kenbaar gemaakt konden worden, dan wel een verzoek om een mondelinge behandeling kon worden gedaan, waarop binnen de gestelde termijn door de pachter om een mondelinge behandeling is verzocht.
De mondelinge behandeling
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter ,zitting van
15 juni 1998, waar zijn verschenen namens de verpachtster haar gemachtigde [gemachtigde], alsmede pachter en diens zoon [zoon van pachter].
Ter zitting heeft pachter zich op het standpunt gesteld dat de deskundigen van de Centrale Grondkamer zich bij hun taxatie hadden moeten richten op het prijspeil van het gepachte per datum van de taxatie door de grondkamer voor Zeeland, te weten
3 juli 1997. Voorts is pachter de mening toegedaan dat, zelfs indien met het voorgaande geen rekening zou zijn gehouden, het verschil in de getaxeerde verkeerswaarde van thans bijna 30% onverklaarbaar groot is.
[Gemachtigde] heeft zich namens verpachtster ter zitting ge-
refereerd aan het oordeel van de Centrale Grondkamer voor wat
betreft het moment van de waardering van de verkoopwaarde.
1 1
4
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
1. Het standpunt van de pachter dat de Centrale Grondkamer bij haar taxatie van de verkoopwaarde had behoren uit te gaan van het prijspeil per 3 juli 1997, kan geen stand houden. De Centrale Grondkamer is van oordeel dat het wettelijk systeem met zich brengt dat de taxatie in beroep een nieuwe taxatie is naar de waarde van het moment waarop deskundigen respectieve-lijk de Centrale Grondkamer hun oordeel daarover geven.
2. Het verschil in de getaxeerde verkoopwaarde tussen de taxatie van de deskundigen van de grondkamer voor Zeeland en die van de Centrale Grondkamer kan deels worden verklaard door het feit dat de Centrale Grondkamer een goede ontsluiting van het gepachte heeft vastgesteld, terwijl de grondkamer uitgaat van een matige tot slechte ontsluiting. Daarenboven is de waarde niet alleen afhankelijk van bedrijfseconomische aspecten maar vooral ook van marktprijsvorming. De sterke grondprijsstij-ging ter plaatse is als zodanig niet door de pachter bestreden en deskundigen hebben, naar uit hun rapport blijkt, deze mede bij hun waardering in aanmerking genomen.
3. De Centrale Grondkamer acht, gelet op het vorenoverwogene en in aanmerking genomen hetgeen overigens uit het uitgebrachte rapport blijkt, de door deskundigen gewaardeerde verkoopprijs van het gepachte juist en zij zal dat rapport dan ook volgen.
Slotsom
De beschikking, waarvan beroep, kan niet in stand blijven
Beslissing
De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking, waarvan beroep, en opnieuw beschik-
1
kende:
5
bepaalt de waarde als bedoeld in artikel 56c van de Pachtwet
van het onderhavige pachtobject op f 992.065,50 in totaal.
Deze beschikking is gegeven op 29 juni 1998 door mrs. Kok, voorzitter, Kerssemakers en Bierman en de deskundige leden Jansens van Gellicum en Hamelink, in tegenwoordigheid van Wagener als plaatsvervangend griffier.
. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|