Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1272 
 
Datum uitspraak:01-10-2026
Datum gepubliceerd:14-10-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/1369 ANW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Opgelegde boete wegens schenden inlichtingenplicht terecht. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door zijn huwelijk niet tijdig te melden aan de Svb. De boete is bepaald op basis 50% van het benadelingsbedrag. De Svb heeft vervolgens rekening gehouden met de draagkracht van appellant en de boete verlaagd tot het bedrag dat appellant in twaalf maandelijkse termijnen kan betalen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
nabestaandenuitkering
uitkering
 
Uitspraak
25/1369 ANW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2025, 24/6317 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)






Datum uitspraak: 1 oktober 2026
SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de boete die aan appellant is opgelegd wegens het schenden van de inlichtingenverplichting. De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van de boete af te zien en de boete is niet onevenredig.




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 augustus 2026. Voor appellant is verschenen mr. N. Talhaoui, kantoorgenoot van mr. Bozbiyik. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellant ontving vanaf 1 april 2022 een uitkering op grond van de ANW in verband met het overlijden van zijn toenmalige echtgenote. Op 13 oktober 2022 heeft de Svb een systeemmelding ontvangen vanuit de Basisregistratie personen waarin is vermeld dat appellant op [datum] is gehuwd met [naam].



1.2.
Met afzonderlijke besluiten van 17 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 maart 2023, heeft de Svb de ANW-uitkering van appellant beëindigd met ingang van 1 mei 2022 en de ten onrechte betaalde ANW-uitkering over de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 september 2022 teruggevorderd. Het betreft een terugvordering van € 6.459,21. Met een uitspraak van 23 april 2024 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het besluit van 5 maart 2023 ongegrond verklaard. Met een uitspraak van 7 februari 2025 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.



1.3.
Met een besluit van 21 juli 2023 heeft de Svb aan appellant een boete opgelegd van € 720,- omdat hij zijn huwelijk niet op tijd aan de Svb heeft doorgegeven. De boete bedraagt op basis van 50% van het benadelingsbedrag € 3.229,61 en is op basis van de draagkracht verlaagd tot 12 keer de maandelijkse aflossingscapaciteit van € 60,-.



1.4.
Met een besluit van 14 mei 2024 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2023 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de Svb was gehouden een boete op te leggen, omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Niet gebleken is dat sprake is van dringende redenen om af te zien van het opleggen van de boete of van bijzondere omstandigheden die reden zijn om de boete te verlagen. De boete is verlaagd tot het bedrag dat appellant binnen 12 maanden kan betalen. De Svb heeft rekening gehouden met de aflossingscapaciteit van appellant. Appellant heeft niet bestreden dat hij, gelet op zijn draagkracht, de boete binnen 12 maanden kan betalen.


Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de boete dient te worden gewijzigd. Onder verwijzing naar artikel 2a, tweede lid, onder c, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, heeft hij gesteld dat in zijn geval sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Hij heeft het huwelijk immers wel gemeld maar bij de verkeerde instantie. De Svb is uiteindelijk juist op de hoogte geraakt van de wijziging door de melding die appellant heeft gedaan bij de gemeente. Verder heeft appellant aangevoerd dat de boete gematigd moet worden tot € 360,-. De Svb ondervindt geen nadeel van het (gedeeltelijk) afzien van de boete, omdat de te veel betaalde uitkering al wordt teruggevorderd. Ook heeft hij zijn bijstandsuitkering over een aantal maanden niet ontvangen.




Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.1.
Niet in geschil is dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn huwelijk niet tijdig te melden aan de Svb en dat dit aan appellant is te verwijten. De Svb is daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen.



4.2.
De rechtbank heeft in de door appellant aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Svb bij de vaststelling van de boete had moeten uitgaan van een verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, en artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten. Dat appellant zijn huwelijk heeft doorgegeven aan de gemeente en dat de Svb hiervan later via een systeemmelding op de hoogte is geraakt, maakt niet dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Appellant had het huwelijk immers – onverwijld – moeten melden aan de Svb. Sub c van artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit is niet van toepassing omdat dat artikel niet ziet op het verstrekken van inlichtingen aan een ander bestuursorgaan dan datgene dat de uitkering verstrekt. Er is dan ook geen sprake van onjuiste of onvolledig inlichtingen, zoals die bepaling eist, en ook geen sprake van het uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekken – in dit geval aan de Svb – voordat de overtreding is geconstateerd. Appellant heeft zijn in het buitenland gesloten huwelijk gemeld bij de Basisregistratie personen teneinde zijn huwelijk te laten registeren en niet bij de Svb. Na de aanbieding van de huwelijksakte aan Basisregistratie personen is de nabestaandenuitkering niet herzien. Dit is voor appellant, ondanks de aard van de uitkering, blijkbaar geen aanleiding geweest zich te wenden tot de Svb en hier navraag naar te doen. Het feit dat het ging om een nabestaandenuitkering had bij appellant op zijn minst twijfel moeten oproepen of hij hierop na zijn huwelijk nog recht had en het had op zijn weg gelegen om hierover bij de Svb informatie in te winnen. De Raad volgt daarom de rechtbank in het oordeel dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid.



4.3.
De boete is gelet op het voorgaande terecht als eerste stap bepaald op basis 50% van het benadelingsbedrag. De Svb heeft vervolgens rekening gehouden met de draagkracht van appellant en de boete op grond van beleidsregel SB1243 verlaagd tot het bedrag dat appellant in twaalf maandelijkse termijnen kan betalen. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat hij de boete binnen twaalf maanden kan betalen.



4.4.
Appellant heeft geen dringende redenen aangevoerd die maken dat de Svb geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van het opleggen van de boete. De gevolgen van het niet tijdig doorgeven van het huwelijk voor de bijstandsuitkering liggen in de risicosfeer van appellant.Niet gebleken is dat de boete onevenredig is.





Conclusie en gevolgen


4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de opgelegde boete in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.





(getekend) E.E.V. Lenos



(getekend) C.C.M. van ‘t Hol


Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Algemene nabestaandenwet



Artikel 39


1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend.
(...)
5. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
(...)
7. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
(...)
9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.


Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten



Artikel 2


1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
2. Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
3. Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
(…)
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.


Artikel 2a


1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of
e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
(…).


Algemene nabestaandenwet.


ECLI:NL:CRVB:2025:234.


Vergelijk de uitspraak van 22 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:123.


ECLI:NL:CRVB:2026:123.
Link naar deze uitspraak