Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1058 
 
Datum uitspraak:05-08-2026
Datum gepubliceerd:26-08-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/956 WAO
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:De Raad wijst het verzoek om herziening af.
Trefwoorden:uitkering
wao
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

25/956 WAO










Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:109 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 maart 2024, 23/1518 WAO





Partijen:


[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)






Datum uitspraak: 5 augustus 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of er aanleiding bestaat terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad.




PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 maart 2024, 23/1518 WAO. Bij die uitspraak is vastgesteld dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2023 niet slaagt en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 20 maart 2024.

2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht stond de vraag centraal of het Uwv terecht de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van verzoeker per 6 januari 2022 heeft verhoogd naar € 537,23 bruto per maand, omdat de uitkering die verzoeker ontving op grond van de Werkloosheidswet per die datum is beëindigd. De Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord.


Het standpunt van verzoeker



3.1.
Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening aangevoerd dat de Raad het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64 of artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten schorsen dan wel heropenen, omdat het Uwv niet schriftelijk had gereageerd op zijn aanvullend hoger beroepschrift van 27 december 2023. Pas op de zitting van de Raad heeft het Uwv mondeling gereageerd. Hierdoor kon verzoeker niet adequaat reageren en is hij in zijn procesbelang geschaad.



3.2.
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat het verweer van het Uwv met betrekking tot de theoretische schatting niet is onderbouwd en dat het Uwv ten aanzien van het standpunt van verzoeker over de praktische schatting helemaal geen verweer heeft gevoerd.




Het oordeel van de Raad


4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.



4.2.
Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.



4.3.
Verzoeker heeft in zijn verzoek geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die hem vóór de uitspraak van 20 maart 2024 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Wat verzoeker heeft aangevoerd, te weten dat hij meent dat de Raad het onderzoek tijdens de zitting had moeten schorsen of na de zitting moeten heropenen, is geen grond voor herziening. In beginsel kunnen alleen aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Het rechtsmiddel van herziening kan niet worden gebruikt voor het herstellen van eventuele processuele beslissingen. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.



4.4.
Voor een ambtshalve vervallenverklaring van de uitspraak van 20 maart 2024 is eveneens geen aanleiding. Dit middel kan worden ingezet indien blijkt dat een belanghebbende aantoonbaar en in zodanige mate in zijn processuele belang is geschaad doordat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht heeft genomen, dat ten gevolge daarvan moet worden vastgesteld dat de uitspraak die het betreft niet rechtmatig tot stand is gekomen. Dat is vaste rechtspraak. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd volgt niet dat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht heeft genomen. Tijdens de behandeling ter zitting op 7 februari 2024 is verzoeker voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op wat het Uwv naar voren heeft gebracht.



4.5.
Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 maart 2024 is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.





Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 20 maart 2024 in stand blijft.

6. Omdat het verzoek wordt afgewezen, is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.


Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.


(getekend) M.E. Fortuin



(getekend) M.J.D. van Haren



Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.


CRvB 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:570.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2257.


Zie de uitspraak van de Raad van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2477.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1466.
Link naar deze uitspraak