Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2025:3559 
 
Datum uitspraak:04-11-2025
Datum gepubliceerd:04-11-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:24/3468
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:WOZ-waarde woning 2021. Het Hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank, omdat belanghebbende, de gebruiker (huurder) van de woning, geen procesbelang heeft.
Trefwoorden:woz waarde
woz-beschikking
woz-waarde
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3468

4 november 2025


uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende]
, wonende te [plaats] , belanghebbende

tegen de uitspraak van 24 juli 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/2487 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en


de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar.





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 26 februari 2021 (de WOZ-beschikking) op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 209.000.



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking gehandhaafd.



1.3.
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.



1.4.
Belanghebbende heeft het door hem ingestelde hoger beroep bij brief van 13 november 2024 (nader) gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft op 11 augustus 2025 een verzoek gedaan tot verdaging van de behandeling ter zitting. Het verzoek is door het Hof dezelfde dag afgewezen omdat het niet de vereiste motivering bevatte, terwijl belanghebbende uitdrukkelijk op dat vereiste is gewezen.



1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Namens belanghebbende is aldaar met bericht van verhindering niemand verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.






2Feiten


2.1.
Het Hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank vastgestelde feiten:

“1. De woning betreft een sociale huurwoning waarvan [belanghebbende] de huurder is. De woning is een benedenwoning, gebouwd in 1992, met een berging/schuur en een tuin.”






3Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de rechtbank terecht geen vergoeding van immateriële schade heeft toegekend.





4Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“Ontvankelijkheid van het beroep / procesbelang
3. De rechtbank zal in deze uitspraak allereerst ambtshalve beoordelen of eiser als huurder van de woning procesbelang heeft bij dit beroep.

4. Als uitgangspunt geldt dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking is bekendgemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft (zie Hoge Raad 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467). Hierop geldt een uitzondering wanneer uit de vaststaande feiten volgt dat de gebruiker van een woning door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. In die gevallen dient, in afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt, te worden aangenomen dat een rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (zie Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238).

5. In dit geval oordeelt de rechtbank dat eiser geen procesbelang heeft. Uit de vaststaande feiten vloeit voort dat eiser als de gebruiker van de woning door een wijziging van de vastgestelde WOZwaarde niet in een gunstiger positie kan komen. Eiser is de huurder van de woning waar de WOZ-beschikking op ziet. De WOZ-waarde vormt niet de heffingsmaatstaf voor aan eiser op te leggen belastingen. In dit geval is sprake van een nietgeliberaliseerde woonruimte (een sociale huurwoning). In een dergelijk geval kan de huurder belang hebben bij een lagere WOZ-waarde, omdat de WOZ-waarde mogelijk van invloed is op zijn huurprijs. Op grond van de door verweerder verstrekte informatie over de door eiser in het onderhavige jaar betaalde maandhuur, het aantal punten van de woning in 2021 op grond van het woningwaarderingsstelsel en de bij dat aantal punten behorende maximale huurprijs, stelt de rechtbank vast dat de in 2021 geldende huurprijs ruim onder de maximale huurprijsgrens lag en dat een eventuele verlaging van de WOZwaarde voor 2021 geen invloed zou hebben op de voor eiser in 2021 geldende huurprijs. Dat dit wel het geval zou zijn, is door eiser ook niet aangevoerd. Eiser heeft enkel gesteld dat zijn belang bij een lagere WOZ-waarde bijvoorbeeld is gelegen in de omstandigheid dat indien hij gebruik zou willen maken van de mogelijkheid tot woningruil, de verhuurder de mogelijkheid zou hebben om voor de potentiële nieuwe huurder een nieuwe huursom vast te stellen op basis van het aantal punten gebaseerd op de actuele WOZ-waarde, hetgeen een belemmering zou kunnen vormen voor de potentiële nieuwe huurder om akkoord te gaan met woningruil. De rechtbank acht deze stelling over mogelijke toekomstige gebeurtenissen te onbepaald om de conclusie te kunnen dragen dat eiser belang heeft bij de onderwerpelijke procedure over de WOZ-waarde van zijn sociale huurwoning. Voor zover eiser, zoals hij in procedures met betrekking tot een eerder jaar heeft aangevoerd, ook nog heeft bedoeld om aan te voeren dat zijn belang bij een lagere WOZwaarde is gelegen in de mogelijkheid dat woningcorporatie Ymere (de eigenaar van de woning) de woning te koop zou aanbieden, waarbij hijzelf dan als mogelijke koper zou kunnen fungeren, en waarvoor de WOZ-waarde dan van belang zou kunnen zijn, leidt dit evenmin tot een ander oordeel omdat ook hiervoor geldt dat deze mogelijke toekomstige gebeurtenissen te onbepaald zijn om te concluderen dat eiser belang heeft bij de onderhavige procedure (vgl. Hof Amsterdam 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3553, r.o. 5.7).

6. Nu eiser geen procesbelang heeft bij het beroep, zal de rechtbank het beroep nietontvankelijk verklaren. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.


Verzoek vergoeding van immateriële schade

7. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vaststaat dat de redelijke termijn op het moment van het doen van uitspraak door deze rechtbank is overschreden. Desalniettemin bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij eiser heeft veroorzaakt omdat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen, er geen sprake is van een financieel belang bij deze procedure (zie het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1361). De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade afwijzen.”





5Beoordeling van het geschil


Betalingsonmacht griffierecht hoger beroep


5.1.
De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht voorlopig afgewezen. Belanghebbende heeft geen inzicht verschaft in de inkomsten die hij heeft gegenereerd met zijn activiteiten als gemachtigde (Juradvin). Zonder complete gegevens kan niet worden beoordeeld of belanghebbende in staat is om het griffierecht te voldoen. Het Hof wijst het beroep op betalingsonmacht daarom definitief af. Het griffierecht is na de voorlopige afwijzing alsnog binnen de daartoe gestelde termijn voldaan.



5.2.
De rechtbank heeft op goede gronden (rechtsoverwegingen 3 tot en met 7) een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze beslissing en de gronden waarop ze berust over en maakt deze tot de zijne. Het Hof voegt hier het volgende aan toe.



5.3.
Ook in hoger beroep zijn de enige concrete gronden waarop belanghebbende zijn belang bij een lagere WOZ-waarde voor het jaar 2021 baseert, een hypothetische koop en een even hypothetische woningruil (zie onderdeel 5 van de rechtbankuitspraak). Getuige de publiek toegankelijke gegevens in het Kadaster, is de woning reeds vanaf 1999 onafgebroken eigendom van Stichting Ymere en haar rechtsvoorgangers. Ook dient de woning belanghebbende nog immer tot woonhuis (zie bijvoorbeeld het hogerberoepschrift). Van de door belanghebbende naar voren gebrachte koop en woningruil is dus geen sprake; deze hebben zich beide nimmer voorgedaan. Ook indien het Hof belanghebbende veronderstellenderwijs zou volgen in zijn gedachtegang dat zich kort na het vaststellen van de WOZ-waarde van de woning voor 2021 de mogelijkheid van woningruil of koop had kunnen aandienen en dat hij daarom vervolgens ook nog een belang zou kunnen hebben gehad bij een verlaging van die waarde, is dit belang thans reeds lang uit beeld. Ook bij deze uiterst welwillende benadering stond op voorhand vast - en belanghebbende moet zich daarvan bewust zijn geweest - dat het daartoe door belanghebbende voorgewende doel van het aanvechten van de WOZ-beschikking met het instellen van het hoger beroep niet bereikt kon worden.



5.4.
In eerdere uitspraken heeft het Hof reeds geoordeeld dat de door belanghebbende aangevoerde stellingen over mogelijke toekomstige gebeurtenissen te onbepaald zijn om daaruit enig belang af te leiden (zie de uitspraak van dit Hof van 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3553 en van 2 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:369). De door belanghebbende tegen genoemde uitspraken gerichte cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard (zie HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:633 en HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1782).



5.5.
Uit rechtsoverweging 4.1.3 van het arrest Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238 volgt dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van belanghebbende vanwege het ontbreken van enig belang niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren en dat – nu de heffingsambtenaar dit heeft nagelaten – de rechtbank dit alsnog had moeten doen. Tot een gegrondverklaring van het hoger beroep kan dat evenwel niet leiden, omdat ook een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in de weg staat aan een oordeel over de door belanghebbende bepleite verlaging van de vastgestelde WOZ-waarde, zodat met een gegrondverklaring van het hoger beroep op deze grond geen redelijk belang zou zijn gediend (vgl. voormeld arrest Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, r.o. 4.1.5).



5.6.
Vanwege het ontbreken van enig belang heeft de rechtbank ook terecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend.


Slotsom



5.7.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.






6Kosten

Voor een veroordeling in de kosten is geen aanleiding.





7Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. JP.R. van den Berg, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken.





Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Link naar deze uitspraak