|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:1279 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-10-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/2010 AOW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Bezwaar tegen ingangsdatum verleende ontheffing verzekeringsplicht AOW, Anw en AKW. Geen sprake van onbillijkheid van overwegende aard. Svb niet gehouden tot ontheffing met terugwerkende kracht. De Svb kan niet worden verweten appellant niet actief te hebben geïnformeerd over zijn verzekeringspositie. Een dergelijke informatieplicht volgt ook niet uit Vo 987/2009. | | Trefwoorden | : | aow | | | ingezetene | | | minimumloon | | | uitkering | | | | Uitspraak | 25/2010 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 augustus 2025, 24/6060 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 24 september 2026
SAMENVATTING
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de ontheffing van de verzekeringsplicht voor de AOW, Anw en AKW met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. De Svb is daarom niet gehouden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht te verlenen. De Svb kan niet worden verweten appellant niet actief te hebben geïnformeerd over zijn verzekeringspositie. Een dergelijke informatieplicht volgt ook niet uit Vo 987/2009.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft de Duitse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1957. Appellant heeft altijd in Duitsland gewoond en gewerkt. Vanaf 7 mei 2021 woont appellant met zijn echtgenote in Nederland. Hij werkte toen niet meer en ontving (deels wettelijke) pensioenen uit Duitsland. Op 18 februari 2024 heeft appellant ontheffing gevraagd van de verzekeringsplicht ingevolge de AOW, Anw en AKW. Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de Svb de ontheffing verleend met ingang van 18 februari 2024, de datum waarop de Svb het verzoek heeft ontvangen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de ontheffing. Hij wenst ontheffing van de verzekeringsplicht vanaf 1 januari 2022.
1.2.
Met een besluit van 9 juli 2024 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank leiden de omstandigheden die appellant heeft aangevoerd, waardoor hij niet tijdig ontheffing van de verzekeringsplicht heeft aangevraagd, niet tot het oordeel dat de door de Svb gehanteerde ingangsdatum leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Het standpunt van partijen
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten tijde van zijn verhuizing naar Nederland de Nederlandse taal niet sprak, niet wist dat hij in Nederland sociaal verzekerd zou raken en onbekend was met de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Hij heeft zich direct ingeschreven in de BRP van de gemeente Middelburg en veel moeite gedaan om erachter te komen wat zijn rechten en plichten als Nederlands ingezetene zijn. Hij heeft destijds echter geen informatie gevonden waaruit bleek dat hij verzekeringsplichtig werd voor de volksverzekeringen, daardoor premieplichtig zou worden en dat hij ontheffing van die verzekeringsplicht kon vragen. Hij is daarover ook niet tijdig geïnformeerd door de Nederlandse instanties, zoals de Svb, de gemeente waar hij is ingeschreven, CZ en de Belastingdienst. Ook zijn belastingadviseurs hebben hem niet tijdig ingelicht. Pas toen de Belastingdienst in 2024 een aanslag premieheffing AOW/Anw oplegde kwam hij erachter dat hij premieplichtig was en ontheffing kon vragen.
3.1.
Verwarrend is volgens appellant ook dat hij op grond van het Duitse recht nog wel verzekerd is voor de ziektekosten in Duitsland, terwijl hij sociaal verzekerd is in Nederland. Volgens appellant volgt uit met name artikel 19 van Vo 987/2009 een verplichting voor de Svb om personen die in Nederland komen wonen of werken actief en persoonlijk te informeren over de in de nationale wetgeving neergelegde verplichtingen. De Svb was er via de bestandsuitwisseling met de BRP van op de hoogte dat appellant op 7 mei 2021 in Nederland is komen wonen en had hem toen moeten informeren over het feit dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is en de rechten en verplichtingen die daaruit voortvloeien. De Svb heeft dit niet gedaan en daarom is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard als de ontheffing niet met terugwerkende kracht wordt verleend. Appellant heeft de Raad in overweging gegeven om zo nodig over de uitleg van artikel 19 van Vo 987/2009 prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
3.2
Volgens de Svb zijn er geen bijzondere omstandigheden die ertoe nopen de ontheffing met terugwerkende kracht te verlenen. Volgens het beleid leidt onbekendheid met de wettelijke bepalingen niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. In de gegeven omstandigheden kon niet van de Svb worden verwacht dat appellant actief zou worden geïnformeerd over zijn verzekeringspositie en hem te wijzen op de mogelijkheid om ontheffing van de verzekeringsplicht te vragen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ingangsdatum van de ontheffing van de verzekeringsplicht in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant vanaf 7 mei 2021 woonplaats in Nederland heeft, dat toen de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing is geworden en hij daardoor verzekeringsplichtig is geworden voor de AOW, Anw en AKW. Ook is niet in geschil dat de aanvraag om ontheffing voor die verzekeringsplicht niet binnen één jaar na 7 mei 2021 is ingediend, zodat op grond van artikel 22, tweede lid, van KB 746 de ingangsdatum in beginsel niet op een eerdere dan de aanvraagdatum kan worden bepaald. In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in dit geval niet kan worden gezegd dat de toepassing van artikel 22, tweede lid, van KB 746 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
4.2.
Het betoog van appellant komt er in wezen op neer dat hij onbekend was met de toepasselijke wet- en regelgeving, maar dat dit hem niet kan worden verweten, omdat hij hierover ten onrechte niet door de Svb actief is geïnformeerd. Dit betoog volgt de Raad niet. De Svb hanteert in beleidsregel SB1038 bij de toepassing van de ontheffingsregeling als uitgangspunt dat in ieder geval geen sprake kan zijn van onbillijkheden van overwegende aard, indien het niet eerder aanvragen van ontheffing het gevolg is van onbekendheid met rechten. Daarvoor is verwezen naar de beleidsregel SB1071 over bijzonder geval. De Raad heeft dit uitgangspunt in diverse uitspraken onderschreven.
4.3.
Dat appellant pas laat op de hoogte is geraakt van zijn rechten en verplichtingen, valt ook volgens de Raad niet toe te schrijven aan de Svb. De Raad begrijpt goed dat het voor appellant in zijn omstandigheden moeilijk is geweest om destijds in het woud van regels zijn weg te vinden. Dit maakt echter niet dat de Svb zijn eventuele plicht om informatie te verstrekken heeft verzaakt. Hierover overweegt de Raad als volgt.
4.4.
Zoals de Svb ook op zitting heeft toegelicht is algemene informatie over de toepasselijke wetgeving en daaruit voorvloeiende verplichtingen in specifieke situaties te vinden op diverse websites, zoals die van de Svb of bijvoorbeeld Grensinfopunt.
4.5.
Appellant heeft zelf destijds geen informatie bij de Svb ingewonnen. Wel is de Svb er door de automatische bestandsuitwisseling met de gemeente van op de hoogte geraakt dat appellant als inwoner van Nederland is ingeschreven in de BRP. Een inschrijving in de BRP leidt echter niet per definitie tot toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving of verzekering in Nederland. Zo moet nog worden beoordeeld of de woonplaats van de betrokkene in Nederland ligt. Verder kan op grond van werken in een andere lidstaat een andere wetgeving van toepassing zijn. Reeds hierom kan uit artikel 19 van Vo 987/2009 niet een verplichting voor de Svb worden afgeleid, vanwege het enkele bekend worden van een inschrijving in de BRP, de betrokkene actief van informatie te voorzien. In zoverre is sprake van een acte clair en is er geen aanleiding prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen over de uitleg van die bepaling.
4.6.
Dat appellant ondanks zijn inspanningen niet (tijdig) de voor hem relevante informatie heeft ontvangen, kan de Svb, gelet op 4.3 en 4.4, niet worden verweten. Ook is er geen sprake van aantoonbaar onjuiste of onvolledige voorlichting door een ander publiekrechtelijk orgaan, als gevolg waarvan appellant het verzoek om ontheffing niet eerder heeft ingediend. Van een onbillijkheid van overwegende aard, op grond waarvan de Svb de ontheffing van de verzekeringsplicht voor de AOW, de Anw en de AKW met terugwerkende kracht zou moeten of mogen verlenen, is dan ook geen sprake.
4.7.
Voor zover appellant problemen ondervindt met de betaling van de gevorderde premies, kan hij de Belastingdienst om een betalingsregeling verzoeken.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en besluiten
Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746)
Artikel 22
1. De persoon die in Nederland woont en die recht heeft op een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke of bovenwettelijke regeling inzake sociale zekerheid of op grond van een regeling van een volkenrechtelijke organisatie wordt op zijn aanvraag, voor zolang hij geen arbeid in Nederland verricht, door de Sociale verzekeringsbank van de verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet ontheven, zolang hij:
a. duurzaam recht heeft op uitsluitend een uitkering als bedoeld in de aanhef en deze uitkering per maand ten minste gelijk is aan 70% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; of
b. naast een uitkering als bedoeld in onderdeel a, recht heeft op een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering en het totaal van deze uitkering en de buitenlandse wettelijke of bovenwettelijke uitkering of de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie per maand ten minste gelijk is aan 70% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag en de buitenlandse uitkering of de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie groter is dan of gelijk is aan de Nederlandse uitkering.
2. Indien de aanvraag voor de ontheffing wordt ingediend binnen een jaar na de datum waarop de persoon, bedoeld in het eerste lid, voor het eerst voldoet aan de in dat lid opgenomen voorwaarden, gaat de ontheffing in op die datum. Indien de aanvraag voor de ontheffing later wordt ingediend, gaat de ontheffing in op de datum van de aanvraag om ontheffing.
3. De Sociale verzekeringsbank kan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, verlenen met ingang van een datum die gelegen is ten hoogste drie jaar vóór de datum van de aanvraag, doch niet eerder dan de datum waarop recht is ontstaan op de buitenlandse wettelijke of bovenwettelijke uitkering of de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie, indien toepassing van het tweede lid leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
(…)
Vo 883/2004
Artikel 16
(…)
2. Degene die recht heeft op een pensioen krachtens de wetgevingen van een of meer lidstaten en die in een andere lidstaat woont, kan op zijn verzoek worden vrijgesteld van de toepassing van de wetgeving van deze laatste lidstaat mits hij niet op grond van de verrichting van een werkzaamheid, al dan niet in loondienst, aan deze wetgeving is onderworpen.
Vo 987/2009
Rechtsoverwegingen preambule
(9) Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen.
(22) Informatie aan de betrokken personen over hun rechten en plichten is een essentieel onderdeel van een vertrouwensrelatie met de bevoegde autoriteiten en de organen van de lidstaten. Deze informatie dient een leidraad te omvatten met betrekking tot administratieve procedures. De betrokken personen zijn, afhankelijk van de situatie, o.m. de verzekerden, leden van hun gezin en/of hun nabestaanden of anderen.
Artikel 3, tweede lid
Degenen op wie de basisverordening van toepassing is, zijn verplicht het bevoegde orgaan alle informatie, documenten en bewijsstukken te verstrekken die nodig zijn voor de vaststelling van hun situatie of van die van hun gezin, voor de vaststelling en het behoud van hun rechten en plichten, alsook voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving en de daaruit voor hen voortvloeiende verplichtingen.
Artikel 19
1. Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van titel II van de basisverordening van toepassing wordt, informeert de betrokkene en eventueel zijn werkgever over de in die wetgeving neergelegde verplichtingen. Het verleent hun de nodige hulp bij het vervullen van de op grond van die wetgeving verplichte formaliteiten.
2. Op verzoek van de betrokkene of de werkgever verstrekt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van een bepaling van titel II van de basisverordening van toepassing is, een verklaring dat die wetgeving van toepassing is en vermeldt het eventueel tot welke datum en onder welke voorwaarden.
SB1038
Artikel 22 van KB 746 bepaalt dat de SVB op aanvraag van een betrokkene ontheffing van de verzekeringsplicht voor de AOW, Anw en AKW verleent als hij voldoet aan de in dat artikelgenoemde criteria.
Bij de vaststelling van de hoogte van de buitenlandse uitkering of de uitkering van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van artikel 22, eerste lid van KB 746, hanteert de SVB het in SB1049 over inkomenstoets, herleiding naar maandinkomen en wisselkoersen neergelegde beleid over de omrekening van in buitenlandse valuta uitgedrukt inkomen en koerswijzigingen.
De SVB verleent ontheffing van de verzekeringsplicht voor de AOW, Anw en AKW met ingang van de eerste dag waarop aan de voorwaarden voor ontheffing is voldaan, mits de SVB het verzoek tot ontheffing binnen één jaar na die dag ontvangt. Als betrokkene het verzoek tot ontheffing op een latere datum indient dan verleent de SVB ontheffing van de verzekeringsplicht met ingang van de datum waarop het verzoek om ontheffing bij de SVB is ingediend. In gevallen waarin deze handelwijze leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, is de SVB echter bevoegd de ontheffing te verlenen met een terugwerkende kracht van ten hoogste drie jaar. De SVB beziet bij elk verzoek aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden of zich een onbillijkheid van overwegende aard voordoet. De volgende – niet-limitatief genoemde – gevallen kunnen zich daarbij voordoen:
Het verzoek om ontheffing is ingediend binnen een jaar nadat de reeds in Nederland wonende betrokkene de beschikking heeft ontvangen waarbij aan hem de buitenlandse uitkering is toegekend.
De late indiening van het verzoek om ontheffing is een aantoonbaar gevolg van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan (bijvoorbeeld de Belastingdienst) en betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven te twijfelen.
Het verzoek om ontheffing is laat ingediend omdat de betrokkene als gevolg van een geestelijke stoornis of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een verzoek in te dienen en niet van hem gevergd kon worden dat hij zich liet vertegenwoordigen.
De SVB gaat ervan uit dat van onbillijkheden van overwegende aard in ieder geval geen sprake kan zijn in gevallen die geen bijzonder geval opleveren volgens de beleidsregel over bijzonder geval in SB1071 (zoals deze beleidsregel luidde op grond van het Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019).
Algemene Ouderdomswet.
Algemene nabestaandenwet.
Algemene Kinderbijslagwet.
Basisregistratie Personen.
Verordening (EG) nr. 987/2009, de toepassingsverordening bij Verordening (EG) nr. 883/2004.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Op grond van artikel 11, derde lid, onder e van Verordening (EG) nr. 883/2004.
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746).
Zie onder meer de uitspraken van 11 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2509, 4 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1110 en 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1102. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|