|
|
|
| ECLI:NL:CG:2026:6 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-07-2026 | | Instantie | : | Centrale Grondkamer | | Zaaknummers | : | GP 11.865 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Centrale Grondkamer, pachtrecht Artikel 7:348 BW Rooien en vervangen deel van de boomgaard is noodzakelijk voor doelmatig gebruik van het gepachte door pachter. Sprake van ouderdom en vruchtboomkanker. | | Trefwoorden | : | grondkamer | | | pachtkamer | | | | Uitspraak | CENTRALE GRONDKAMER
Datum: 19 maart 2026
Dossiernummer: GP 11.865
Beschikking
in de zaak van:
[verpachter],
wonend in [woonplaats],
hierna te noemen: verpachter,
gemachtigde: mr. ing. A. van Weverwijk, advocaat in Geldermalsen,
-tegen-
[pachter],
wonend in [woonplaats],
hierna te noemen: pachter,
gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers, advocaat in Arnhem.
De beslissing van de Centrale Grondkamer in het kort
Pachter heeft gevraagd om een machtiging voor het rooien en vervangen van zeven hectare appelbomen op de gepachte boomgaard. De grondkamer heeft dit verzoek toegewezen. Verpachter is het niet eens met de beslissing van de grondkamer en wil dat het verzoek alsnog wordt afgewezen.
De Centrale Grondkamer wijst het hoger beroep van verpachter af en laat de beschikking van de grondkamer in stand.
Hierna legt de Centrale Grondkamer de beslissing uit. Eerst beschrijft de Centrale Grondkamer onder 1. en 2. wat er in de procedure bij de grondkamer en in de procedure bij de Centrale Grondkamer is gebeurd. Onder 3. staan de redenen voor de beslissing. Onder 4. staat de beslissing in juridische woorden.
1De procedure bij de grondkamer
1.1.
In de pachtovereenkomst van 23 juli 2015 heeft de rechtsvoorganger van verpachter aan pachter verpacht:
bedrijfsgebouwen gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Gelderland], [kadastrale aanduidingen], met uitzondering van de woning en de daarbij behorende tuin met een omvang van 500 m2 en
een boomgaard gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Gelderland], [kadastrale aanduidingen], totaal groot 15.61.17 ha.
De pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van twaalf jaren, ingaande op 1 januari 2015 en eindigend op 31 december 2026 met een jaarlijkse totale pachtprijs van € 7.084,28. Deze pachtovereenkomst is op 24 september 2015 goedgekeurd door de grondkamer Oost.
1.2.
Pachter heeft een verzoek gedaan tot het krijgen van een machtiging voor het vervangen van een deel van de bomen op de boomgaard. Het verzoek van pachter betreft een verzoek zoals bedoeld in artikel 7:348 lid 2 BW. Het verzoek is bij de grondkamer Oost (hierna: de grondkamer) op 14 juni 2024 geregistreerd.
1.3.
De grondkamer heeft in de beschikking van 31 januari 2025 in de pachtverhouding tussen [verpachter] als verpachter en [pachter] als pachter ten aanzien van de percelen met boomgaarden, gelegen aan en nabij de [adres] in [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Gelderland], [kadastrale aanduidingen] aan de pachter een machtiging verleend voor het rooien en het vervangen van:
circa 5 hectare Jonagored en Jonagold King appelbomen door 18.750 Malus d. Elstar Elrosa/Elstar Mantel bomen en
circa 2 hectare in 2021 geplante Kanzi bomen door ongeveer 10.000 Malus d. Elstar Elrosa/Elstar Mantel bomen.
1.4.
Een afschrift van die beschikking is aan partijen verzonden op 17 februari 2025 en is in fotokopie aan deze beschikking gehecht. Naar de beschikking van de grondkamer wordt verwezen voor de procedure bij de grondkamer en de aan de beschikking ten grondslag gelegde motivering.
2De procedure bij de Centrale Grondkamer
2.1.
Verpachter is met een beroepschrift dat de Centrale Grondkamer op 13 maart 2025 heeft ontvangen in beroep gegaan tegen de beschikking van de grondkamer. Verpachter heeft de Centrale Grondkamer verzocht de beschikking van de grondkamer te vernietigen en de door pachter verzochte machtiging tot het rooien en vervangen van zeven hectare appelbomen alsnog af te wijzen, kosten rechtens.
2.2.
Pachter heeft hiertegen verweer gevoerd met een verweerschrift dat de Centrale Grondkamer op 20 mei 2025 heeft ontvangen. Pachter is het eens met de beslissing van de grondkamer. Pachter heeft verzocht verpachter te veroordelen in de proceskosten.
2.3.
Verder heeft de Centrale Grondkamer de volgende stukken ontvangen:
een brief met bijlagen van pachter van 20 oktober 2025;
een brief met bijlagen van verpachter van 21 oktober 2025.
2.4.
De mondelinge behandeling bij de Centrale Grondkamer heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Aanwezig waren:
- verpachter, bijgestaan door zijn advocaat;
- pachter, vergezeld van de heer [zoon pachter] (zijn zoon) en bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.
3De redenen voor de beslissing
3.1.
Artikel 7:348 BW bepaalt dat een pachter bestemming, inrichting of gedaante van het gepachte niet geheel of gedeeltelijk mag veranderen, zonder schriftelijke toestemming van de verpachter. Artikel 7:348 lid 2 bepaalt dat als de verpachter de toestemming niet verleent, de pachter de grondkamer machtiging kan vragen voor het aanbrengen van veranderingen. In artikel 7:348 lid 3, BW staat dat de grondkamer de gevraagde machtiging alleen verleent als de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gepachte door de pachter en als er geen zwaarwichtige bezwaren bij de verpachter zijn die zich tegen de veranderingen verzetten. Verder is relevant dat artikel 7:350 BW bepaalt dat de verpachter bij het einde van de pacht een naar billijkheid te bepalen vergoeding moet betalen voor door de pachter aangebrachte veranderingen die een verbetering zijn. Lid 2 van dat artikel bepaalt echter dat deze vergoeding alleen kan worden gevorderd als de verpachter zich niet verzet of de pachtrechter, op vordering van de pachter deze tot het aanbrengen van de verandering heeft gemachtigd.
3.2.
De Centrale Grondkamer is van oordeel dat het rooien en vervangen van een deel van de boomgaard noodzakelijk is voor een doelmatig gebruik van het gepachte door pachter. In de pachtovereenkomst heeft verpachter een boomgaard aan pachter ter beschikking gesteld. Pachter heeft genoegzaam aangetoond dat een deel van de bomen van circa vijf hectare door ouderdom niet de gewenste kwaliteit behalen en een lagere productiviteit hebben. Verder is circa twee hectare aan bomen aangetast door vruchtboomkanker. Deze bomen zijn vanwege de ziekte niet of nauwelijks bruikbaar. Het aantal onbruikbare bomen is groot en dat heeft financiële consequenties voor pachter. De slechte staat van de bomen wordt bevestigd in het op verzoek van verpachter opgestelde rapport van VGV. De noodzaak van vervanging van de bomen voor doelmatig gebruik staat vast.
3.3.
Verpachter stelt dat het aan pachter zelf te wijten is dat de bomen in een slechte staat verkeren. Dit wordt door pachter betwist. Ook als slecht onderhoud van de pachter de oorzaak zou zijn van de slechte staat of daaraan heeft bijgedragen, doet dat er niet aan af dat de bomen voor een doelmatig gebruik vervangen moeten worden.
3.4.
Verpachter betoogt dat het slechte onderhoud een zwaarwichtig belang is dat zich tegen de machtiging verzet. Ook stelt verpachter dat van een rendabele exploitatie door pachter al langere tijd geen sprake meer is. Pachter is op leeftijd en volgens verpachter is de zoon van pachter geen gekwalificeerde opvolger. Verpachter heeft inmiddels ontbinding van de pachtovereenkomst gevraagd. Verpachter vreest dat het verlenen van een machtiging tot gevolg heeft dat hij in de toekomst met bomen opgescheept zit waar hij niets aan heeft. De huidige manier van bedrijfsvoering van pachter, waarbij zonder kennis wordt omgeschakeld naar biologische teelt en er slecht onderhoud blijft plaatsvinden, heeft tot gevolg dat de nieuwe bomen op korte termijn niets meer waard zijn. Verpachter vreest dat hij in het kader van het melioratierecht een (hoge) vergoeding aan pachter moet betalen, terwijl de bomen niets meer waard zijn; ook dat is een zwaarwichtig belang dat zich tegen machtiging verzet.
3.5.
Naar het oordeel van de Centrale Grondkamer zien de argumenten van verpachter op de pachtrelatie tussen pachter en verpachter. Als het onderhoud of exploitatie door de pachter tekort schiet kan verpachter dat in een pachtprocedure aan de orde stellen. Dat heeft verpachter ook gedaan: bij de pachtkamer loopt een procedure waarin verpachter ontbinding vraagt en pachter machtiging vraagt op grond van artikel 7:350 BW, zodat bij het einde van de pacht voor de nieuwe aanplant een vergoeding kan worden gevorderd. De pachtrechter is bevoegd over die vragen te oordelen. In de beoordeling van het verzoek op grond van 7:348 BW aan de grondkamer staat voorop dat verpachter een boomgaard heeft verpacht. Conform artikel 7:366 BW is verpachter gehouden die boomgaard gedurende de looptijd van de pacht ter beschikking van de pachter te laten, wat in beginsel insluit dat een pachter ten behoeve een doelmatig gebruik van het gepachte zieke, afgestorven en verouderde bomen kan vervangen. Daarbij wilde pachter appelbomen vervangen door appelbomen. De door verpachter geuite bezwaren zijn daarom geen zwaarwichtige bezwaren die zich tegen de vervanging van de betreffende bomen in de boomgaard verzetten. De vrees van verpachter dat hij door vervanging van een deel van de boomgaard een (hoge) vergoeding in het kader van het melioratierecht moet betalen, levert in de gegeven omstandigheden ook geen zwaarwichtig bezwaar op dat zich tegen de vervanging van een deel van de boomgaard verzet. Verpachter kan zich tegen de hoogte van die vergoeding verzetten in de procedure bij de pachtkamer. Maar bovendien geldt dat een dergelijke vergoeding op grond van artikel 7:350 BW naar billijkheid wordt bepaald. Als pachter, zoals verpachter vreest, door slecht onderhoud deze nieuwe bomen laat verkommeren, kan dat naar voren gebracht worden bij het bepalen van een billijke vergoeding. Of en zo ja voor welk bedrag de verpachter aan de pachter een vergoeding in de zin van artikel 7:350 BW zal hebben te betalen, is naar het oordeel van de Centrale Grondkamer op dit moment dan ook met zoveel onzekerheid omgeven dat dit niet als een voldoende zwaarwichtig belang van de verpachter kan worden aangemerkt.
3.6.
Gelet op het voorgaande zal de Centrale Grondkamer het hoger beroep van verpachter afwijzen en de beschikking van de grondkamer in stand laten.
3.7.
Pachter heeft gevraagd om verpachter te veroordelen in de kosten van deze procedure. Voor een veroordeling in de kosten is in een procedure als deze echter geen plaats.
4De beslissing
De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven op 19 maart 2026 door mrs. M.S.A. van Dam, W.F. Boele en G.P. Oosterhoff en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en B.Th.W. Lamers, in tegenwoordigheid van mr. M. Knipping-Verbeek als griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|