Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2536 
 
Datum uitspraak:08-09-2026
Datum gepubliceerd:10-09-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.360.226/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Relatievermogensrecht. Verdeling wettelijke gemeenschap van goederen. Waardering aandeel in appartement.
Trefwoorden:belastingrecht
echtscheiding
taxatie
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.360.226/01
zaaknummer rechtbank : C/15/357691 / HA ZA 24-558



arrest van de meervoudige familiekamer van 8 september 2026


inzake



[de man] ,

wonende te [plaats A] ,
appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. A.D. van Koningsveld te Amsterdam,

tegen



[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,
advocaat: mr. L.W. Castelijns te Amsterdam


Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.





1De zaak in het kort


1.1
De vrouw is tijdens het huwelijk van partijen voor 1/4e deel eigenaar van een appartement in [plaats C] (Turkije) geworden, welk aandeel in de ontbonden (en grotendeels reeds verdeelde) huwelijksgoederengemeenschap van partijen is gevallen. In de eerder tussen partijen gevoerde echtscheidingsprocedure is de wijze van verdeling van het aandeel in het appartement gelast, waarbij het aandeel aan de vrouw is toegedeeld onder verrekening van de waarde ervan met de man. Partijen hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken over de waarde van het aandeel.
Bij vonnis van de rechtbank is daarna de juridische status van het appartement vastgesteld en geoordeeld dat het appartement opnieuw (en bindend) getaxeerd moet worden, waarbij rekening moet worden gehouden met de door de rechtbank genoemde elementen.
De waarde van het aandeel is echter nog steeds in geschil.
De man wil primair dat het hof de waarde vaststelt op basis van de door hem reeds uitgevoerde taxaties, dan wel subsidiair dat opnieuw een taxatie plaatsvindt zonder rekening te houden met de door de rechtbank genoemde elementen. De vrouw is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.



1.2
Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank en legt hierna uit waarom.







2Het geding in hoger beroep


2.1
De man is bij dagvaarding van 13 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 mei 2025 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: het bestreden vonnis), hersteld bij vonnis van 11 juni 2025. Dat vonnis is onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.



2.2
De man heeft daarna een memorie van grieven ingediend, met producties 1 tot en met 9.



2.3
Aan de vrouw is door de rolraadsheer een ‘akte niet dienen’ verleend (artikel 133 lid 4 Rv) voor het indienen van een memorie van antwoord. De memorie van antwoord die de vrouw (te laat) heeft ingediend, is door het hof geweigerd. Het hof heeft ter zitting in hoger beroep geoordeeld geen redenen te zien op de beslissing van de rolraadsheer tot het verlenen van een akte niet dienen terug te komen. Daarbij is aan de orde gekomen dat, gelet op het devolutieve karakter van het hoger beroep, het hof bij zijn beoordeling het verweer dat de vrouw bij de rechtbank heeft gevoerd waar nodig zal betrekken, maar dat zij op de mondelinge behandeling geen nieuwe verweren en stellingen naar voren kan brengen.
De door de vrouw bij haar memorie van antwoord ingediende producties 1 tot en met 4 zijn toegelaten, nu de man hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt.



2.4
Op 11 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daar zijn verschenen partijen, de man bijgestaan door mr. B.E.C. de Jong (kantoorgenote van mr. A.D. van Koningsveld) en de vrouw door mr. L.W. Castelijns. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. De vrouw heeft nog de producties 5 tot en met 8 ingediend.



2.5
Ten slotte is arrest gevraagd.






3Feiten


3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.



3.2
Partijen zijn [in] 1999 te [plaats D] in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Hun twee kinderen zijn inmiddels meerderjarig. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 28 mei 2021 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 september 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.



3.3
De vrouw is samen met haar broer en zus eigenaar van een appartement te [plaats C] , Turkije (hierna: het appartement). Haar aandeel in dit appartement bedraagt 1/4e deel (hierna: het aandeel).



3.4
In de beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2022 is bepaald dat het aandeel in de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen valt. Daarbij heeft de rechtbank de wijze van verdeling van het aandeel gelast in die zin dat dit aan de vrouw moet worden toegedeeld waarbij de man recht heeft op de helft van de waarde daarvan per datum feitelijke verdeling, welk moment in de toekomst ligt.



3.5
Bij beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank ten aanzien van de waarde(bepaling) van het aandeel verder het volgende bepaald:


“2.37 Nu partijen zich over de waarde van het aandeel van de vrouw in het appartement niet hebben uitgelaten, zal de rechtbank als wijze van verdeling gelasten dat het aandeel aan de vrouw wordt toebedeeld waarbij de man recht heeft op de helft van de waarde van het aandeel van de vrouw in het appartement, dit per datum van de feitelijke verdeling, welke datum in de toekomst ligt. Ter aanvulling op deze wijze van verdeling bepaalt de rechtbank het navolgende.




2.38

Indien partijen niet alsnog overeenstemming kunnen bereiken over de vraag voor welke waarde zij het aandeel van de vrouw in het appartement willen betrekken in de verdeling, dan dienen partijen tot een taxatieopdracht te komen. Het is dan aan partijen om in onderling overleg een terzake deskundig makelaar te benoemen die voor hen de waarde van het aandeel van de vrouw in het appartement zal bepalen per datum van de feitelijke verdeling. Indien partijen er niet in slagen om gezamenlijk een makelaar de opdracht tot taxatie te verstrekken, dan dient ieder voor zich een makelaar te benoemen, beide makelaars dienen vervolgens samen een derde makelaar aan te wijzen welke de waarde zal gaan vaststellen.”




3.6
Bij beschikking van het hof van 9 mei 2023 is voornoemde beschikking van de rechtbank bekrachtigd en heeft het hof nog bepaald dat er een Turkse ambtenaar bij de taxatie van het appartement zal moeten worden betrokken indien dit volgens het Turkse recht is vereist.



3.7
Partijen hebben op 3 augustus 2023 afgesproken dat de vrouw een aantal data zou opgeven waarop een makelaar het appartement kan taxeren.



3.8
Op 9 november 2023 heeft (de advocaat van) de vrouw per e-mail twee taxatierapporten van 5 oktober 2023 naar (de advocaat van) de man gestuurd, waarbij de waarde van het appartement in de ene taxatie is vastgesteld op 950.000 Turkse lira’s (€ 31.943,75) en in de andere taxatie op 1.250.000 Turkse lira’s (€ 42.031,25). Uitgaande van het gemiddelde van deze taxaties, bedraagt de helft van de waarde van het aandeel volgens de vrouw € 4.623,44.



3.9
Bij e-mail van 12 augustus 2024 heeft (de advocaat van) de man de vrouw verzocht om binnen 10 dagen een bedrag van € 81.830,07 aan hem te betalen. De (advocaat van de) man verwijst daarbij naar twee (gevel)taxaties in opdracht van de man. Beide taxaties betreffen de vrije marktwaarde van het appartement. In de ene taxatie is het appartement gewaardeerd op 28.000.000 Turkse lira’s (€ 801.425,02) en in de andere op 30.000.000 Turkse lira’s (€ 830.047,35). Uitgaande van het gemiddelde van deze taxaties bedraagt de helft van de waarde van het aandeel volgens de man € 103.755,93.



3.10
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat zij de waarde van het appartement niet kan vaststellen aan de hand van de door partijen overgelegde taxaties, zodat een nieuwe taxatie moet plaatsvinden. Daarbij is de vrouw veroordeeld om een makelaar in Turkije aan te wijzen die samen met een door de man aan te wijzen makelaar overgaat tot het aanwijzen van een derde makelaar, welke derde makelaar een bindende prijsbepaling uitvoert.



3.11
Na het bestreden vonnis heeft de vrouw haar makelaar, [X] , verzocht om aan één van de makelaars die de man eerder had ingeschakeld, [XX] , een voorstel te doen voor benoeming van een derde makelaar. [X] heeft vervolgens twee namen doorgegeven aan [XX] . Op 23 juni 2025 heeft [XX] de makelaar van de vrouw bericht geen bezwaar te hebben tegen een waardebepaling door de voorgestelde personen. Daarop heeft de heer [Y] , makelaar, op 25 juli 2025 een taxatie verricht waarbij het appartement is getaxeerd op 18.000.000 Turkse lira’s (€ 375.000,--).






4Vorderingen eerste aanleg


4.1
De man heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen tot:
I. primair: betaling van de helft van de waarde van haar aandeel in het appartement aan de man ad € 103.755,93, te vermeerderen met de wettelijke rente;
II. subsidiair: het aanwijzen van een makelaar in Turkije binnen een week na het te wijzen vonnis, die samen met een door de man aan te wijzen makelaar overgaat tot het aanwijzen van een derde makelaar, zulks op straffe van een dwangsom als de vrouw daarmee in gebreke blijft, welke derde makelaar een bindende prijsbepaling zal uitvoeren, waarbij de vrouw gehouden is binnen twee weken na de bindende prijsbepaling de helft daarvan aan de man te betalen;
III. betaling aan de man van de helft van de gemaakte kosten voor beëdigde vertalingen ter hoogte van € 583,14.



4.2
De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel deze vorderingen af te wijzen en in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang –:
- het aandeel in het appartement aan de man toe te delen, waarbij de man gehouden is de vrouw een bedrag van € 103.755,93 te voldoen;
- de man te veroordelen tot nakoming van de beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2022, door betaling van € 27.469,- aan de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente;
een en ander met veroordeling van de man in de proceskosten.



4.3
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank bepaald dat de rechtbank op grond van de overgelegde taxaties de waarde van het appartement niet kan vaststellen dan wel schatten, zodat een nieuwe taxatie moet plaatsvinden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen:


“4.11 De door de man overgelegde rapporten zijn weliswaar onderbouwd, maar hieruit volgt niet dat de taxateurs in hun taxaties waarde drukkende elementen hebben meegenomen. De taxateurs zijn uitgegaan van de vrije marktwaarde. Dat is normaliter de prijs die een goed geïnformeerde derde onder gunstige omstandigheden bereid zou zijn te betalen voor de aankoop van het appartement. Bij de taxatie moet echter rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden:




een koper verkrijgt niet de volle eigendom, maar een aanspraak op het appartement op basis van een aandeelhoudersovereenkomst omdat sprake is van een appartementenhotel in verband met de commerciële bestemming;




het appartement heeft een grondaandeel van 8/295e ten opzichte van het appartementencomplex;




er is sprake van vruchtgebruik en het appartement wordt door de zus van de vrouw bewoond zonder dat zij daarvoor enige vergoeding verschuldigd is, zodat een koper niet het vrije en exclusieve gebruik van het appartement krijgt;




het aandeel van de vrouw is beperkt tot een kwart van het appartement, terwijl haar zus die het appartement bewoont, een aandeel van de helft heeft.




Uit de taxaties blijkt niet dat het voorgaande in de taxatie is meegenomen en omdat is uitgegaan van de vrije marktwaardes, lijkt dat eerder niet dan wel het geval te zijn geweest. Verder heeft de man niet weersproken dat sprake is geweest van geveltaxaties, waardoor de taxateurs mogelijk een onvolledig beeld van het appartement hadden.




4.12

Ook de door de vrouw overgelegde taxatierapporten bieden onvoldoende basis voor vaststelling van de waarde. Deze rapporten zijn niet van enige onderbouwing voorzien, zodat onduidelijk is op basis waarvan de taxateurs tot hun taxatie zijn gekomen en of en in hoeverre de hiervoor genoemde elementen zijn meegenomen.”




4.4
De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld tot het aanwijzen van een makelaar in Turkije binnen twee weken na het vonnis, die samen met een door de man aan te wijzen makelaar overgaat tot het aanwijzen van een derde makelaar, welke derde makelaar een bindende prijsbepaling op grond van de in r.o. 4.11 van het bestreden vonnis genoemde elementen zal uitvoeren, waarbij de vrouw gehouden is om binnen twee weken na de bindende prijsbepaling de helft daarvan aan de man te betalen. Voorts is bepaald dat partijen ieder de helft van de kosten voor deze prijsbepaling moeten betalen, zijn de proceskosten gecompenseerd en de overige vorderingen afgewezen.






5Beoordeling


5.1
De man heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn primaire vordering, dan wel zijn subsidiaire vordering, zonder dat in de nieuwe taxatie rekening gehouden moet worden met de waarde drukkende elementen zoals genoemd onder r.o. 4.11 van het bestreden vonnis, een en ander met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van al hetgeen hij ingevolge het bestreden vonnis al heeft betaald en met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties en de nakosten.



5.2
De man is met acht grieven opgekomen tegen het bestreden vonnis.


Vaststelling waarde aandeel (grief 1 tot en met 4)




5.3
De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een nieuwe taxatie nodig is. De waarde van het aandeel kan volgens hem op basis van de door hem overgelegde taxatierapporten worden vastgesteld. De rechtbank heeft ook ten onrechte bepaald dat bij taxatie rekening moet worden gehouden met de elementen genoemd in r.o. 4.11 van het bestreden vonnis. De bindende taxatie door [Y] (derde makelaar) is bovendien zonder medeweten en instemming van de man uitgevoerd en voldoet niet aan de wettelijke en procedurele eisen. Hiervan kan niet worden uitgegaan.
De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat niet uitgegaan kan worden van de taxaties van de man omdat er geen rekening mee is gehouden dat de zus van de vrouw het appartement bewoont en nergens uit blijkt dat de taxateurs van de man door de Staat goedgekeurde taxateurs zijn geweest.



5.4
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de waarde van het aandeel niet op basis van de door partijen overgelegde taxatierapporten vastgesteld dan wel geschat kan worden en dat een nieuwe taxatie nodig is.
In de onderhavige kwestie heeft de rechtbank een viertal elementen genoemd die van invloed kunnen zijn op de waarde van het appartement, te weten (i) dat een koper niet de volle eigendom van het appartement verkrijgt maar een aanspraak op het appartement op basis van een aandeelhoudersovereenkomst, (ii) dat het appartement een grondaandeel heeft van 8/295e ten opzichte van het (gehele) appartementencomplex, (iii) dat sprake is van vruchtgebruik dat door het overlijden van vader is overgegaan op de vrouw, haar broer en zus en het appartement door de zus van de vrouw wordt bewoond zonder dat zij daarvoor een vergoeding is verschuldigd en (vi) dat het aandeel van de vrouw beperkt is tot 1/4e deel, terwijl haar zus die het appartement bewoont een aandeel heeft ter grootte van de helft.
De man heeft het bestaan van deze elementen an sich niet betwist. Wel heeft hij ter zitting gesteld dat de zus van de vrouw het appartement helemaal niet bewoont. Het hof houdt met deze nieuwe stelling echter geen rekening omdat deze stelling te laat is aangevoerd (dus in strijd met de twee-conclusie-regel). De man heeft deze stelling in zijn memorie van grieven niet aangevoerd, terwijl hij het bestaan van de hiervoor genoemde elementen an sich niet heeft bestreden. De nieuwe stelling van de man kan dan ook niet worden gezien als een aanvulling of nadere toelichting op een reeds aangevoerde grief.
Waar de man het bestaan van de hiervoor genoemde elementen an sich niet heeft betwist, heeft hij in hoger beroep wel aangevoerd dat deze uitsluitend relevant zijn in het kader van een waardering die ziet op een daadwerkelijke verkoop aan een derde. Dit appartement wordt echter feitelijk niet aan een derde verkocht. In dit geval gaat het om een interne afwikkeling tussen ex-echtgenoten. In de interne verhouding tussen partijen mogen deze elementen volgens de man geen rol spelen. Het doel van de taxatie is uitsluitend om de vermogensrechtelijke positie van partijen vast te stellen en dat dient volgens de man te gebeuren op basis van de objectieve, vrije marktwaarde van het appartement, zoals gebruikelijk is bij de vaststelling van een overbedelingsvordering. De elementen die de rechtbank heeft benoemd zijn door partijen zelf gecreëerd en weerspiegelen volgens de man niet de daadwerkelijke waarde van het appartement in het economisch verkeer.
Het hof is van oordeel dat deze stellingen van de man niet moeten worden gevolgd. De elementen die de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 heeft genoemd, kunnen immers wel degelijk relevant zijn voor de waarde van het appartement in het economisch verkeer en het aandeel van de vrouw daarin. Bij de waarde in het economisch verkeer gaat het immers om het bedrag dat een derde voor het appartement zou willen betalen. Dat bedrag kan worden beïnvloed door de eigendomsstructuur, eigendomsverhoudingen en aard van de eigendomsaanspraak van en binnen het appartementencomplex (elementen i en ii), alsmede eventuele aanspraken op gebruik van het appartement door anderen en de afdwingbaarheid daarvan (element iii). Bij de waardebepaling van het aandeel van de vrouw in het appartement kan verder een rol spelen wat de verhouding is tot de andere deelgenoten (haar broer en zus, element iv). Deze elementen zijn bovendien niet louter door de vrouw en haar broer en zus gecreëerd, maar volgen uit de aard van hetgeen door hen van hun vader is verkregen. Wat betreft het gebruik door de zus van de vrouw heeft nog te gelden dat niet gesteld noch gebleken is dat de zus dit gebruik heeft verkregen met de bedoeling om de waarde van het appartement in het kader van de verdeling te beïnvloeden. Daarnaast zal de taxateur bij de waardebepaling kunnen meewegen in hoeverre de zus haar gebruiksrecht bij verkoop ook jegens de derde-koper zou kunnen doen gelden.
Nu niet is gebleken dat bij de door partijen uitgevoerde taxaties rekening is gehouden met deze elementen, heeft de rechtbank terecht bepaald dat een nieuwe taxatie moet worden uitgevoerd. Het hof neemt daarbij ook nog in aanmerking dat de door partijen uitgevoerde taxaties qua uitkomst (zeer) ver uiteen liggen, de rapporten van de man geveltaxaties betreffen en de rapporten van de vrouw onvoldoende onderbouwd zijn. De taxaties bieden derhalve onvoldoende basis voor een vaststelling van de waarde.
Het hof gaat verder voorbij aan het argument van de man dat hij geen vertrouwen meer heeft in een nieuwe taxatie omdat hij door de vrouw niet is betrokken bij de taxatie die zij ingevolge het bestreden vonnis heeft doen laten uitvoeren. De man kan immers zelf een nieuwe makelaar aanwijzen die namens hem handelt bij het aanwijzen van de derde makelaar. Daarmee zijn de rechten van de man voldoende gewaarborgd. De man heeft tijdens de zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat een nieuwe taxatie moet worden uitgevoerd door een erkend taxateur. Het hof gaat ook hieraan voorbij omdat de man dit niet heeft gevorderd. Wel kan de door de man aan te wijzen makelaar er invloed op uitoefenen dat een ter zake deskundige derde makelaar wordt aangewezen.
Dit brengt mee dat de grieven van de man falen en zijn primaire en subsidiaire vorderingen worden afgewezen. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.



5.5
Om onduidelijkheden in de verdere uitvoering te voorkomen, overweegt het hof nog wel dat de rechtbank de vrouw heeft veroordeeld tot het aanwijzen van een makelaar in Turkije die samen met een door de man aan te wijzen makelaar overgaat tot het aanwijzen van een derde makelaar. Die derde makelaar moet vervolgens opdracht krijgen een bindende prijsbepaling uit te voeren met inachtneming van de in r.o. 4.11 van de bestreden vonnis genoemde elementen. Aan deze veroordeling is, anders dan de vrouw wellicht meent, (nog) niet voldaan De vrouw heeft immers haar makelaar, [X] , verzocht om aan één van de eerder door de man ingeschakelde makelaars, [XX] , een voorstel te doen voor benoeming van een derde makelaar. De opdracht van de rechtbank was echter dat de man zelf een makelaar aanwijst die mede bepaalt wie de derde makelaar wordt. Dat is dus niet gebeurd, waarbij de man onbetwist heeft aangevoerd dat hij door [XX] ook niet er van op de hoogte is gesteld dat hij door de makelaar van de vrouw was benaderd, hij niet bij de benoeming van de derde makelaar is betrokken en het taxatierapport hem pas achteraf is gepresenteerd. Daar komt bij dat niet duidelijk is wat de taxatieopdracht aan de heer [Y] precies is geweest, of daarbij gemeld is dat het een bindende taxatie betreft en of opdracht is gegeven met de genoemde elementen in r.o. 4.11 van het bestreden vonnis rekening te houden. Dit alles betekent dat de vrouw dus nog niet aan de veroordeling door de rechtbank heeft voldaan en dat zij daar dus nog uitvoering aan zal moeten geven.


Dwangsom (grief 5 en 6)




5.6
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen dwangsom heeft verbonden aan de veroordeling van de vrouw tot aanwijzing van een derde makelaar. Volgens de man ligt het aan de vrouw dat het aandeel nog niet verdeeld is doordat zij de man geen toegang tot het appartement heeft verschaft voor een taxatie, zij met onrealistische taxatiewaardes is gekomen en zij het bestreden vonnis (bewust) niet correct heeft uitgevoerd.



5.7
Het hof zal aan de veroordeling geen dwangsom verbinden. Weliswaar heeft de vrouw het bestreden vonnis niet correct uitgevoerd, maar zij is na dit vonnis wel opnieuw in beweging gekomen om tot een (bindende) waardebepaling te geraken. De makelaar die de man eerder had benaderd, heeft hem er niet van op de hoogte gesteld dat hij door de makelaar van de vrouw was benaderd, maar namens hem toch aangegeven akkoord te zijn met benoeming van de derde makelaar en hem daar in het geheel niet bij betrokken. Dat is niet zozeer aan de vrouw te verwijten, maar aan de makelaar die de man eerder heeft ingeschakeld. Dat partijen voor de uitspraak van de rechtbank ieder tot een totaal andere waarde van het appartement kwamen, vormt evenmin voldoende grond om aan de veroordeling van de vrouw een dwangsom te verbinden. Dat de man, althans zijn taxateurs, geen toegang tot het appartement had(den) of had(den) kunnen krijgen, is ten slotte niet komen vast te staan. Het hof gaat ervan uit dat het met dit arrest duidelijk is wat er moet gebeuren om tot de bindende waardebepaling te komen en dat de vrouw het bestreden vonnis correct zal nakomen. Het hof ziet in deze omstandigheden geen redenen om aan haar een dwangsom op te leggen.
Dit betekent dat ook deze grieven van de man falen en zijn vordering op dit punt zal worden afgewezen.



Veeggrieven man (grief 7 en 8)




5.8
De grieven 7 en 8 hebben geen zelfstandige betekenis naast de reeds besproken grieven. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, zullen ook deze grieven daarom worden afgewezen.


Terugbetaling gemaakte kosten/ proceskosten




5.9
De man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan hem van al hetgeen hij ingevolge het bestreden vonnis heeft betaald. Daargelaten dat voor het hof onduidelijk is op welke bedragen de man doelt, zal het hof de vordering afwijzen gezien de uitkomst van de onderhavige procedure.



5.10
Gelet op het familierechtelijke karakter van de procedure zal het hof de kosten van de procedure compenseren. De vordering van de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten zal derhalve worden afgewezen.



5.11
Dit leidt tot de volgende beslissing.






6Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit arrest is gewezen door mr. T.M. Subelack, mr. M.C. Schenkeveld en mr. R.M. Troost en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
Link naar deze uitspraak