|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:1483 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-05-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.334.259 en 200.336.41 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Burengeschil als gevolg van uitbouw en opbouw. Bouw over erfgrens. Herstelwerkzaamheden aan naastgelegen pand. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers: 200.334.259/01 en 200.336.411/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/713760 / HA ZA 22-141
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
in de zaak met nummer 200.334.259/01
1 [appellant 1] ,
en
2. [appellant 2],
beiden wonend te [plaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
en
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend te [plaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. S.L.D. van den Brink te Mijdrecht,
en in de zaak met nummer 200.336.411/01
1 [geïntimeerde 1] ,
en
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend te [plaats] ,
appellanten,
tevens incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. S.L.D. van den Brink te Mijdrecht,
tegen
1 [appellant 1] ,
en
2. [geïntimeerde 3],
beiden wonend te [plaats] ,
geïntimeerden,
tevens incidenteel appellanten,
advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam.
Partijen worden hierna – in enkelvoud – [appellant 1] en [geïntimeerde 1] genoemd.
1Het geding in hoger beroep
in de zaak met nummer 200.334.259/01
[appellant 1] is bij dagvaarding van 28 juni 2023, zoals hersteld bij exploot van 23 oktober 2023, in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2022 (hierna: het tussenvonnis) en 29 maart 2023 (hierna: het eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] als eiser in conventie, tevens verweerder in (gedeeltelijk voorwaardelijke) reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagde in conventie tevens eiser in (gedeeltelijk voorwaardelijke) reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
[appellant 1] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen gedeeltelijk zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellant 1] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
[geïntimeerde 1] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door [appellant 1] in hoger beroep gevorderde, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant 1] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
in de zaak met nummer 200.336.411/01
[geïntimeerde 1] is bij dagvaarding van 28 juni 2023, eveneens in hoger beroep gekomen van genoemde twee vonnissen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
[geïntimeerde 1] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen gedeeltelijk zal vernietigen en alsnog na te noemen vordering van [geïntimeerde 1] zal toewijzen, na te noemen vordering van [appellant 1] zal afwijzen en overigens zal beslissen overeenkomstig de in hoger beroep gewijzigde inzichten van [geïntimeerde 1] , met hoofdelijke veroordeling van [appellant 1] in de kosten van het geding in beide instantie met nakosten en rente.
[appellant 1] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente.
[appellant 1] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat, naar het hof begrijpt, het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd voor zover dit de bouw over de erfgrens betreft en dat zijn vordering ter zake alsnog zal worden toegewezen, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het hoger beroep, met rente.
[geïntimeerde 1] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan, met, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [appellant 1] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
in beide zaken
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 januari 2026 hebben de hiervoor genoemde advocaten het woord gevoerd, ieder aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen beantwoord. Partijen hebben bij deze gelegenheid ook nog in beide zaken producties in het geding gebracht.
Met partijen is afgesproken dat hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken wordt beschouwd als in beide zaken te hebben plaatsgevonden.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2De feiten in beide zaken
De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.13 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten luiden de feiten als volgt.
a. [appellant 1] is eigenaar van de woning aan [straat] [nummer 1] te [plaats] . [geïntimeerde 1] is eigenaar van de naastgelegen woning aan [straat] [nummer 2] .
b. [geïntimeerde 1] is medio 2018 begonnen met een verbouwing van zijn woning. Deze verbouwing bestond uit het plaatsen van een dakopbouw en het realiseren van een uitbouw op de begane grond aan de achterzijde van de woning. Voor de uitbouw op de begane grond was geen vergunning nodig. Voor de dakopbouw is op 28 september 2018 een omgevingsvergunning verleend.
c. [geïntimeerde 1] heeft in 2019 besloten om ook de achterzijde van de eerste en tweede verdieping van zijn woning uit te bouwen. Voor de uitbouw op de eerste en tweede verdieping is op 25 juli 2019 een omgevingsvergunning verleend.
d. Tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 1] is discussie ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden.
e. [appellant 1] heeft bij de gemeente een verzoek tot handhaving ingediend, omdat [geïntimeerde 1] volgens [appellant 1] c.s. zou bouwen in afwijking van de omgevingsvergunning. De gemeente heeft op 13 maart, 30 maart, 5 juni, [nummer 3] juni en 24 juli 2020 de bouw gecontroleerd. Op [nummer 1] augustus 2020 heeft de gemeente het handhavingsverzoek van [appellant 1] afgewezen omdat zij geen afwijking van de omgevingsvergunning heeft geconstateerd.
f. [appellant 1] heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van de gemeente om niet te handhaven. Het bezwaar is op [nummer 2] december 2020 afgewezen omdat de gemeente toen nog steeds geen aanleiding zag om te concluderen dat [geïntimeerde 1] in afwijking van de omgevingsvergunning heeft gebouwd.
g. Op 24 september 2020 heeft [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) een bezoek gebracht aan de woning van [geïntimeerde 1] om te onderzoeken of de dakknik, de tussengoot en de dakopbouw zijn gerealiseerd conform de vergunde bouwtekeningen. Bij dit bezoek waren aanwezig [appellant 1] , [geïntimeerde 1] , twee werknemers van de gemeente [plaats] , de architect van het bouwplan, een bouwkundige en de advocaat van [geïntimeerde 1] . In het op 1 oktober 2020 op verzoek van [appellant 1] opgemaakte rapport staat onder meer het volgende:
2. De dakknik wordt momenteel gerealiseerd op 6800 mm hoogte (…) 160 mm lager dus dan op de tekening. (…)
3. De ‘tussengoot' is duidelijk getekend middels het detail. Deze goot bevindt zich overigens volledig op de erfgrens van nr. [nummer 2] .
4. De 'tussengoot' is thans nog niet gerealiseerd (…), maar de eigenaar van nr. [nummer 2] verklaarde tijdens mijn bezoek dat de goot gemaakt wordt zoals op de vergunde tekening is aangegeven. (…)
5. Ondanks wat maatafwijkingen (…) kan gesteld worden dat de dakopbouw gerealiseerd wordt conform de vergunde tekening. De dakgoot dient nog te worden gemaakt (evenals de bekleding van de zijgevel aan de kant van nr. [nummer 1] ) waardoor de exacte maatvoering nog niet vast te stellen is. Optisch lijkt 't alsof de goot hoger zal worden aangebracht dan bij eenzelfde dakopbouw bij nr. [nummer 3] . De goot bevindt zich onder de daknok van nr. [nummer 1] (…).
Conclusie en advies
:
(…)
Met betrekking tot de vraag of er over de erfgrens wordt gebouwd door de eigenaar van nr. [nummer 2] ; dit lijkt vooralsnog niet het geval. (…) De eigenaar van nr. [nummer 2] lijkt thans en zo verklaarde hij ook tijdens het bezoek, de erfgrens niet te gaan overschrijden met zijn dakopbouw. Daartoe heeft hij ook geen noodzaak, omdat de buitenwandconstructie (staalskelet met houten invulling en thermische isolatie) volledig binnen de eigendomsgrens kan worden gerealiseerd (...). Dit is overigens ook met die intentie getekend op de vergunde bouwtekening van 26-11-2019.
h. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 16 oktober 2020 [appellant 1] bevolen om [geïntimeerde 1] toegang te verlenen tot zijn perceel ten behoeve van de afronding van de werkzaamheden aan de woning van [geïntimeerde 1] .
i. In opdracht van [appellant 1] is op 19 januari 2021 Dekra Experts (hierna: Dekra) op het adres van [appellant 1] en [geïntimeerde 1] geweest, onder andere om vast te stellen of er in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd. Het rapport bevat onder meer de volgende constateringen:
Vraag 1. Verzekerde wil graag weten of er in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd.
(…)
Wij hebben nog een afwijking gevonden in de maat van de achtergevel van partij 1 [ [appellant 1] ; hof] naar de achtergevel van de uitbouw van partij 2 [ [geïntimeerde 1] ; hof]. De achtergevel staat met 1984 mm weliswaar binnen de maximale maat van 2000 mm, maar de goot en het dak steken uit, waarmee de maximale maat met circa 100 mm wordt overschreden (…)
(…)
Het resultaat van onze metingen is als volgt:
De aanbouw van partij 2 staat ter plaatse van de achtergevel 25 mm van de stramienmaat af op het perceel van partij 2. De hoek (voorzijde) van de aanbouw ligt met 25 mm door de stramienmaat heen op het perceel van partij 1. Gemiddeld genomen is de afwijking 0 mm en concluderen wij dat er geen overstekende bouwdelen zijn op het perceel van partij 1.
Omdat de door ons gemeten afwijking evenwijdig verloopt/afwijkt hebben wij middels een "3-4-5 steek" onze maatvoering gecontroleerd ten opzichte van de achtergevel en vastgesteld dat de aanbouw gering uit de haak staat ten opzichte van de achtergevel, wat de afwijking verklaart. De afwijking in de hoek is circa 10 mm.
Wij willen genoemd hebben dat ten tijde van ons bezoek de weersomstandigheden niet optimaal waren, wat in kleine meetonnauwkeurigheden kan resulteren omdat enkel nog met krijt of dik potlood kon worden geschreven. Om die reden noemen wij de afwijking circa 10 mm.
(...)
Vraag 4. Onderzoek naar vermeende lekkages (…)
(…)
Met betrekking tot de HWA stellen wij het volgende:
De goot van de woning van partij 1 is geplakt met bitumen. De goot is voor de opbouw van partij 2 afgezaagd. Op de door ons genomen foto is duidelijk zichtbaar dat de aansluiting ter plaatse van partij 2 niet goed is afgewerkt. Op de erfgrens is zelfs hout van het boeideel zichtbaar.
Wij stellen dat dit aangepast moet worden omdat anders het grondhout van de goot van partij 1 aangetast zal worden. De huidige aansluiting is niet deugdelijk te noemen. Verder zien wij dat de loodaansluiting niet is doorgezet tot aan de goot. Deze dient ook aangepast te worden.
Met betrekking tot de schoorsteen stellen wij het volgende:
De afdichting van de schoorsteen met EPDM, aan de zijde van partij 2, is provisorisch te noemen. De EPDM is "koud" op de gevelsteen geplakt en aan de zijde van partij 2 niet afgewerkt. Doortrekkend hemelwater zal door de steen zijn weg naar beneden kunnen vinden, waar zowel partij 1 als partij 2 overlast van kunnen gaan ondervinden.
(...)
De schade hebben wij als volgt geraamd:
- Herstelkosten schoorsteen EUR 600,00
- Herstelkosten dakgoot EUR 600,00
Totaal inclusief btw EUR 1.200,00
j. Op 29 april 2021 heeft de dakdekker van [appellant 1] , dakdekkersbedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), aan [appellant 1] onder meer het volgende per e-mail geschreven:
1. Het lood in de schoorstenen bij [nummer 3] en [nummer 2] is niet aangebracht volgens de richtlijnen, hier moet spouwlood aangebracht worden.
2. De aansluiting met de zalingen achter de schoorstenen zijn niet afgedicht.
3. De aansluiting met de hemelwaterafvoer nr. [nummer 2] moet nog definitief gemaakt worden.
4. Het op aangeven van de aannemer nr. [nummer 2] gemaakte sparing in het plafond t.b.v. de te plaatsen HWA moet hersteld worden door de aannemer.
Op 30 april 2020 heeft [bedrijf 2] onder meer als aanvulling op deze e-mail geschreven:
Er moeten loodloketten aangebracht worden in de schoorstenen en delen schoorstenen moeten opnieuw gevoegd worden. Tevens als opgegeven zal de bovenzijde van de schoorstenen bekeken moeten worden of deze hersteld moet worden.
k. Op 22 juni 2022 is in opdracht van [geïntimeerde 1] door [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) onderzocht of de dakopbouw en de uitbouw van [geïntimeerde 1] voldoen aan de verleende omgevingsvergunningen. In het hiervan op 5 juli 2022 opgemaakte rapport staan onder meer de volgende constateringen:
Onderzoeksvragen
(…)
1. Is het correct dat in strijd met de vergunde bouwtekeningen (en gelet op de vanuit de overheid toegestane afwijkingen) over de erfgrens heen is gebouwd door de wederpartij?
(…) Er is niet over de erfgrens van [appellant 1] gebouwd. De fundering en het opgaande werk is enkele centimeters vanuit de erfgrens gerealiseerd. De funderingsstrook is over de gehele lengte en breedte gerealiseerd binnen de erfgrensafscheiding (…).
(…)
4. Is volgens uw metingen ter plaatse correct dat het dak en de dakgoot bij de achtergevel uitsteken? (...)
In het rapport van Dekra is de breedte van het overstek op foto 3 op pagina 4 van hun rapport vastgelegd. Zij stellen op pagina 3 dat de maximale maat van het dakoverstek met circa 100 mm wordt overschreden. Door ons is tijdens de opname vastgesteld dat de gehele dakopbouw is gerealiseerd binnen de erfgrens-afscheiding. (...)
5. Is volgens uw bevindingen ter plaatse correct dat de aansluiting van de hemelwaterafvoer (HWA) onvoldoende deugdelijk is afgewerkt, ook wat betreft de loodaansluiting daarvan? (…)
De hemelwaterafvoeren zijn overeenkomstig de bouwtekening uitgevoerd en beantwoorden aan hetgeen goed en deugdelijk werk vereist (...). Tijdens de opname zijn de aansluitingen van hemelwaterafvoeren op de goot en standleiding vanaf het dak en de grond door ons geschouwd. De hemelwaterafvoeren zijn boven de bouwmuur van cliënt gerealiseerd. Het hemelwater wordt niet via de bouwmuur of het dak van [appellant 1] geloosd.
6. Is volgens uw bevindingen ter plaatse correct dat de aansluiting van de schoorsteen onvoldoende deugdelijk is afgewerkt? (...)
De hoekaansluiting tussen de schoorsteen en het dak van [appellant 1] is door [appellant 1] gerealiseerd (...). De aansluiting tussen het opgaande metselwerk met de wandafwerking, waarmee de linkergevel afgewerkt is, is gerealiseerd door cliënt. Uit onze inspectie ter plaatse blijkt dat deze aansluiting, met voetlood en bitumen stroken die doorlopen in de aansluitende goot, waterdicht is afgewerkt. Doordat het hemelwater via het lood en bitumen stroken getransporteerd wordt naar de goot, kan dit water nooit via deze aansluiting doordringen in de woning van [appellant 1] .
l. Op 30 juni 2022 is in opdracht van [appellant 1] door [naam] onderzocht hoe de dakbedekkingswerkzaamheden aan de woning van [geïntimeerde 1] zijn uitgevoerd. [naam] heeft de volgende aanbevelingen gedaan voor de hemelwaterafvoer en de schoorsteen aan de zijde van [geïntimeerde 1] :
waarnemingen dakvlak aansluiting 1 [de aansluiting op het dak van [geïntimeerde 1] ; hof]
(…)
Opgaand werk
- Het opgaande werk is afgewerkt met loodslabben met daar tegenaan een afwerking van kunststof.
- De afwerkstroken zijn opgezet tot onder de loodslabben.
(…)
- De inwendige hoekaansluiting van het opgaande werk en schoorsteen is niet waterdicht afgesloten.
Hemelwaterdoorvoeren
De hemelwaterdoorvoer is niet uitgevoerd conform Vakrichtlijn Gesloten Dakbeddekingssystemen.
Schoorstenen
De loodslabben zijn niet diep genoeg ingeslepen in het metselwerk (circa 30 mm).
Beoordeling dakvlak 1
(...)
Waterdichtheid details
Matig
(...)
Aanbevelingen dakvlak 1
- Een nieuwe hemelwaterafvoer aanbrengen en verwerken volgens principe detail (…)
- Het repareren van de dakgoot aan de achterzijde.
- Bij het metselwerk een waterdichte aansluiting maken volgens principedetail (…)
- De inwendige hoek bij de schoorsteen/opgaand werk waterdicht inwerken volgens principedetail (…)
- Het aanbrengen van loodslabben tot 50 mm in het metselwerk en afvoegen met voegspecie.
m. Op 15 juni 2022 heeft [bedrijf 2] in reactie op een vraag van [appellant 1] over de garantie op de dakbedekking onder meer het volgende laten weten:
Als het om bouwkundige werkzaamheden gaat mogen deze door een derde partij uitgevoerd worden, maar als het om het door ons aangebrachte dakbedekking systeem gaat zal dit door dakbedekkersbedrijf [bedrijf 2] hersteld moeten gaan worden om de garantie te handhaven.
n. Het Kadaster heeft op 29 november 2022 een meting uitgevoerd in aanwezigheid van [appellant 1] en [geïntimeerde 1] . Uit deze meting is gebleken dat de uitbouw van [geïntimeerde 1] over de erfgrens is gebouwd.
3De beoordeling in beide zaken
Eerste aanleg
3.1
[appellant 1] heeft in conventie gevorderd, na wijziging van eis, kort samengevat:
- hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] om
1. de onrechtmatige situatie op te heffen door te verwijderen hetgeen over de erfgrens is geplaatst;
2. de dakknik met boeideel en dakgoot aan te passen, zodat deze 0,5 meter lager en gelijk aan de nok van het dak van de woning van [appellant 1] komt te liggen;
3. de aansluiting van de hemelwaterafvoer te herstellen conform aanbeveling 1 van het rapport van [naam] en de aanwijzingen van [bedrijf 2] van 30 april 2021;
4. de afdichting van de schoorsteen van [appellant 1] te herstellen conform aanbeveling 3, 4 en 5 van het rapport van [naam] en de aanwijzingen van [bedrijf 2] van 30 april 2021;
5. het gat in de dakgoot aan de voorzijde van de woning van [appellant 1] te herstellen en de dakgoot aan de achterzijde van de woning van [appellant 1] te herstellen;
- machtiging van [appellant 1] de onder 1, 3, 4 en 5 genoemde werkzaamheden te laten uitvoeren door een derde voor rekening van [geïntimeerde 1] met veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van de desbetreffende facturen, indien [geïntimeerde 1] deze werkzaamheden niet binnen dertig dagen na betekening van de uitspraak heeft laten uitvoeren;
- hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van
€ 1.481,29 inclusief btw ter zake van vergoeding van door [appellant 1] geleden waterschade;
€ 189,99 inclusief btw ter zake van door [appellant 1] geleden schade aan een tuintafel;
€ 2.226,60 inclusief btw ter zake van vergoeding van door [appellant 1] gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
3.2
[geïntimeerde 1] heeft in reconventie gevorderd, na wijziging van eis, kort samengevat:
- hoofdelijke veroordeling van [appellant 1] tot betaling van
€ 19.030,00 ter zake van door [geïntimeerde 1] geleden schade als gevolg van de onrechtmatige weigering van [appellant 1] [geïntimeerde 1] toegang te verschaffen tot het erf van [appellant 1] ten behoeve van de werkzaamheden, onder meer bestaande uit huur van andere woonruimte en een garagebox;
en voorwaardelijk, voor het geval dat wordt geoordeeld dat over de erfgrens is gebouwd:
- veroordeling van [appellant 1] tot verlening en vestiging van een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand met betrekking tot al hetgeen dat zich bevindt boven althans op het perceel van [appellant 1] dan wel overdracht van de desbetreffende grond, naar keuze van [appellant 1] .
3.3
De rechtbank heeft, kort samengevat:
in conventie [geïntimeerde 1] (hoofdelijk) veroordeeld tot
- herstel van
*de hemelwaterafvoer conform aanbeveling 1 van het rapport van [naam] en de aanwijzingen van [bedrijf 2] van 30 april 2021 tot een maximum van € 600,00, uit te voeren door [bedrijf 2] onder de voorwaarde dat als de kosten van [bedrijf 2] de kosten overstijgen die [geïntimeerde 1] aan een andere door hemzelf in te schakelen aannemer zou hebben moeten betalen, [appellant 1] dit meerdere betaalt; *de schoorsteen conform aanbeveling 3, 4 en 5 van het rapport van [naam] en de aanwijzingen van [bedrijf 2] van 30 april 2021, uit te voeren door [bedrijf 2] onder de voorwaarde dat als de kosten van [bedrijf 2] de kosten overstijgen die [geïntimeerde 1] aan een andere door hemzelf in te schakelen aannemer zou hebben moeten betalen, [appellant 1] dit meerdere betaalt;
- betaling van
€ 25,00 ter zake van door [appellant 1] geleden schade aan een tuintafel;
€ 1.258,00 ter zake van de kosten van de rapporten;
en in reconventie [appellant 1] veroordeeld tot verlening en vestiging van een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand met betrekking tot al hetgeen van het huis van [geïntimeerde 1] dat zich bevindt op of boven het perceel van [appellant 1] of overdracht van de strook grond waarop of waarboven dit zich bevindt, ter keuze van [appellant 1] , tegen betaling van een schadeloosstelling van € 7.500,00 door [geïntimeerde 1] aan [appellant 1] .
[geïntimeerde 1] is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld.
Hoger beroep
3.4
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen is [appellant 1] in zaak 200.334.259/01 opgekomen met vijf grieven. In zaak 200.336.411/01 heeft [geïntimeerde 1] zich hiertegen gekeerd met eveneens vier grieven in principaal appel. [appellant 1] heeft in incidenteel appel nog twee grieven geformuleerd. Deze grieven en het daartegen aangevoerde, voor zover van belang, zullen hieronder per onderwerp worden behandeld.
Bouw over de erfgrens
3.5
De rechtbank heeft, ervan uitgaande dat [geïntimeerde 1] over de erfgrens heeft gebouwd, hetgeen in hoger beroep niet meer ter discussie staat, geoordeeld dat de nadelen van het afbreken en verwijderen van de bouw over de erfgrens en het herstellen van de uitbouw onevenredig veel zwaarder wegen dan de nadelen die [appellant 1] lijdt bij instandhouding van het gebouwde, gezien de zeer beperkte perceelsoverschrijding, ongeacht van welke door partijen in eerste aanleg in de procedure gebrachte berekening van die overschrijding wordt uitgegaan. De in artikel 5:54 lid 1 BW bedoelde schadeloosstelling heeft de rechtbank bepaald op een bedrag van € 7.500,00. De rechtbank heeft hierbij overwogen een marktconforme prijs als uitgangspunt te nemen en daarnaast rekening te houden met het feit dat [appellant 1] [geïntimeerde 1] meermaals heeft gewaarschuwd de erfgrens niet te overschrijden.
3.6
[appellant 1] heeft met zijn twee grieven in incidenteel appel in zaak 200.336.411/01 opnieuw bepleit dat tot afbraak van de overbouw dient te worden overgegaan. [appellant 1] heeft hiertoe aangevoerd dat [geïntimeerde 1] welbewust op de grond van [appellant 1] heeft gebouwd, althans zich niet heeft vergewist van de juiste grens en de bouwwerkzaamheden niet door een professionele aannemer heeft laten verrichten, maar deze samen met een vriend heeft uitgevoerd. [geïntimeerde 1] kan daarom kwade trouw worden verweten, althans grove schuld, volgens [appellant 1] . Een onevenredige benadeling van [geïntimeerde 1] is met afbraak en verwijdering niet aan de orde, omdat deze kosten liggen tussen € 5.500,00 en € 8.000,00 en de perceelsoverschrijding niet marginaal is te noemen. Volgens [appellant 1] zal een eventueel door hemzelf of zijn rechtsopvolger te realiseren eigen aanbouw hierdoor logischerwijs kleiner zijn en belemmert de overbouw van [geïntimeerde 1] een prefab aanbouw.
3.7
[geïntimeerde 1] heeft zich opnieuw verweerd tegen de vordering tot verwijdering van de overbouw met verwijzing naar de mate waarin daarvan sprake is en de mate van schade die [appellant 1] daardoor lijdt. Ook heeft [geïntimeerde 1] toegelicht hoe een en ander bij de aanleg van de fundering van de aanbouw is gelopen. [appellant 1] dient volgens [geïntimeerde 1] vanwege dit alles tegemoet te worden gekomen door schadeloosstelling na verlening van een erfdienstbaarheid of overdracht van de desbetreffende grond, niet door verwijdering van de overbouw. De door de rechtbank aan [appellant 1] wegens de overbouw toegekende schadeloosstelling is echter buitenproportioneel is, zo heeft [geïntimeerde 1] met de tweede grief in principaal appel in zaak 200.336.411/01 aangevoerd, waarbij [geïntimeerde 1] heeft benadrukt dat een boete niet aan de orde is. Van kwade trouw of grove schuld kan geen sprake zijn. Aanvankelijk was de fundering voor de aanbouw aangelegd in het verlengde van de tussen de woningen van partijen gelegen fundering van de mandelige muur, aldus voor de helft op het perceel van [appellant 1] , zodat ook [appellant 1] in de toekomst een uitbouw zou kunnen plaatsen. [geïntimeerde 1] heeft deze fundering verwijderd nadat [appellant 1] daartegen alsnog bezwaar had gemaakt. Omdat [appellant 1] daarna niet toestond dat de aannemers van [geïntimeerde 1] op zijn perceel zouden komen, hebben zij hun werkzaamheden gestaakt. [geïntimeerde 1] moest toen zelf, samen met een vriend met enige bouwkennis, de fundering opnieuw leggen. Dit heeft tot de overbouw geleid, die echter minimaal is. De fundering zelf staat overigens volledig binnen de erfgrens. De overbouw kan eventueel worden afgezaagd, maar dat zal geen fraai resultaat geven. [geïntimeerde 1] heeft ter onderbouwing van de omvang van de overbouw verwezen naar een door hem laten verrichten meting door een architectenbureau genaamd OZ aan de hand van de kadastrale grensvaststelling. Daaruit volgt dat de overbouw een oppervlakte heeft van in totaal 6 cm2, aldus [geïntimeerde 1] .
3.8
[appellant 1] heeft de door [geïntimeerde 1] gestelde oppervlakte van de overbouw betwist. [appellant 1] heeft daarbij opgemerkt dat de meting van OZ alleen is gebaseerd op door [geïntimeerde 1] verstrekte informatie en niet op locatie is gemeten. [appellant 1] heeft hiernaast ter zitting in hoger beroep een erfgrensreconstructie van Boon Landmeten & Hydrografie (hierna: Boon) overgelegd.
3.9
Aangezien de hierboven onder 3.n vermelde kadastrale meting van 29 november 2022 geen oppervlakte vermeldt, [geïntimeerde 1] niet heeft weersproken dat OZ niet ter plekke heeft gemeten en hij tegenover de meting van Boon (die [geïntimeerde 1] voorafgaand aan de zitting was toegezonden) niets meer naar voren heeft gebracht, gaat het hof uit van deze laatste erfgrensreconstructie, waarin de overbouw wordt vastgesteld op 0,1538 m2. Het hof oordeelt, deze stelling van [appellant 1] over de oppervlakte van de overbouw volgend, met de rechtbank dat een veroordeling tot wegneming van de overbouw tot een onevenredig veel zwaardere benadeling van [geïntimeerde 1] zou leiden dan [appellant 1] zou worden benadeeld door handhaving daarvan. [appellant 1] heeft onvoldoende toegelicht dat ook deze minimale overschrijding een eventueel te realiseren (prefab) aanbouw of andere gebruiksmogelijkheden van zijn perceel in de weg staat.
3.10
In het kader van de vervolgens op de voet van artikel 5:54 lid 1 BW te bepalen schadeloosstelling twisten partijen nader over de te hanteren grondprijs. [appellant 1] heeft een artikel overgelegd dat kennelijk uit de hoek van de makelaardij komt waarin onder de titel “Huizenprijzen: Hoeveel moet je overbieden in [plaats] ?” onder het nadere kopje “Wat doen de huizenprijzen in [plaats] ?” staat vermeld dat de gemiddelde prijs per vierkante meter in 2025 is gestegen naar € 6.092,00. [geïntimeerde 1] heeft in zijn reactie hierop gewezen dat dit bedrag woonoppervlakte betreft en dat van bouwgrond dient te worden uitgegaan. Volgens [geïntimeerde 1] blijkt uit de door hem overgelegde tabel van de grondprijs in [plaats] in 2024 dat bouwgrond in [plaats] een prijs heeft van € 645,00 exclusief btw per m2. Het hof volgt [geïntimeerde 1] hierin, gelet op de aard van de desbetreffende grond. Dit betekent dat (0,1538 m2 x € 645,00 =) € 99,20 toewijsbaar is als schadeloosstelling. [appellant 1] heeft nog bewijs aangeboden van de waarde van het overbouwde gedeelte van zijn perceel, maar dat bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat het hof zijn bijbehorende kennelijke stelling dat van woonoppervlakte dient te worden uitgegaan niet volgt. In het geheel aan omstandigheden ziet het hof onvoldoende grond voor de constatering dat [geïntimeerde 1] te kwader trouw heeft gehandeld of hem grove schuld kan worden verweten. De door [appellant 1] nog aangevoerde verminderde gebruiksmogelijkheden en verminderde waarde van zijn eigen perceel heeft [appellant 1] zodanig in het vage gelaten dat daaraan geen concreet aanvullend schadebedrag kan worden gekoppeld. De grief van [geïntimeerde 1] slaagt dus gedeeltelijk en de grieven van [appellant 1] falen.
Hemelwaterafvoer en schoorsteen
3.11
De eerste grief in zaak 200.334.259/01 van [appellant 1] betreft de beslissing van de rechtbank over het herstel van de hemelwaterafvoer en de schoorsteen. Ook de eerste grief in principaal appel in zaak 200.336.411/01 van [geïntimeerde 1] ziet op deze beslissing. Deze grieven zullen gezamenlijk worden besproken.
3.12
[appellant 1] heeft in eerste aanleg gevorderd dat het herstel aan de hemelwaterafvoer en de schoorsteen wordt uitgevoerd door [bedrijf 2] , omdat op zijn dakbedekking een door [bedrijf 2] afgegeven garantie rustte na eerdere werkzaamheden van [bedrijf 2] . Deze garantie zou vervallen als anderen werkzaamheden aan het dak zouden verrichten. De rechtbank heeft dit gehonoreerd met dien verstande dat zij op voorstel van [geïntimeerde 1] de hoogte van deze kosten heeft begrensd als hierboven onder 3.3 beschreven.
3.13
[appellant 1] richt zich tegen deze begrenzing van de door [geïntimeerde 1] te betalen kosten van [bedrijf 2] . [bedrijf 2] heeft op 30 mei 2023 een bedrag van € 10.750,00 inclusief btw geoffreerd voor de herstelwerkzaamheden. [geïntimeerde 1] dient volgens [appellant 1] [bedrijf 2] opdracht te geven voor de uitvoering van deze werkzaamheden. Subsidiair maakt [appellant 1] aanspraak op betaling van het door [bedrijf 2] geoffreerde bedrag.
3.14
Volgens [geïntimeerde 1] omvat de offerte van [bedrijf 2] werkzaamheden die het schadeherstel overstijgen. [geïntimeerde 1] heeft van zijn kant een prijsopgave voor de herstelwerkzaamheden in het geding gebracht van installatiebedrijf J.C. Kersbergen B.V. (hierna: Kersbergen). Deze prijsopgave sluit op een bedrag van € 1.500,00 exclusief btw. [geïntimeerde 1] heeft daarbij betoogd dat zijn veroordeling tot herstel van de hemelwaterafvoer en de schoorsteen niet uitvoerbaar is gebleken. Partijen hebben in dit verband nadat het bestreden eindvonnis was gewezen al weer een kort geding moeten voeren. Volgens [geïntimeerde 1] dient de oplossing hierin worden gezocht dat hij een vergoeding voor dit herstel aan [appellant 1] betaalt, waarna [appellant 1] vervolgens zelf de werkzaamheden kan laten uitvoeren. [geïntimeerde 1] heeft hierbij te kennen gegeven bereid te zijn voor de totale schade het door Kersbergen genoemde bedrag van € 1.500,00 exclusief btw te betalen aan [appellant 1] .
3.15
Het hof concludeert uit de inmiddels lange reeks aan voorvallen tussen partijen dat het voorstel van [geïntimeerde 1] dient te worden gevolgd, waarmee [appellant 1] zich overigens ook akkoord lijkt te verklaren, en [geïntimeerde 1] aldus dient te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [appellant 1] ten behoeve van de kosten van herstel, dat [appellant 1] vervolgens zelf kan laten uitvoeren. Het hof stelt voorop dat [appellant 1] moet stellen (en zo nodig bewijzen) dat het door hem ter zake van deze kosten genoemde (aanzienlijke) bedrag van € 10.750,00 inclusief btw daartoe benodigd is. [appellant 1] is hierin onvoldoende geslaagd. [appellant 1] heeft vooral onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de door [bedrijf 2] geoffreerde werkzaamheden de aan de orde zijnde herstelwerkzaamheden niet te boven gaan en geen beter resultaat geven dan waarop [appellant 1] aanspraak kan maken. Dit lag wel op zijn weg. Bij gebrek aan een ander handvat valt het hof terug op de door [geïntimeerde 1] overgelegde prijsopgave van Kersbergen. Dit bedrag van € 1.500,00 vermeerderd met btw zal daarom worden toegewezen aan [appellant 1] voor zowel het herstel van de hemelwaterafvoer als het herstel van de schoorsteen. De grief van [geïntimeerde 1] heeft dus succes, de grief van [appellant 1] niet.
Gat in dakgoot
3.16
[appellant 1] heeft ook herstel van de dakgoot gevorderd. [geïntimeerde 1] acht zich hiervoor niet verantwoordelijk. Volgens [geïntimeerde 1] heeft [bedrijf 2] een gat in de dakgoot gemaakt om hierdoor de hemelwaterafvoer te plaatsen, maar heeft [appellant 1] daarna het plan veranderd. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat door [appellant 1] onvoldoende duidelijk is gemaakt dat de aanwezigheid van het gat de schuld is van [geïntimeerde 1] en niet van hemzelf door het op het laatste moment wijzigen van de opdracht. De vordering is daarom afgewezen.
3.17
Met het eerste deel van de tweede grief in zaak 200.334.259/01 heeft [appellant 1] naar voren gebracht dat de hemelwaterafvoer aan de voorzijde van de woning van [appellant 1] in opdracht van [geïntimeerde 1] was afgekapt, waardoor in de woning van [appellant 1] lekkage is ontstaan. In opdracht van [geïntimeerde 1] heeft [bedrijf 2] een noodreparatie uitgevoerd om de lekkage vanuit de hemelwaterafvoer tijdelijk te stoppen en daarbij is een gat gemaakt in de dakgoot. Ondanks verzoek daartoe heeft [geïntimeerde 1] vervolgens nagelaten dit gat door [bedrijf 2] te laten herstellen. [geïntimeerde 1] is daarom verantwoordelijk voor dit gat. Het stond [appellant 1] vrij zijn medewerking te weigeren aan het door [geïntimeerde 1] aangeboden herstel van het gat door een derde, omdat [appellant 1] daarmee de garantie van [bedrijf 2] op de dakwerkzaamheden zou verliezen, aldus [appellant 1] . [geïntimeerde 1] heeft zijn verweer in hoger beroep herhaald.
3.18
Vast staat dat er een gat is gemaakt in de dakgoot, maar partijen twisten over de vraag op wiens kosten dit gat dichtgemaakt moet worden. Ook in hoger beroep is door [appellant 1] niet weersproken dat de hemelwaterafvoer op zijn verzoek is verplaatst waardoor het gat overbodig werd. Daarom valt niet in te zien, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, waarom de kosten van herstel voor rekening van [geïntimeerde 1] zouden moeten komen. Ook het hof zal daarom de vordering van [appellant 1] ter zake de dakgoot niet toewijzen. De grief slaagt niet.
Hemelwaterafvoer en waterschade
3.19
Ter zake van de door [appellant 1] gevorderde vergoeding van lekkageschade in zijn woning ten bedrage van € 1.481,29, die volgens [appellant 1] is toe te rekenen aan de door [geïntimeerde 1] verrichte werkzaamheden, heeft de rechtbank overwogen dat de omvang en oorzaak van deze schade niet duidelijk is geworden. Ten tijde van de descente heeft [appellant 1] [geïntimeerde 1] de toegang tot zijn woning geweigerd, waardoor ook de rechtbank de waterschade niet kon bekijken. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat [geïntimeerde 1] schadeherstel heeft aangeboden, maar [appellant 1] hem de toegang tot zijn woning heeft geweigerd.
3.20
De derde grief in zaak 200.334.259/01 (en naar het hof begrijpt ook het tweede deel van de tweede grief) ziet op deze door [appellant 1] gevorderde vergoeding. [appellant 1] verwijst in hoger beroep naar beelden van de lekkage en de bevindingen van [naam] waaruit volgt dat de goot is gaan lekken. Ook heeft [appellant 1] aangevoerd dat het hem vrijstond [geïntimeerde 1] de toegang tot zijn woning te weigeren gezien de ervaringen die [appellant 1] had met [geïntimeerde 1] en de ontstane slechte verstandhouding.
3.20
[geïntimeerde 1] heeft weersproken dat causaal verband bestaat tussen de werkzaamheden en de gestelde schade en gesteld dat [appellant 1] , door [geïntimeerde 1] met zijn aannemer de toegang tot de woning van [appellant 1] te weigeren, zijn vorderingsrecht heeft verspeeld.
3.21
Daargelaten deze laatste kwestie, kan ook het hof op basis van het aangevoerde geen concreet causaal verband vaststellen tussen het handelen van [geïntimeerde 1] en de gestelde opgetreden schade. [appellant 1] heeft zijn stellingen daartoe onvoldoende feitelijk aangekleed. De vordering komt daarom ook in hoger beroep niet voor toewijzing in aanmerking. De grieven falen.
Dwangsommen en machtiging
3.22
[appellant 1] heeft met de vierde grief in zaak 200.334.259/01 bepleit dat ten onrechte geen dwangsommen zijn opgelegd noch [appellant 1] een machtiging is verleend de werkzaamheden door een derde te laten uitvoeren. Gelet op de beslissing in 3.15 dat ter zake van deze herstelwerkzaamheden een bedrag zal moeten worden betaald door [geïntimeerde 1] , heeft deze grief geen relevantie meer en zal de grief daarom niet nader worden behandeld.
Dubbele lasten
3.23
[geïntimeerde 1] heeft vergoeding van dubbele lasten gevorderd over een periode van tweeënhalf jaar, omdat de weigering van [appellant 1] [geïntimeerde 1] op het perceel toe te laten een vertraging van deze duur heeft opgeleverd. De rechtbank heeft aanvankelijk over de periode van half april tot en met oktober 2020 een bedrag van € 2.776,00 als vergoeding hiervoor toegewezen, maar is bij eindvonnis hiervan teruggekomen, omdat de weigering van [appellant 1] [geïntimeerde 1] toe te laten op zijn perceel was ingegeven door de vrees dat [geïntimeerde 1] over de erfgrens zou bouwen, hetgeen in de procedure is komen vast te staan.
3.24
De derde grief in principaal appel in zaak 200.336.411/01 van [geïntimeerde 1] is tegen deze afwijzing gericht. [geïntimeerde 1] heeft zijn stelling herhaald dat hij gedurende drie jaar elders heeft moeten wonen, omdat zijn woning niet bewoonbaar was, waarvan tweeënhalf jaar voor rekening van [appellant 1] komt. [geïntimeerde 1] heeft zich hierbij op het ladderrecht beroepen.
3.25
[appellant 1] heeft aangevoerd dat zijn handelen gerechtvaardigd was en dat ook overigens de vordering van [geïntimeerde 1] grondslag mist.
3.26
Het hof overweegt met [geïntimeerde 1] dat het ladderrecht een op zichzelf staand recht is waarbij de hierboven vastgestelde overbouw niet maakt dat [geïntimeerde 1] dit recht niet toekwam. Met de zeer beperkte mate van overbouw is althans de voortdurende weigering van [appellant 1] tot uitoefening van het ladderrecht niet gerechtvaardigd. De lengte van de vertraging die [geïntimeerde 1] aan deze weigering heeft toegekend is echter onvoldoende onderbouwd. Op de in eerste aanleg overgelegde zeer summiere verklaring van zijn aannemer waarnaar [geïntimeerde 1] heeft verwezen, kan de gestelde vertraging niet worden gebaseerd. Ook overigens is de gestelde planning onvoldoende feitelijk toegelicht. Dat de werkzaamheden voor kerst 2018 zouden zijn afgerond valt daarmee op basis van de stellingen van [geïntimeerde 1] niet vast te stellen. Dat [geïntimeerde 1] is verhinderd zijn ladderrecht uit te oefenen is evenwel door de rechtbank gemotiveerd vastgesteld over de periode van half april 2020 tot en met oktober 2020. Deze vaststelling is door [appellant 1] onvoldoende weersproken. Het hof zal daarom het hieraan verbonden bedrag van € 2.776,00 alsnog toewijzen aan [geïntimeerde 1] . De grief slaagt derhalve in zoverre. [geïntimeerde 1] heeft wettelijke rente over deze vergoeding gevorderd vanaf 15 december 2018. [appellant 1] heeft aangevoerd dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf de datum van de memorie van grieven omdat niet eerder aanspraak is gemaakt op wettelijke rente. Het hof zal aansluiten bij de datum waarop de vordering tot vergoeding van de dubbele lasten bij conclusie van eis in reconventie in eerste aanleg is ingediend, te weten 30 maart 2022, bij gebrek aan een ander voldoende concreet aanknopingspunt.
Kosten rapporten
3.27
De vierde grief in principaal appel in zaak 200.336.411/01 is gekeerd tegen de toegewezen vergoeding voor de rapportkosten van [naam] en het Kadaster. Volgens [geïntimeerde 1] is hij geen vergoeding van deze kosten verschuldigd, omdat de rechtsbijstandsverzekering van [appellant 1] deze kosten dekt en [appellant 1] dit ook heeft erkend.
3.28
[appellant 1] heeft hierop slechts gesteld dat zijn al dan niet verzekerd zijn voor deze kosten niet doorslaggevend is en de kosten de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. [appellant 1] heeft echter niet weersproken de stelling van [geïntimeerde 1] dat [appellant 1] geen schade lijdt omdat de kosten reeds zijn vergoed door de rechtsbijstandsverzekering. [appellant 1] heeft in beginsel gelijk dat het verzekerd zijn, niet betekent dat hij daardoor [geïntimeerde 1] niet kon aanspreken op vergoeding van de rapportkosten. Het feit echter dat [appellant 1] kennelijk reeds door zijn verzekering is vergoed maakt dat hij deze vordering niet ook alsnog bij [geïntimeerde 1] kan neerleggen. De vordering zal daarom alsnog geheel worden afgewezen. De grief slaagt.
Slotsom
3.29
Partijen hebben geen voldoende concrete stellingen ingenomen die, indien bewezen tot een ander oordeel zouden leiden. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Wettelijke rente zal bij gebrek aan een ander aanknopingspunt steeds worden toegewezen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding dan wel de datum van de eis in reconventie.
3.30
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden vonnissen gedeeltelijk zullen worden vernietigd. [appellant 1] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in zaak 200.334.259/01 en in de kosten van de procedure 200.336.411/01, zowel in het principale als in het incidentele hoger beroep. Het hof zal de proceskostenbeslissing van de procedure in conventie en in reconventie in eerste aanleg vernietigen en deze kosten vanwege de uitkomst in hoger beroep alsnog tussen partijen compenseren.
4De beslissing
Het hof:
in de zaken 200.334.259/01 en 200.336.411/01
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij
- [geïntimeerde 1] is veroordeeld over te gaan tot herstel van de hemelwaterafvoer en de schoorsteen;
- [geïntimeerde 1] is veroordeeld tot vergoeding van rapportkosten
- de door [geïntimeerde 1] te betalen schadeloosstelling ter zake van genoemde veroordeling van [appellant 1] tot verlening van een erfdienstbaarheid dan wel eigendomsoverdracht is bepaald op een bedrag van € 7.500,00;
- de vordering tot vergoeding van dubbele lasten van [geïntimeerde 1] is afgewezen en;
- [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie is veroordeeld;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant 1] te betalen een bedrag van € 1.500,00 vermeerderd met btw ter zake van het herstel van de hemelwaterafvoer en de schoorsteen;
bepaalt genoemde door [geïntimeerde 1] te betalen schadeloosstelling op een bedrag van € 99,20;
veroordeelt [appellant 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde 1] te betalen een bedrag van € 2.776,00 ter zake van door [geïntimeerde 1] gedragen dubbele lasten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag van 30 maart 2022 tot aan de datum van algehele voldoening;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige voor zover aan het hof voorgelegd;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in conventie en in reconventie in eerste aanleg betaalt;
in zaak 200.334.259/01 voorts
veroordeelt [appellant 1] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op € 783,00 aan verschotten en € 3.340,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
in zaak 200.336.411/01 voorts
veroordeelt [appellant 1] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot in principaal hoger beroep op € 471,17 aan verschotten en € 2.580,00 voor salaris en in incidenteel hoger beroep op € 1.290,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. van Dijk, E.K. Veldhuijzen van Zanten en F. Sepmeijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|