Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:616 
 
Datum uitspraak:21-05-2026
Datum gepubliceerd:22-05-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/1914 TBSH
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Weigering tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst toe te kennen terecht. Het TBSH is gericht op personen van Surinaamse herkomst, die voordat Suriname onafhankelijk werd welbewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen, omdat zij zich Nederlander voelden en Nederlander wilden blijven. Betrokkene is geboren in Nederland uit ouders die ook in Nederland zijn geboren, en is als jong kind door zijn ouders meegenomen naar Suriname. Weliswaar is hij vóór de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst weer teruggegaan naar Nederland, maar de Toescheidingsovereenkomst had geen enkel potentieel gevolg voor zijn nationaliteit. Hierdoor verschilt zijn situatie in de kern van de situatie van de doelgroep van het TBSH. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.
Trefwoorden:aow
landbouw
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

25/1914 TBSH








Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 augustus 2025, 24/8289 (aangevallen uitspraak)





Partijen:

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)


[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)






Datum uitspraak: 21 mei 2026

SAMENVATTING

Aan betrokkene is terecht een tegemoetkoming op grond van het TBSH geweigerd. Het TBSH is gericht op personen van Surinaamse herkomst, die voordat Suriname onafhankelijk werd welbewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen, omdat zij zich Nederlander voelden en Nederlander wilden blijven. Betrokkene is geboren in Nederland uit ouders die ook in Nederland zijn geboren, en is als jong kind door zijn ouders meegenomen naar Suriname. Weliswaar is hij vóór de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst weer teruggegaan naar Nederland, maar de Toescheidingsovereenkomst had geen enkel potentieel gevolg voor zijn nationaliteit. Hierdoor verschilt zijn situatie in de kern van de situatie van de doelgroep van het TBSH. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.




PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. R. de Regt, mr. G.E. Eind, en mr. P. van der Voorn. Betrokkene is in persoon verschenen.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Betrokkene is op [geboortedatum] 1951 geboren in [plaats] . Hij is met zijn ouders in 1953 naar Suriname verhuisd. Dat hield verband met de werkzaamheden van zijn vader voor het [naam project] ; de projectleider vanuit het Nederlandse Ministerie van Landbouw was een studievriend van zijn vader. Op 21 augustus 1970 is betrokkene teruggekeerd naar Nederland en is hij gaan studeren aan de [naam universiteit]. Betrokkene ontvangt met ingang van juli 2016 een AOW-pensioen, waarop een korting van 10% is toegepast omdat hij van 26 januari 1966 tot en met 20 augustus 1970 in Suriname heeft gewoond en nadien kort in België heeft gewoond.



1.2.
Betrokkene heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. Met een besluit van 12 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde dat hij met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in Nederland is gaan wonen.



1.3.
Met een besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het bedrag dat wordt verstrekt op grond van het TBSH wordt toegekend aan personen die met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in Nederland zijn gaan wonen. Dit betekent dat iemand het risico moest lopen om de Nederlandse nationaliteit te verliezen. Betrokkene liep dit risico niet, want hij is geboren in Nederland en dit geldt ook voor zijn ouders.

Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en bepaald dat de minister het eenmalige bedrag van € 5.000,- toekent.



2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat de regelgever niet duidelijk en concreet heeft aangegeven wat moet worden verstaan onder de voorwaarde ”met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst”. In de nota van toelichting bij het TBSH is vermeld dat aan deze voorwaarde alleen wordt voldaan door mensen die de Nederlandse nationaliteit zouden verliezen door in Suriname te blijven. Als een oudere in Suriname is geboren zal de Sociale verzekeringsbank (als uitvoerder voor de minister) er volgens de nota van toelichting van uitgaan dat het vertrek uit Suriname naar Nederland verband hield met de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Ter zitting bij de rechtbank is namens de minister toegelicht dat hiervan standaard wordt uitgegaan, zelfs als de komst naar Nederland jaren voor de totstandkoming van de Toescheidingsovereenkomst en de onafhankelijkheid van Suriname heeft plaatsgevonden, of als de komst naar Nederland voor een andere reden was, zoals bijvoorbeeld studie. De intentie wordt dus niet beoordeeld. Verder is namens de minister bevestigd dat betrokkene, als hij in Suriname was geboren, wel in aanmerking zou zijn gekomen voor de tegemoetkoming.



2.2.
De rechtbank constateert dat onderscheid wordt gemaakt tussen ouderen die in Suriname zijn geboren en ouderen die in Nederland zijn geboren. De rechtbank acht een zodanig onderscheid op grond van artikel 14 van het EVRM alleen geoorloofd als het wordt gerechtvaardigd door very weighty reasons (zeer gewichtige redenen). De rechtbank komt tot het oordeel dat die er niet zijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat sprake is van een politiek-bestuurlijke wens om een gebaar te maken naar de groep ouderen van Surinaamse herkomst met een groot en langlopend gevoel van onrechtvaardigheid. Het gaat daarbij om een groep toenmalige rijksgenoten die leefde in Suriname in de periode van 1957 tot 1975 en nu langere tijd woonachtig is in Nederland, en die ondanks de verwachting op een volledig AOW-recht toch gedurende het verblijf in Suriname geen recht op AOW heeft opgebouwd. Deze omstandigheden, inclusief het gevoel van onrechtvaardigheid, gelden ook voor betrokkene. Er is daarom volgens de rechtbank geen sprake van zwaarwegende redenen die het onderscheid kunnen rechtvaardigen.


Het standpunt van de minister


De minister is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens de minister kan niet worden gesteld dat betrokkene in verband met de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst naar Nederland is gekomen. Hij zou immers niet de Nederlandse nationaliteit verliezen als hij in Suriname zou verblijven op het moment dat Suriname onafhankelijk werd. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen. Zo daar al sprake van zou zijn, bestaat voor het gehanteerde criterium een toereikende en objectieve rechtvaardiging in het licht van artikel 14 EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

Het standpunt van betrokkene


3. Betrokkene heeft erop gewezen dat hij zich in dezelfde omstandigheden bevond als personen die in Suriname geboren zijn. Hij had dezelfde verwachting ten aanzien van de AOW-opbouw. Het geboren zijn in Suriname staat niet als eis in het TBSH, terwijl andere voorwaarden wel precies worden geduid.




Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming heeft vernietigd en heeft bepaald dat de minister het bedrag van € 5.000,- toekent. De Raad beoordeelt dit aan de hand van wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


Juridisch kader



4.1.
Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van het TBSH.



4.2.
Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij:


uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;


voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;


ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en


op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.



Dit is bepaald in artikel 3 van het TBSH.


Doel van de tegemoetkoming; uitleg van de term “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst”




4.3.
Tussen partijen is in geschil of betrokkene voldoet aan de voorwaarde dat hij uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst”, zoals artikel 3, aanhef en onder a van het TBSH vereist. Voor zover hij niet aan deze voorwaarde voldoet, rijst de vraag of dit aan betrokkene mag worden tegengeworpen.



4.4.
In het TBSH is ervoor gekozen om de tegemoetkoming toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname – 25 november 1975 – bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen. In de nota van toelichting is in aanvulling op artikel 2 het doel van het TBSH als volgt uiteengezet.

“Met de vaststelling dat geen aansluiting gevonden kan worden bij het stelsel van de AOW bleef een politiek-bestuurlijke wens bestaan om een gebaar te maken naar deze groep ouderen van Surinaamse herkomst met een groot en langlopend gevoel van onrechtvaardigheid. Het kabinet wil dit vormgeven met een eenmalig bedrag als gebaar van erkenning. Dit gebaar ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep. Het gaat daarbij om de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, en de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de Toescheidingsovereenkomst. Betrokkenen hebben welbewust de keuze gemaakt om naar Nederland te komen, omdat zij zich Nederlander voelden, en Nederlander wilden blijven. Bij de betrokkenen is daarbij de verwachting ontstaan ook recht op volledige AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd. Het onrecht dat deze groep hierdoor ervaart, wordt versterkt door de verwachtingen waarmee zij naar Nederland zijn gekomen. Zij maakten namelijk op basis van die verwachtingen een levensbepalende keuze. Daarnaast bestaat er een politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Het gebaar wil recht doen aan de gevoelens die als gevolg van deze samenloop van omstandigheden leven bij deze groep, en ziet nadrukkelijk niet op een vorm van vereffening van het AOW-gat van Surinaamse ouderen.”



4.5.
In de nota van toelichting is uiteengezet dat met de term “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst” bedoeld is het volgende af te bakenen:

“Verder is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor het eenmalige bedrag dat iemand zich vanuit Suriname in Nederland heeft gevestigd in verband met de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst. Aan deze voorwaarde wordt alleen voldaan door mensen die de Nederlandse nationaliteit zouden verliezen door in Suriname te blijven. De Toescheidingsovereenkomst regelde immers dat wie in Suriname zou blijven wonen, de Surinaamse nationaliteit zou verkrijgen. Mensen die bijvoorbeeld in Nederland geboren waren en destijds in Suriname woonden en bijvoorbeeld werkten als expat, liepen dat risico niet. Met deze voorwaarde wordt gestipuleerd dat mensen die zich om andere redenen, bijvoorbeeld omdat ze eerder al in Nederland woonden, en tijdelijk in Suriname woonachtig zijn geweest, in dezelfde periode vanuit Suriname in Nederland vestigden niet in aanmerking komen voor het eenmalige bedrag.”



4.6.
De Raad concludeert uit de geciteerde passages in de nota van toelichting dat de regelgever met de voorwaarde dat de persoon uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst” het oog heeft gehad op personen die de Nederlandse nationaliteit zouden hebben verloren als zij in Suriname waren gebleven. Alleen deze personen voldoen dan ook aan het vereiste dat zij “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland zijn gekomen.


Betrokkene is niet “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland gekomen




4.7.
Uit artikel 3 van de Toescheidingsovereenkomst volgt dat alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hadden, de Surinaamse nationaliteit verkregen. Dit gold ook voor enkele andere categorieën van personen die niet in Suriname waren geboren. Betrokkene behoort echter niet tot één van deze categorieën. Hij is in Nederland geboren uit ouders die in Nederland zijn geboren, en bij de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst zou hij de Nederlandse nationaliteit behouden, ongeacht het antwoord op de vraag of hij wel of niet in Suriname verbleef. De Raad concludeert dat betrokkene niet voldoet aan het vereiste dat hij “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland is gekomen.


Geen gelijke gevallen




4.8.
Vervolgens rijst de vraag of aan betrokkene mag worden tegengeworpen dat hij niet aan deze voorwaarde voldoet. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten opzichte van betrokkene een verboden onderscheid is gemaakt naar geboorteland, zodat toepassing van het criterium in het geval van betrokkene in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Volgens de rechtbank gelden alle omstandigheden met het oog waarop de tegemoetkoming op grond van het TBSH in het leven is geroepen ook voor betrokkene. Er zijn volgens de rechtbank geen zeer gewichtige redenen die het maken van dit onderscheid in het specifieke geval van betrokkene rechtvaardigen.



4.9.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat wel aan betrokkene mag worden tegengeworpen dat hij niet “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland is gekomen. Artikel 14 van het EVRM verbiedt ongelijke behandeling van gevallen die als gelijke gevallen zijn te beschouwen, als een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dat verschil in behandeling ontbreekt. Naar oordeel van de Raad is, bezien vanuit het doel en onderwerp van het TBSH, geen sprake van ‘gelijke gevallen’. Het TBSH is gericht op personen van Surinaamse herkomst, die voordat Suriname onafhankelijk werd welbewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen, omdat zij zich Nederlander voelden en Nederlander wilden blijven. Zij moesten, met andere woorden, op dat moment kiezen tussen Nederland en Suriname, met veelal blijvende gevolgen. Betrokkene is geboren in Nederland uit ouders die ook in Nederland zijn geboren. Hij is als jong kind door zijn ouders meegenomen naar Suriname. Weliswaar is hij vóór de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst weer teruggegaan naar Nederland, maar de Toescheidingsovereenkomst had geen enkel potentieel gevolg voor zijn nationaliteit. Hij hoefde dus niet op dat moment de keuze te maken tussen Nederland en Suriname. Hierdoor verschilt zijn situatie in de kern, en niet slechts op een bijkomend aspect, van de situatie van de doelgroep van het TBSH. Dat betrokkene niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming is daarom niet in strijd met artikel 14 van het EVRM.



4.10.
Dat de afbakening van de doelgroep van het TBSH, door de koppeling aan de Toescheidingsovereenkomst, indirect samenhangt met het land van geboorte, leidt niet tot het oordeel dat in het geval van betrokkene sprake is van een ongeoorloofd onderscheid. Het doel van de Toescheidingsovereenkomst was, de nationaliteit van een van beide landen toe te bedelen aan personen. Die toedeling heeft mede plaatsgevonden aan de hand van het land van geboorte. Dat een land aan een persoon zijn nationaliteit kan toekennen (mede) op de grond dat deze persoon op het grondgebied van dat land is geboren, is een algemeen aanvaard uitgangspunt.





Conclusie en gevolgen

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep van betrokkene tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de weigering van de tegemoetkoming in stand blijft.


5.1.
Omdat het hoger beroep van de minister slaagt, wordt er van de minister geen griffierecht geheven. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het in eerste aanleg betaalde griffierecht is geen aanleiding.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep



vernietigt de aangevallen uitspraak;


verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.





(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum



(getekend) F.M. Gerritsen



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst



Artikel 2 Doel van het besluit


Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheids-proces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.


Artikel 3 Voorwaarden recht op eenmalig bedrag


Een persoon heeft recht op een eenmalig bedrag, indien deze:

a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;

voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;

ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en

op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.



Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname



Artikel 3


De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.


Artikel 4


De Surinaamse nationaliteit verkrijgen voorts alle meerderjarige Nederlanders die, buiten Suriname geboren zijnde, op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben, indien

hetzij hun vader of, indien deze wettelijk onbekend is, hun moeder wel in Suriname is geboren. Is niet bekend waar de vader of, indien deze wettelijk onbekend is, de moeder is geboren, dan wordt deze geacht in Suriname te zijn geboren; (…)



Algemene Ouderdomswet.


Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst.


Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname; gesloten te Paramaribo, 25 november 1975, Trb. 1975, 132.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Cursief CRvB.


Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, nota van toelichting, p. 7.


Cursief CRvB.


Cursief CRvB.


Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386, nota van toelichting, p. 9.


10 Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, punt 6.1.2.
Link naar deze uitspraak