Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1218 
 
Datum uitspraak:16-09-2026
Datum gepubliceerd:23-09-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:24/2782 WW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kan worden aangemerkt.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
uitkering
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

24/2782 WW










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2024, 23/8646 (aangevallen uitspraak)





Partijen:

Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering te Zoetermeer (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)






Datum uitspraak: 16 september 2026

SAMENVATTING

Appellante stelt dat zij op grond van artikel 1:2, eerste dan wel derde lid, van de Awb belanghebbende is bij een aanvraag om een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW. Zij heeft aangevoerd dat zij een eigen vorderingsrecht op het Uwv heeft. Ook heeft appellante aangevoerd dat zij op grond van zaakwaarneming (artikel 6:198 van het BW) een eigen vorderingsrecht op het Uwv heeft. De Raad volgt appellante niet in deze standpunten en oordeelt evenals de rechtbank dat appellante geen belanghebbende is.




PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Kaldenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak op een zitting van 13 november 2025 behandeld. Voor appellante is verschenen [naam] , bijgestaan door mr. Kaldenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Onzen.




OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Appellante is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet en de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 zijn werknemers van werkgevers die een horecabedrijf of een contractcateringbedrijf uitoefenen op grond van een verplichtstellingsbesluit verplicht tot deelname aan dit pensioenfonds.



1.2.
Bij brieven van 11 april 2023 heeft appellante op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) bij het Uwv een verzoek ingediend tot overname van de betaling van pensioenpremies die drie werkgeefsters (Kipfeest B.V., Wijnbar Most B.V. en Twisted Horeca B.V.) vanwege faillissement niet meer voor hun werknemers aan appellante hebben betaald.



1.3.
Het Uwv heeft de aanvragen op 7 juli 2023 afgewezen, omdat appellante op grond van hoofdstuk IV van de WW (overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen) geen belanghebbende is. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.



1.4.
Met een beslissing op bezwaar van 16 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.



Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.



2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds geen eigen en rechtstreeks belang bij een aanvraag van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Het belang van appellante is slecht indirect bij deze uitkering betrokken. Uit artikel 61 van de WW volgt dat appellante slechts als derde betrokken is bij de dienstbetrekking tussen de werknemer en de werkgever en is zij daarom ook slechts als derde betrokken bij de betaling van de achterstallige bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden, zoals appellante, verschuldigd is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit de statuten van appellante niet volgt dat zij zich in het bijzonder bezighoudt met behartiging van algemene en collectieve belangen die rechtstreeks bij het innen van (achterstallige) bedragen en uitkeringen op grond van hoofdstuk IV van de WW zijn betrokken. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat appellante op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb ook niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een aanvraag op een uitkering op grond van artikel 61 van de WW.



2.2.
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat uit hoofdstuk IV van de WW niet volgt dat appellante een eigen vorderingsrecht heeft op het Uwv om de premiebetalingsachterstand van de failliete werkgever over te nemen. Uit de artikelen 61 en 61a van de WW volgt dat alleen de werknemer of diens nagelaten betrekkingen recht hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Wat betreft de arresten van de Hoge Raad waar appellante naar heeft verwezen, heeft de rechtbank overwogen dat de WW geen aanknopingspunten biedt om de positie van het pensioenfonds gelijk te stellen aan de positie van de werknemer bij een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Dit oordeel wordt onderschreven met het standpunt van het Uwv dat het Uwv de achterstallige premies rechtstreeks aan de werknemer uitkeert indien de premiebetaling niet meer aan het pensioenfonds kan worden gedaan, zoals is bevestigd in de uitspraak van de Raad van 22 november 2017.



2.3.
Het betoog van appellante dat uit artikel 8 van de Richtlijn 2008/94/EG (Insolventierichtlijn) zou moeten volgen dat zij zelfstandig de (achterstallige) pensioenpremie bij het Uwv kan vorderen om de pensioenbelangen van werknemers te waarborgen, heeft de rechtbank verworpen. Daarvoor biedt dit artikel geen aanknopingspunten, nog daargelaten dat dit artikel zich richt tot de lidstaten en dat met dit artikel wordt beoogd om de belangen van de werknemers te beschermen. Appellante is geen werknemer en de WW biedt geen aanknopingspunten om de positie van het pensioenfonds gelijk te stellen aan de positie van de werknemer bij een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW. Bovendien is de bescherming van de werknemer tegen achterstallige premiebetalingen en de betaling van andere bedragen die de werkgever verschuldigd is, gewaarborgd doordat het Uwv de premiebetaling rechtstreeks aan de werknemer uitkeert indien premiebetaling niet meer aan het pensioenfonds kan worden gedaan.


2.4.
Op grond van bovenstaande overwegingen heeft de rechtbank geconcludeerd dat de beslissing van 7 juli 2023 slechts informatief is en geen besluit in de zin van de Awb.



2.5.
De stelling van appellante dat zij op basis van zaakwaarneming op grond van artikel 6:198 van het Burgerlijk Wetboek (BW) namens de werknemers van de failliete werkgevers een vordering tot premieovername bij het Uwv heeft ingediend, heeft de rechtbank niet gevolgd. De Hoge Raad heeft in het arrest van 15 juni 2018 geoordeeld dat zaakwaarneming zich in uitzonderlijke gevallen ook in een bestuursrechtelijk geding kan voordoen en dat de zaakwaarnemer moet stellen en aannemelijk maken dat de belanghebbende (tijdelijk) zelf niet in rechte kan optreden en redelijkerwijs ook niet een vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet aan deze eisen van zaakwaarneming heeft voldaan. Appellante heeft enkel aangevoerd dat er groepen werknemers zijn die de Nederlandse taal niet machtig zijn en misschien ook minder ‘doe-vermogen’ hebben.



2.6.
De rechtbank heeft nog ten overvloede overwogen dat wat appellante heeft aangevoerd er in feite op neerkomt dat zij meent dat haar belangen als pensioenfonds bij achterstallige premiebetalingen in het kader van een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW door de wetgever niet voldoende zijn gewaarborgd. Op de zitting is nog naar voren gekomen dat appellante het geschetste probleem heeft aangekaart bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maar dat dit nog niets concreets heeft opgeleverd. De rechtbank heeft daarover opgemerkt dat dit overleg met het ministerie de enige aangewezen weg lijkt te zijn.


Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat zij als pensioenfonds op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag op grond van de hoofdstuk IV van de WW moet worden aangemerkt, omdat zij een eigen zelfstandig belang heeft bij het indienen daarvan. Vanwege de regel ‘geen premie, wel recht’ heeft appellante een eigen materieel belang. Ook is volgens appellante sprake van een rechtstreeks belang en is zij niet als derde aan te merken. Een werkgever is immers premiebetalingsplichtig ten opzichte van het fonds en niet ten opzichte van de werknemer. De rechtbank is voorbij gegaan aan het bijzondere karakter van de (verplichte) deelneming in een pensioenregeling. Verder heeft de rechtbank ten onrechte de verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 maart 2019 verworpen en ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 mei 2023. Ook meent appellante dat zij een persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en direct geraakt belang heeft.



3.1.
Daarnaast heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat zij op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb belanghebbende is gelet op de algemene en collectieve belangen die zij krachtens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden behartigt. Daarbij heeft zij verwezen naar haar statuten en reglementen. De belangen van appellante zijn rechtstreeks bij het innen van (achterstallige) premies betrokken.



3.2.
Omdat appellante meent dat zij belanghebbende is, is zij bevoegd tot het doen van een aanvraag op grond van hoofdstuk IV van de WW bij het Uwv en heeft zij dus een zelfstandig vorderingsrecht. Daar komt bij dat hoofdstuk IV van de WW niet regelt wie de aanvraag moet doen en dat het Uwv in geval de werknemer de aanvraag doet het Uwv de achterstallige pensioenpremies rechtstreeks aan het fonds voldoet. Ook heeft appellante in dit verband verwezen naar de eerder genoemde arresten van de Hoge Raad. Appellante meent dat de overwegingen van de Hoge Raad in deze arresten ook van toepassing zijn in onderhavige zaak. Ook meent appellante dat zij zich kan beroepen op artikel 8 van de Insolventierichtlijn en dat zij op grond van dit artikel een zelfstandig vorderingsrecht heeft. Doordat het fonds in staat wordt gesteld het Uwv rechtstreeks om overname van achterstallige premies te verzoeken, worden de rechten van werknemers beschermd.



3.3.
Op grond van bovenstaande standpunten meent appellante dat de beslissing van 7 juli 2023 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.



3.4.
Verder heeft appellante aangevoerd dat wel is voldaan aan de vereisten voor zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 van het BW. Uit moet worden gegaan van analoge toepassing van het civiele leerstuk van zaakwaarneming en appelante voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Appellante heeft gehandeld vanuit een redelijke grondslag, nu betrokken werknemers veelal de weg naar het Uwv niet weten te vinden.


Het standpunt van het Uwv


4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad

5. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


5.1.
Het oordeel van de rechtbank dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kan worden aangemerkt, wordt onderschreven.


5.1.1.
Op grond van artikel 61 en artikel 61a van de WW heeft een werknemer dan wel zijn nagelaten betrekkingen recht op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW als hij in dienst is van een werkgever die: 1) in staat van faillissement is verklaard, 2) aan wie surséance van betaling is verleend, 3) op wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is of 4) die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Op grond van artikel 64 van de WW omvat dit recht op uitkering mede de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, zoals in dit geval de pensioenpremies. Voorwaarde is dat de werknemer loon, vakantiegeld, vakantiebijslag heeft te vorderen of geldelijk nadeel ondervindt doordat de in betalingsonmacht verkerende werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden is verschuldigd niet heeft betaald. Tegenover het recht van een werknemer op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW zijn voor de werknemer een aantal verplichtingen in de WW opgenomen, zoals de verplichting op grond van artikel 63, eerste lid, onder b, van de WW en de verplichtingen op grond van de artikelen 24, 25 en 26 van de WW. Deze verplichtingen hebben geen brede strekking, maar richten zich uitsluitend tot de werknemer. Uit deze gerichtheid van de artikelen 61 WW en 61a WW op de werknemer en zijn nagelaten betrekkingen volgt dat appellante bij toepassing van deze artikelen niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De verzoeken van 11 april 2023 worden dus op grond van artikel 1:3 van de Awb niet een als aanvraag beschouwd. Dat het Uwv na toekenning van het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW de achterstallige pensioenpremies niet aan de werknemer maar rechtstreeks aan het pensioenfonds betaalt, maakt dat niet anders.



5.1.2.
Ook de omstandigheid dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds door het beginsel van ‘geen premie, wel recht’, dat beschreven is in de memorie van toelichting bij de Pensioenwet en is neergelegd in artikel 4.1 van het pensioenreglement van Pensioenfonds Schoonmaak, bij het niet indienen van een aanvraag op grond van hoofdstuk IV van de WW door een werknemer in het geval van faillissement van diens werkgever financieel nadeel kan lijden, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover appellante financiële gevolgen ondervindt indien een werknemer geen aanvraag van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW doet, brengt dit niet mee dat zij een rechtstreeks en eigen zelfstandig belang heeft bij een uitkering op grond van hoofdstuk IV, dat los staat van de contractuele relatie tussen een werknemer van de betreffende werkgeefster en appellante, en als belanghebbende moet worden aangemerkt. Alleen als een belanghebbende een bestuursorgaan verzoekt om een besluit te nemen, dan is dat verzoek een ‘aanvraag’ als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Als de verzoeker geen belanghebbende is, dan is zijn verzoek dus geen aanvraag. Zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt, kan een aanvraag van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW alleen worden gedaan door of namens de verzekerde werknemer.



5.1.3.
In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel Regels betreffende pensioenen (Pensioenwet) is vermeld:
“(…)

Consequenties van premienalatigheid



Een pensioenfonds mag een recht op pensioen niet afhankelijk maken van de vraag of premie is voldaan. (…)


(…)


Over dit onderwerp stellen de leden van de CDA-fractie ten slotte nog de volgende vraag. Het Uwv is gehouden, op grond van artikel 61 jo. artikel 64 van de Werkloosheidswet (WW) om, wanneer een werkgever terecht is gekomen in de in artikel 61 WW nader omschreven situatie van betalingsonmacht, de claim van een pensioenuitvoerder op de onbetaald gebleven pensioenpremies te honoreren. Die gehoudenheid is er alleen, indien de werknemer «geldelijk nadeel kan ondervinden» van het feit dat de werkgever de premies niet heeft afgedragen. Kan de minister bevestigen, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat het niet-korten van pensioenaanspraken vanwege het principe «geen premie, wel pensioen» voor het Uwv geen aanleiding kan zijn om claims van pensioenuitvoerders bij faillissement van de werkgever af te wijzen. De regering wijst erop, dat het Uwv gehouden is de WW correct uit te voeren. De regeling van overname van de pensioenverplichtingen in de WW is niet gewijzigd. Ook de Pensioenwet brengt op dit punt ten opzichte van de PSW

geen wijziging. In die zin is er voor het Uwv dus geen aanleiding om tot een bijstelling van het beleid te komen inzake de overname van deze verplichtingen. Een bevestiging als door de leden van de CDA-fractie gevraagd, kan de regering evenwel niet geven. Het is immers aan het Uwv om, gegeven de relevante artikelen in de WW, tot een juiste beoordeling te komen van de vraag of in een bepaald geval nu wel of niet moet worden overgegaan tot overname van de verplichting tot premie betaling van de werkgever.”



5.1.4.
Uit het bovenstaande volgt dat er geen indicatie is dat de wijziging van de Pensioenwet in 2007 gevolgen zou moeten hebben voor de positie van pensioenuitvoerders ten aanzien van aanspraken die voortvloeien uit hoofdstuk IV van de WW.


5.1.5.
De uitspraak van de Raad van 5 maart 2019 waarnaar appellante heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak zag op een andere situatie dan hier ter beoordeling voorligt. In die uitspraak was de vraag aan de orde of een derde, een financiële garantsteller, los van de contractuele relatie tussen hem en degene tot wie een besluit is gericht, ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit. Daarin is – kort gezegd – geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden voor de garantsteller een directe betalingsverplichting voortvloeit uit de Wet WIA, wat maakt dat de garantsteller in die gevallen een direct belang heeft bij een uitkeringsbesluit. De onderhavige situatie is niet vergelijkbaar met het geval dat in die uitspraak aan de orde was. Zoals onder 5.1.1 is overwogen, richten de artikelen 61 WW en 61a van de WW zich uitsluitend tot een werknemer. Van een van het belang van werknemer afgeleid belang van een (bedrijfstak)pensioenfonds is geen sprake.




5.2.
Evenmin kan appellante op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb als belanghebbende worden aangemerkt. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. Appellante behartigt niet als (bedrijfstak)pensioenfonds een algemeen en collectief belang op grond waarvan zij namens de werknemers van de betreffende werkgevers een aanvraag op grond van hoofdstuk IV van de WW bij het Uwv kan indienen. Ook het beroep van appellante op artikel 8 van de Insolventierichtlijn slaagt niet. Het oordeel van de rechtbank daaromtrent wordt onderschreven. Het doel van deze richtlijn is om een minimum aan bescherming te bieden aan werknemers tegen de financiële gevolgen van een faillissement van hun werkgever.



5.3.
Noch het GOM-arrest van de Hoge Raad noch het WHOA-arrest van de Hoge Raad, uit welke arresten volgens appellante zou volgen dat zij als (bedrijfstak)pensioenfonds een eigen vorderingsrecht heeft op het Uwv, leidt tot het oordeel dat het verzoek van appellante als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. Deze arresten hebben betrekking op respectievelijk de rechten van een pensioenfonds tot inning van eventueel achterstallige pensioenpremies jegens een verkrijgende werkgever bij overgang van onderneming op grond van artikel 7:663 van het BW en de vraag of titel 2 van afdeling IV van de Faillissementswet (Fw) van toepassing is op een vordering voor achterstallige premies van een bedrijfstakpensioenfonds en de vraag of die vordering kan worden betrokken in een onderhands akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, van de Fw. Geen van deze situaties doet zich hier voor.



5.4.
Het oordeel van de rechtbank dat appellante niet aan de eisen van zaakwaarneming op grond van artikel 6:198 van het BW voldoet, wordt onderschreven. Appellante heeft haar stelling dat daaraan wel is voldaan niet met voldoende concrete, feitelijk en controleerbare gegevens onderbouwd.



5.5.
De beroepsgrond van appellante gericht tegen de overweging ten overvloede behoeft geen verdere bespreking. De overweging ten overvloede valt buiten de omvang van het geding als bedoeld in artikel 8:69, tweede lid, van de Awb.





Conclusie en gevolgen


5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de brief van het Uwv van 7 juli 2023 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.




(getekend) H.G. Rottier



De griffier is verhinderd te ondertekenen.












Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Faillissementswet


Artikel 40, eerste en tweede lid

1. Werknemers in dienst van de gefailleerde kunnen de arbeidsovereenkomst opzeggen
en hun kan wederkerig door de curator de arbeidsovereenkomst worden opgezegd, en wel
met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande
echter dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van
zes weken.
2. Van de dag der faillietverklaring af zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden boedelschuld.


Werkloosheidswet


Hoofdstuk IV. Overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen

Artikel 61

Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.

Artikel 61a, eerste lid

De nagelaten betrekkingen van een werknemer hebben recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden, ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam, doch ten hoogste anderhalf maal het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot het loontijdvak van een dag, vermenigvuldigd met 21,75, indien zij van een werkgever, die verkeert in een omstandigheid als bedoeld in artikel 61, een overlijdensuitkering te vorderen hebben. (…)

Artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a en b

1. De werknemer, wiens werkgever verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61, is verplicht:


indien geen tijdige betaling van loon, vakantiegeld of vakantiebijslag heeft plaatsgevonden, binnen een week na de dag waarop hij deze betaling normaal zou hebben ontvangen daarvan aangifte te doen bij het UWV; en


binnen een week na de dag waarop het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zijn werkgever de bedragen, bedoeld in artikel 61, niet heeft betaald, daarvan aangifte te doen bij het UWV.




Artikel 64

1. Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk wordt per kalendermaand berekend en omvat:
a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:
o 1°.de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;
o 2°.de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;
o 3°.de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of
o 4°.de dag van opzegging van de dienstbetrekking;
b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en
c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.


Burgerlijk Wetboek


Artikel 198, Boek 6

Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2. (…)
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 1:3, eerste en derde lid 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. (…)
3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.



Insolventierichtlijn (richtlijn 2008/94/EG)


Artikel 8

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de nodige maatregelen worden getroffen om de belangen van de werknemers en die van de personen die de onderneming of vestiging van de werkgever op de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever reeds hebben verlaten, te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen, met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, uit hoofde van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid.


Besluit van 23 december 1963 van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, voor het laatst gewijzigd bij Besluit van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds Horeca & Catering, (Stcrt. 2023, nr. 33281).


HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2375 (GOM) en HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:328 (WHOA).


CRvB 22 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4252.


Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever.


HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:913, r.o. 1.3.5.


CRvB 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:655.


CRvB 10 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:897.


Zie noot 2.



Kamerstukken II 2006/07, 30413, nr. C, p. 14 en 15.


Pensioen- en Spaarfondsenwet.
Link naar deze uitspraak